Home Nieuw De aarde borrelt, sist en bruist

De aarde borrelt, sist en bruist

1

…en er gebeurt altijd van alles wat je niet kunt overzien.

Haar werk is omringd door stilte. Kun je zoiets zeggen? Het soort stilte dat je hoort als er net een dik pak sneeuw is gevallen. Zoals in het Drentse landschap waar ze als klein meisje op haar klompen door die sneeuw liep. Bestaan zulke stiltes ook in de woestijn? Ze is er veel geweest en heeft er lange tochten gemaakt, mee met de nomaden en hun kamelen.

Voor Plato’s grot: wie lopen daar?
Gerrit Hoogstraaten ontmoet Femmie Duiven

Femmie Duiven heeft haar atelier in de voormalige brandweerkazerne aan de Nieuwe Achtergracht, een adres waarmee ze nog binnen de doelgroep van oost-online valt. Ik kijk wat onwennig om me heen, huiverend van de koude regenbui die ik net op mijn kop kreeg. Op de grond ligt een enorme plak klei vol droge barsten waar rood doorheen schemert, alsof eronder een vuur brandt waar ik mijn handen aan zou kunnen warmen. Ze is er ontevreden over en wil liever niet dat ik er een foto van maak.

‘Technisch is het eigenlijk mislukt’, zegt ze. ‘Ik had een luchtbed ingesmeerd met klei en toen ik dat opblies kreeg ik wel precies die barsten die ik wilde, maar ik had niet verwacht dat het nu zo bol zou staan. Geen goed luchtbed gekocht, ben ik bang.’

Nu pas zie ik het voetpompje dat ik zo goed van de camping ken. Ik vind het wel een plaatje dat meteen een verhaal vertelt.

‘Misschien is het juist leuk ook iets te laten zien dat nog in ontwikkeling is,’ probeer ik haar te overtuigen.

‘Vind je? Meestal maak ik eerst tekeningen van mijn ideeën, zoals die blauwe schetsen die ik hier aan de muur heb hangen van werk dat ik onlangs heb weggebracht voor een expositie. Met dat luchtbed en die klei was het idee iets te maken over IJsland, waar ik geweest ben. Iets over de vreemde geologische verschijnselen daar, vulkanen en borrelende lavavelden. Als je dat wil verbeelden, dan is dat lastig.’

‘Ik zag er eerder een drooggevallen rivierbedding in, een bodem van gebarsten modder.’

‘Dat kan ook heel goed kloppen. Op reis heb ik altijd mijn kampeerbedje bij me, daar ben ik enorm aan gehecht. Ik had het bij me in de woestijn en ook in IJsland. In het Engels noem je een rivierbedding “bed”. Dus dan zit je al ook weer bij dat bedje. Maar het kan ook best nog wat anders worden dan ik van plan was, dat gebeurt vaker. Het hele creatieve proces is altijd een wisselwerking tussen het bewuste en het onbewuste, of tussen wat je wil maken en wat het uit zichzelf dan wordt. Dat het nu zo’n bolle vorm heeft, dat wilde ik eigenlijk niet, ik had het plat willen houden en dat het dan toch zou barsten, iets wat expandeert of hoe zeg je dat… Uiteindelijk wil ik met dit idee een heel groot werk maken, maar ik dacht ik doe het eerst in het klein, om te zien hoe dat gaat. Er gebeurt altijd van alles wat je niet kunt overzien. En alles wat ik verbeeld over die ontzagwekkende natuur, waarin je als mens zo nietig bent, gaat door het filter van mijn eigen, kleine beleving. Die persoonlijke verhalen heb ik nodig om sturing te houden. Met een verhaal heb je een kader, dat is toch ook zo als je schrijft?’

‘Zeker, ik heb ook altijd ergens een soort eindresultaat in mijn hoofd, waar ik naartoe werk. Maar ik maak geen schema dat ik invul of zo, het verhaal ontstaat gaandeweg en dan kan het ook mislukken omdat het niet klopt met wat ik in mijn hoofd had. Wat overigens ook weer aanleiding kan zijn tot het maken van iets anders.’

‘Ja, grappig, dat werkt bij mij net zo. Het eindresultaat wordt bij mij ook sterk bepaald door hoe ik zelf steeds weer naar mijn eigen werk kijk. Want als ik iets af heb, of eigenlijk, terwijl ik ermee bezig ben, werkend vanuit het materiaal, ontstaat er in mijn hoofd vaak al een verhaal van waar het eigenlijk over gaat wat ik aan het maken ben… Maar goed, je mag het dan wel fotograferen, nu we het er zo over hebben.’

