Home Méland Langeveld Vertrouwd beeld

Vertrouwd beeld

Onalledaags

0

Terwijl ik de gordijnen van de woonkamer openschuif, valt mijn oog op de lege etagewoning op driehoog aan de overkant. Mijn overbuurman is verdwenen. Hoe is het mogelijk, dat dat me nu pas opvalt? Twee lichtere plekken op het bloemetjesbehang markeren de plaats waar het vredige heidetafereeltje en het portret van zijn overleden vrouw hingen; de spijkers zitten nog in de muur. De boekenkast, de tafel met het kleedje, de hanglamp, de met zachtgroene stof beklede fauteuil, die sinds de dood van zijn vrouw onbezeten bleef, zijn in rook opgegaan.

Een tijdje geleden kwam ik hem nog in de supermarkt tegen. Ik groette hem. Zijn blik verraadde dat hij moeite had mij te plaatsen en zelf duurde het ook enkele seconden voordat ik hem als mijn overbuurman herkende. Weggerukt uit zijn omgeving was mijn vertrouwde beeld van hem even, gelijk een storing op televisie, aan het flikkeren.

Nu ik naar zijn kaalgeplukte woning sta te kijken, zie ik hem weer voor me. Hij zit aan tafel, waar hij bedachtzaam de vakjes met letters opvult. Af en toe raadpleegt hij het puzzelwoordenboek. De eenzaam overgebleven haren op zijn kale hoofd zijn steil naar achteren gekamd. Zijn zwarte poes zit kaarsrecht voor hem op tafel. Bedaard volgen haar ogen zijn handbewegingen. Ze is oud en slaapt bijna de dag door. Maar het gekras van de vulpen heeft haar kennelijk ontwaakt. Hij kijkt op van zijn kruiswoordpuzzel en aait haar over de kop. Dan drukt ze haar kont de lucht in, rekt zich uit en gaat midden op het puzzelboekje staan. Demonstratief legt hij zijn vulpen neer, staat moeizaam op en schuifelt naar de keuken. Met een souplesse die niet echt meer bij haar leeftijd past, springt poes via de stoel op de grond en gaat achter hem aan. Uit de koelkast pakt hij een blikje en schuift de vleesbrokjes in het voederbakje. Traag likt ze aan de gelei terwijl hij de fluitketel vult en op het vuur zet. Uit het kastje boven het granieten aanrecht pakt hij uit een blik een theezakje, rommelt aan het touwtje en hangt het in de theepot. Onder zijn pullover draagt hij een overhemd, zonder stropdas. Hij wendt zich naar het raam, kijkt en wuift naar me. Ik beantwoord zijn groet.

Maar nu is hij er niet meer. Zijn vrouw was al een jaar of drie geleden overleden, maar ook haar zie ik nu als een foto haarscherp voor me afgedrukt. In haar zachtgroene fauteuil, met breipennen en een kluwen wol; asgrijze haren, in permanent gestoken; bolle wangen met een forse neus; een jurk met bloemetjesmotief. De zwarte poes op schoot die zo nu en dan haar poot naar het bewegende garen uitsteekt. Buiten wappert haar schone was, dat zorgvuldig gegroepeerd aan de drie waslijntjes te drogen hangt. De schone witte was steekt af tegen de vuilbruine bakstenen van de buitenmuur. Maar bij de eerste regendruppels legt ze haar breipennen neer en staat moeizaam op. Ze stommelt naar het raam, schuift het open en haalt de was naar binnen.

De overbuurman heeft de waslijntjes nooit meer gebruikt. Af en toe zat er nog weleens een vogel op.

Nu zie ik alleen nog maar een kaal, leeggeroofd huis. Het gordijn, met het keukengereimotiefje, is weg. De ijzeren gordijnrail is grotendeels losgeraakt en helt als een zinkend schip naar onderen. De gordijnstof lijkt er in de haast te zijn afgerukt; het keukenkastje staat wijd open.

En waar is de poes naartoe gegaan?

Het vertrouwde beeld van het kale hoofd dat ’s avonds boven de stoel uitsteekt, het opflitsende gekleurde licht van de televisie, en de rustgevende poes in de vensterbank of op tafel zijn voorgoed verdwenen.