.

Femmie komt van Nijeveen, een dorp in de buurt van Meppel. Haar ouders waren boer, maar ze had al snel door dat het boerenbedrijf niet aan haar besteed was. Ze ging, net als haar oudere zus, naar de kweekschool, tegenwoordig de pedagogische academie. Feitelijk was het de enige opleiding na de middelbare school waar je in Meppel nog heen kon, als je geen boer wilde worden. Ze was toen ook al zo met tekenen en schilderen bezig dat ze van de leraar handenarbeid de sleutel van zijn lokaal kreeg, zodat ze daar altijd in kon om verder te werken aan haar projecten. Na de kweekschool haalde ze nog diverse aktes op het gebied van tekenen en handvaardigheid.

‘Ik bleef altijd geïnteresseerd in kunstachtige dingen,’ vertelt ze. ‘Dan zag ik in de krant, ik las het NRC, wat er in Amsterdam allemaal te doen was, en daar ging ik dan naartoe. Met de  trein naar Amsterdam, naar die exposities waar ze het over hadden. Zo kwam ik erachter dat wat ik zelf tekende en schilderde, aquarel, olieverf, allemaal heel realistisch en voor de hand liggend, soms ook wel surrealistisch, dat ik dat allemaal deed op de manier zoals ik dacht dat het hoorde. Hier zag ik werk van mensen die heel iets anders deden. Bij vrienden van mij hangen nog wel werken uit die tijd, ze zullen het mooi vinden, maar ik zag zelf wel in dat ik nog heel veel te leren had. Zodra het gezinsleven het toestond ben ik naar de avondopleiding van de Minerva kunstacademie in Groningen gegaan, en daarna werd het de Rietveld, in Amsterdam. Ik kende daar niemand, maar ik dacht, ik ga gewoon naar de Rietveld.’

‘Daar ben je in 1993 afgestudeerd, las ik ergens?’

‘Klopt, dus drieëntwintig jaar na de kweekschool. Ik zeg altijd ik heb het allemaal achterstevoren gedaan: eerst het gezin en de kinderen en daarna naar de academie en kunstenaar worden.’

‘Wil je daarmee zeggen dat je dat kunstenaarschap ook pas op de Minerva en de Rietveld hebt ontdekt, of serieus bent gaan nemen?’

‘Dat nu ook weer niet, of misschien het laatste. Het ouderschap had prioriteit. Die levenshouding gold voor mijn hele vriendenkring in die tijd. Je kon je daar moeilijk aan onttrekken. Toen ik er eenmaal toch, ik zou bijna zeggen, aan was ontsnapt, was mijn ontdekking niet zozeer mijn talent maar vooral de vraag: waar moet het nu eigenlijk over gaan? Je kunt wel van alles, schilderen, ik was ook best goed in modeltekenen, maar waar gaat het over?’

‘Dat herken ik wel, ik kon op mijn twintigste al aardig schrijven, maar wat had ik te vertellen? Alleen, jij had op dat moment toch al best veel levenservaring?’

‘Ik ben in eerste instantie daar ook wel van uitgegaan, de boerderij, het vlakke landschap en wat dat met je doet, als kind al. Ik had in Drenthe, waar ik woonde, soms letterlijk het gevoel dat ik er vastgezogen zat in dat Drentse land. Dat kwam bij Minerva terug in mijn landschapstekeningen, een beetje in de stijl van Armando. Heel groot en somber en nogal dramatisch. In Amsterdam werden die tekeningen meer collages en daar kwamen steeds meer materialen bij te pas. Niet alleen knipte ik in papier maar er kwam ook karton bij, waar ik van allerlei spul op plakte. Mijn werk werd steeds ruimtelijker. Zo begreep ik ineens wat ik echt wilde. Schilderen is een illusie van diepte in een plat vlak en ik wilde meer dan dat, ik wilde beeldhouwen.’

.

‘Maar je bent niet gaan hakken in steen, of marmer?’

‘Ik beeldhouw met zachte materialen, zo heeft iemand het eens beschreven.’

Ze laat me de stof zien waarmee ze vaak werkt, die ze met rimpelelastiek op de naaimachine verder bewerkt tot een raster van ruitpatronen. Die stof heet Organza, een dunne, fijne stofsoort, doorschijnend en licht glanzend. Ze laat het als water door haar handen stromen. Organza is populair in bruidskleding, lees ik later op internet.

‘Dus het hele verhaal van het beeld dat al in de steen zit, dat gaat bij jou niet op?’

‘Nee, bij mij werkt ook dat weer precies andersom. Ik ga meer uit van de oppervlakte van het materiaal, en dan dus niet van steen of marmer maar juist van zachte materie, daar maak ik vormen en volumes mee.’

Het doet me denken aan wat Simon Oud, over wie ik het eerste artikel in deze reeks schreef, mij vertelde. Ook in zijn ontwikkeling breidde het doek door toevoeging van materialen zich steeds verder uit in de ruimte, tot hij uitkwam bij de sculptuur. En er zijn meer overeenkomsten. Ik vertel Femmie over Simons fotografisch werk, over sporen in het landschap, verwaaide loodsen op een stuk braakliggend land, onmogelijke hokjes wankelend op een kale vlakte, door rupsbanden opengeritste aarde. Zo is ons platteland en zo ervaren we dat. Het lijkt erop dat Femmie een soortgelijk verhaal vertelt, de cirkel is rond. Of toch niet?

‘Het is zeker heel herkenbaar voor mij, die sporen in de aarde. Als kind haalde ik het ijs uit de groeven op het land, als het gevroren had. Eigenlijk was ik spelenderwijs al bezig met het principe van beeldhouwen, dat je iets afgiet. Maar ik probeerde de abstractie van die ijsvormen wel semantische waarde te geven. Ik verzon er verhaaltjes bij, samen met andere kinderen. In feite ben ik dat blijven doen, verhalen verzinnen bij wat ik maak. Alleen gaan die nu over veel meer dan alleen over het landschap van mijn jeugd. Mijn horizon heeft zich verbreed, ik heb veel gereisd in Noord Afrika, lange trackings door de Sahara van Algerije, Marokko, Mauritanië en Egypte.’

‘Hoog op een kameel?’

‘Dat is het beeld dat toeristen daarvan hebben. Maar de kameel wordt vooral als lastdier gebruikt. Ikzelf en de gids en de nomaden gingen te voet. Ik kan er eindeloos over uitweiden. Een paar van die tochten duurden vier tot vijf weken, waarvan de meest bijzondere en authentieke door Mauritanië was, aan het slot waarvan ik uiteindelijk in Timboektoe in Mali arriveerde. En ik was onlangs dus ook in IJsland. In de titels die ik aan mijn werken meegeef vind je de verhalen terug over alles wat ik overal heb gezien en meegemaakt.’

Ik begrijp het, wie verre reizen maakt, kan veel verhalen. Alleen die voorkeur voor dat lege landschap, de woestijn, de lavavelden in IJsland, die deel ik niet. Van driehonderdzestig graden in de rondte draaien en overal de horizon zien, word ik duizelig. Ik merkte het toen ik onlangs in Friesland was. Ik wandelde in mijn eentje een deel van de Elfstedentocht en vond het moeilijk de juiste afstand te schatten tot het dorp dat ik in de verte zag. Franeker, waar Eise Eisinga een schaalmodel van ons zonnestelsel in het plafond van zijn woonkamer uitzaagde. Zijn wereldberoemd geworden Planetarium draait met ongelooflijke precisie op een mechaniek van eikenhouten assen en raderen dat de hele zolder in beslag neemt, aangedreven door een Friese staartklok. Eise begon eraan in 774 en deed er zeven jaar over voor het in 1781 tot opluchting van zijn vrouw eindelijk klaar was. Het loopt nog altijd, met een afwijking van nog geen veertig minuten per jaar. Dat geduld om zoiets te maken, die perfectie, zouden die te maken hebben met de rust van het landschap? Die fascinatie voor het universum, de sterrenhemel boven de nachtelijke velden, waar het nog steeds echt donker is? En zou Femmie’s voorkeur voor het weidse landschap boven de skyline van de grote stad of de beslotenheid van het bos ook daarin haar oorsprong hebben?

.

‘Nou, ik weet wel nog heel goed dat ik als kind op een gegeven moment groot genoeg was om ook ’s nachts een keer buiten te zijn, en dat ik daar ineens al die lichtjes zag…’

‘Van de sterren?’

‘Nee, in de verte, aan de horizon, de lichtjes van de stad, nou ja, van Meppel dan. En dat ik dacht jeetje, zoveel licht! Daar moet ik naartoe! Dat had een soort verleiding en verlokking voor mij en dat is altijd wel gebleven.’

‘Toch gaat je werk niet over de stad, zover ik zie.’

‘Nee, dat klopt, terwijl ik juist wel graag in de stad ben. Die lichtjes zien vanuit de verte en daar dan heen willen, dat gaat ook over verlangen. Maar waar het dan wel over gaat, ook niet alleen over die leegte, al hebben mijn werken daar allemaal wel iets mee te maken… Waar gaat het over, dat is voor mij ook een heel belangrijke vraag. Vaak kom ik daar op een vrij associatieve manier achter, door de verbanden die ik achteraf pas leg. Indigo Eye bijvoorbeeld, die titel vertelt een verhaal. Indigo is de blauwe kleurstof waarmee de Touaregs de textiel voor hun kleding verven, in een dermate sterke concentratie dat de mineralen die in die plantaardige verfstof zitten een violette goudachtige glans op de stof achter laten. Je huid wordt er ook heel blauw van als je het draagt. Ik heb die textiel vanuit Algerije meegenomen naar huis, in een ronde vorm gelegd, en bestrooid met zand. Daar kun je de iris in het oog van een Touareg in zien, die de eindeloze lege vlaktes van het landschap waarin hij leeft, voortdurend met zijn blik rondom aftast tot aan de horizon. Ze hebben doeken om hun hoofd gewikkeld tegen zandstormen, en dan laten ze maar een klein stukje open voor de ogen. Het was niet zo dat ik had bedacht, laat ik nou eens een oog maken, die interpretatie kwam pas achteraf, toen ik een titel zocht. Toen dacht ik, nu weet ik het, dat zand en die kleur, dat heeft te maken met de Touaregs, het komt er zelfs rechtstreeks vandaan, en dat patroon, dat is net een oog, dat past wel goed bij het verhaal, en de cirkel is de horizon rondom, dan wordt het dus Indigo Eye.’

.

‘Bij jou vormt het verhaal zich vanuit het werk, kun je dat zo zeggen?’

‘Nou, ik heb ook wel een soort verhaal in mijn hoofd als ik ergens aan begin, een sfeer, iets wat je nog niet precies kunt benoemen. Bij mij ontstaan dingen vaak intuïtief. En het hangt er ook vanaf in welke omstandigheden ik werk. Wat ik in Duitsland heb gemaakt bijvoorbeeld, in een voormalige aardappelmeelfabriek, daarvan was meteen duidelijk wat het onderwerp was. Kunstenaars hadden de opdracht iets te doen wat aansloot bij die omgeving. Ik mocht er twee werken maken. Toevallig was ik net bezig geweest met een oud gordijn, gewoon voor in mijn eigen huis, maar dat werd hem toch niet en toen ben ik het eigenlijk puur uit verveling gaan borduren. Zo werd dat een vorm, een zuil, en van daaruit ben ik verder gegaan. Ik wilde die zuil in verband brengen met de barokke overdaad aan het hof van Duitse vorsten als Ludwig II en Maximiliaan. Daarom heb ik rode fluwelen stof met goud bekleed, althans, zo ziet dat eruit. De zuil hangt aan een draad, dus alles is tegenstrijdig. Het lijkt of hij staat maar dat is niet zo, en dat goud zijn feitelijk plastic haarklemmen die ik op de Dappermarkt heb gekocht. Het is eigenlijk een metafoor voor de ondergang van dat hele keizerrijk. Het grappige is, toen die stof hier in mijn atelier op de grond lag, zo helemaal uitgewaaierd, zag ik ineens: maar dat is ook mooi! Zo is mijn eerste cirkelvormig werk ontstaan. Het werd mijn tweede bijdrage daar, ook nog in een performance voor het publiek. Eerst lag er die prachtige rode stof in een cirkel op de grond, als een mooie koningsmantel, en toen ging ik daar klei op smeren. Aardappels komen uit de klei, dat was het idee. Maar de mensen die mij dat zagen doen, vonden het echt zonde van de mooie stof. Tot ik het in het centrum openliet zodat daar de rode stof zichtbaar bleef, toen zagen ze dat het beeldend toch wel heel sterk was.’

.

‘Welk verhaal vertelt het werk dat je Séquia hebt genoemd?’

‘Ik had een roze, rotsblokachtige vorm gemaakt, en toen vond ik ergens een verticale standaard van betonijzer, met van die mooie gedraaide pootjes. Misschien had daar een plant in gehangen, of een lamp of zoiets. Zo ontstond dat zwevend rotsblok, ik noem het Fata Morgana. Ik wilde ook iets met water, daar had ik blauwe Organza voor. En ik had het idee dat moet horizontaal, dus geen waterval. Ik heb toen bij Van der Pol betonijzer gekocht en ter plekke op maat geslepen met de haakse slijper, zodat ik die stangetjes achterop de fiets mee kon nemen. Ik heb ze hier aan elkaar gelast, dat had ik ook al jaren niet meer gedaan, tot een rijtje van diezelfde soort standaards. De afmetingen ervan zijn ongeveer de afmetingen van de aquasystemen die ze in Spanje en Marokko nog over hebben uit de Romeinse tijd. Door al die gootjes met kleine dammetjes wordt water verspreid, die dammetjes zijn net zo breed als mijn standaards. Ik dacht altijd dat het systeem Secchia heette, maar tijdens mijn wandelingen door landerijen in Spanje werden de watergootjes daar door de Spanjaarden zelf altijd Séquia’s genoemd. Vandaar de titel. In Marokko, bij wandelingen door de Palmerieën en tuinen, noemden ze de bewateringssystemen ook zo. Men was daar verbaasd dat ik het woord kende. Misschien is het wel iets dat ik alleen van horen zeggen heb? In Marokko heeft men alles van horen zeggen. Je hebt daar nog echt een vertelcultuur. In ieder geval is de titel Séquia paradoxaal en daardoor misschien ook weer passend in mijn werk. Séquia is het Spaanse woord voor irrigatiesysteem, maar Sequía betekent droogte, waar het beeld van gebarsten aarde bij hoort. Misschien wordt het alsnog wel Secchia. En het kan ook best zijn dat ik later denk, wat een onzin wat ik je hier wijsmaak, maar goed, het is altijd wel fijn als je een beeld kunt benoemen. Als je zegt dit is Zonder Titel 1, en dit Zonder Titel 2, dan kun je er eigenlijk ook geen gesprek over voeren.’

.

‘Kunst staat nooit helemaal op zichzelf,’ opper ik wijsneuzig, ter inleiding tot de volgende vraag die ik haar wil stellen. ‘Originaliteit is in zekere zin altijd ingebed in stromingen, er is op zijn minst sprake van synchroniciteit. Door welke kunstenaars ben jij beïnvloed?’

‘Dat is heel verschillend, het hangt er ook weer net van af waar ik mee bezig ben. Ik heb hier nu een tekening hangen van Robert Smithson, die maakte landschapskunst. Hij liet asfalt naar beneden stromen van de helling van een klif, als lava uit een vulkaan, daar doet het aan denken. Daar is die tekening het ontwerp van. Het bekendst is hij geworden door de spiraalvormen die hij in het landschap maakte, die noemde hij Spiral Jetty, ken je dat? Hij heeft er ook een in Nederland gemaakt, in de buurt van Emmen.’

Het zegt me wel iets, maar ik kan er tijdens het gesprek niet zo gauw opkomen wat. Pas bij het schrijven van dit stuk, als ik Spiral Jetty heb gegoogeld en heb gelezen dat dit Smithsons wereldberoemde spiraalvormige pier is die hij in 1970 in het Great Salt Lake in Utah liet aanleggen, bedenk ik me wie mij over hem verteld zal hebben: Bruno Doedens. Een Nederlands landschapskunstenaar die naam heeft gemaakt met bijzondere projecten op Oerol: Dansend Woud (2005) en Jaarringen (2006), in 2007 gevolgd door Zomersprookjes. Overal aan onze Noordzeestranden verschenen glazen reuzenschelpen die verhalen vertelden uit zee. Je kon je oor eraan te luisteren leggen en kreeg die verhalen dan door de makers voorgelezen.* Ongetwijfeld hebben we in die tijd over Robert Smithson gesproken, de overeenkomsten en de inspiratie zijn duidelijk. Maar terug naar Femmie.

.

‘Ik ben zelf geen landschapskunstenaar, ik heb de middelen en de mogelijkheden niet voor zulke projecten. Bij mij speelt zich alles binnen behapbare ruimtes af, misschien moet ik wel zeggen: binnen in Plato’s grot. Maar wat grappig is, wat ik me nu ineens herinner, er was ooit een kunstprogramma op tv, ergens begin jaren zeventig, van de vorige eeuw moet je er dan bij zeggen, en dat ging over boer Waalkens, heb je daar weleens van gehoord?’

‘Eh, nee, eigenlijk niet…’

‘Die is toch heel bekend in de kunstwereld hoor, boer Waalkens, dat is voor mij een begrip. Hij was een boer van rijke komaf en zo bevlogen van kunst dat hij zijn stal beschikbaar stelde als atelier en galerie, dat kon hij zich veroorloven en daar hebben heel veel mensen plezier van gehad, en nog. Kunstenaars uit de hele wereld trokken ernaartoe, ze exposeerden er en maakten ter plekke ook nieuwe dingen, die met het landschap te maken hadden. Ik zag ze foam of zoiets dergelijks gieten in de voren van een akker en dan haalden ze die vormen eruit, mijn mond viel open, die deden daar precies wat ik als kind al deed met ijs, en dat is kunst? Wow, dat wil ik ook!’**

‘En dat heb je meer dan waargemaakt, vind ik. Je noemde net ook al even het thema van mijn ontmoetingen, Plato’s grot. Hoe zie jij jezelf in dat verhaal?’

‘Ik ben geloof ik liever in die grot dan erbuiten. Ook omdat ik het daar spannender vind, en boeiender. De abstractie van een zuivere vorm, een zuiver idee, is me toch wat te hoog gegrepen. Ik moet ergens een reëel aanknopingspunt hebben. Je hebt het hogere, de waarheid, en je hebt de mens die alleen maar daar de schaduwen van ziet. Maar wel met zijn menselijke emoties, waar ik het eerder over had, alles gaat door het filter van je eigen beleving. Daarmee borduur ik voort op de romantiek, waar je de emoties van de wandelaar in het landschap, of de eenzame monnik aan het strand, ziet weergegeven in grillige, donkere bomen en  rotspartijen, ruige watervallen, onheilspellende wolkenluchten en woeste zee.’

Caspar David Friedrich, wandelaar boven de nevelen.

We kletsen nog wat verder over de enorme invloed die de Romantiek heeft gehad door ons de nietigheid van de mens tegenover de natuur te tonen, een groot verschil met alles wat daarvoor werd gemaakt. En met het beeld van een kunstenares die wat heen en weer scharrelt in haar atelier, soms in, soms buiten de grot, en die steeds wat ze ziet vergelijkt met de verhalen in haar hoofd en in haar hart, ga ik naar huis.

.

En daar ga ik eens goed nadenken over alle gesprekken die ik in deze serie heb gevoerd met kunstenaars uit Amsterdam-Oost. Welk verhaal vertellen zij ons nu? Alle kunst gaat, behalve over zichzelf, ook over degene die de kunst maakt. Of je nou schrijver, schilder of beeldhouwer bent, de verhalen die je vertelt komen altijd uit jezelf, jij bent degene die weergeeft wat je hebt waargenomen. Dat kunnen schaduwen zijn van de werkelijkheid, ook die ondergaan een transformatie als ze worden weergegeven in een gedicht, een roman, een schilderij of een sculptuur. Of in een performance. In die transformatie spelen emoties en gevoelens misschien een belangrijker rol dan de ratio.

Vandaar de interpretatie achteraf, als de ratio het overneemt en betekenis geeft aan wat zich in tijd en ruimte heeft afgespeeld. De vraag is nooit eerder bij me opgekomen, maar waar komen de voorwerpen achter Plato’s muurtje eigenlijk vandaan? Het zouden zuivere ideeën van de werkelijkheid zijn, en het is logisch dat als die voor het licht worden langs gedragen ze hun schaduwen werpen op de rotswand waarvoor wij zitten vastgeketend. Maar wie zegt dat het eigenlijk niet andersom is? Dat die voorwerpen gemaakt zijn door kunstenaars als weergaven van de schaduwen die zij uit het schemerdonker van hun ziel naar het licht hebben gebracht? Misschien heeft Femmie haar positie in dat verhaal nog het best begrepen van ons allemaal.

Amsterdam, januari 2018.

*Meer weten over Bruno Doedens.
Voor zomerspookjes heb ik zelf twee teksten geleverd, een rap en een lied, op muziek gezet door Henk Dits, gerapt door Arne en Josse Dits en ingezongen door Saskia Riemens.
**Meer weten over boer Waalkens

Meer weten over Femmie Duiven. Bekijk daar ook haar video in de woestijn. Meer weten over Gerrrit Hoogstraaten

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here