Home Méland Langeveld Even terug in de tijd

Even terug in de tijd

0

Het jubileumnummer van Dwars staat in het teken van verleden, heden en toekomst. In deze ‘Onalledaags’ grijp ik terug naar het verleden met enkele stukjes die ik halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw schreef. Nog in een schrift vastgelegd in een tijd dat er nog geen computer was. Ik kwam toen als student Nederlands in de Transvaalbuurt wonen.

Tekst Méland Langeveld

 

Opnieuw verhuizen?

Sinds gisteren hebben we de sleutel gekregen van een benedenwoning in de Transvaalbuurt. Het is een oude woning die we flink aan het opknappen zijn.
‘Even uitrusten?’ oppert m’n vriendin.
We nemen plaats in de tuin, draaien ieder een shaggie.
Aan de overkant op één hoog staat een vrouw voor het raam te kijken. Ze draagt een vale bloemetjesjurk. Haar zwarte haren heeft ze vol zitten met gekleurde krulspelden. Met moeite schuift ze het raam omhoog en steekt haar hoofd naar buiten.
‘Gaan jullie óók verhuize?’
‘We hebben net de sleutel van deze woning gekregen mevrouw.’
Ze fronst haar wenkbrauwen. Haar gezicht is zwaar opgemaakt.
‘O, ik mot d’r uit. Renovasie. Motten die woninge niet gesloopt worde dan?’
Ik schat haar een jaar of vijftig. ‘Voorlopig wordt hier nog niet gerenoveerd mevrouw.’
Haar gezicht ziet er doorleefd uit. Zelfs de make-up kan het niet langer verbloemen.
‘Nou, ik ben blij dat ’k weg ken. Met al die Turke en Marokkane. Dat eten stink zó.’
Haar gezicht vertrekt daarbij in een grimas.
‘Wij vinden het hier juist een leuke buurt, veel verschillende nationaliteiten.’
Terwijl ik de buurt aan het aanprijzen ben, besef ik dat het weinig zin heeft. Haar houding verraadt dat ze niet in mijn verhaal geïnteresseerd is. Ze schuift het raam met moeite naar beneden en loopt er hoofdschuddend van weg.
Dit is vast een ouwe, verstokte Transvaalbewoonster?

 

Vliegeren?

Het is aan het eind van de ochtend al tamelijk heet in de tuin. In de schaduw van de lindeboom drink ik een bak zwarte koffie. Op driehoog in de hoek van het binnenterrein speelt zich een amusant tafereel af. Vanaf het balkon probeert een kind van een jaar of negen een papieren vogel op te laten. Zijn speelterrein is tot pakweg één bij vier meter beperkt. De vlieger bengelt aan een stuk touw voor het raam van de benedenburen. Beteuterd kijkt hij naar het grote klos touw en de bruine arend onder hem. Hoe krijg ik dat ding daar boven aan de hemel, zie ik hem denken. Dat heeft hij ongetwijfeld weleens op de televisie gezien.
Na een halfuurtje van afwikkelen en opwinden van het klos touw en daarbij de vlieger van begane grond tot driehoog heen en weer te hebben laten gaan, gooit de jongen het probleemgeval naast zich neer. Hij trekt z’n rollerskates met ‘turbo-geluid’ aan en manoeuvreert heen en weer over het met wasgoed vol gehangen balkon. Het ‘turbo-geweld’ weerkaatst tussen de vier opstaande gevels van het binnenterrein.
Enkele minuten later trapt hij de skates uit en smijt er één over de balkonrand. Beneden sneuvelt een ruit. Hij trekt aan de keukendeur, maar die geeft niet mee. Hij schreeuwt en krijst. Niemand reageert. Van angst trapt hij tegen de keukendeur en tegen de metalen vuilnisbak. Het haalt niets uit. De deur blijft gesloten. Dan kruipt hij in een hoek ineen en huilt hartverscheurend.

 

Een pak Douwe Egberts

Samen lopen we naar de buurtsuper van Joop. Helaas verbiedt een gebodsbordje Elsa de toegang tot het pand. Ik laat haar achter maar weet dat ze de zaak toch binnendringt. Ze hoeft maar voor de elektronische verklikker te gaan staan en de deur opent zich vanzelf.
Het is druk in de zaak; de kassa’s zijn weer eens onderbezet.
En er is vanmiddag ook weer eens consternatie: een agent slaat een vrouw in de boeien en voert haar af. Haar prooi: een pak Douwe Egberts. Joop heeft zijn ogen niet in zijn zak zitten en menigeen verliest bij hem het graaispel.
Inmiddels sjokt Elsa naast me mee. Gelukkig kent Joop haar.
‘Ze wordt al oud maar blijft ondeugend,’ zegt hij lachend.
‘Ja, ze houdt van gewoontes,’ voeg ik er onnodig aan toe.
Daarmee is de kous als gewoonlijk afgedaan en mag Elsa het laatste gedeelte wachtend in de rij met me doorbrengen.
Bij het afrekenen, blijk ik niet over de nodige duiten te beschikken. Ik pak een paar artikelen die ik toch niet écht nodig heb en geef ze aan het kassameisje. Dit overkomt me net iets te vaak!
Elsa sloft achter me aan naar huis. Ik hoef niet achterom te kijken, het tikken van haar nagels op het trottoir geeft haar positie nauwgezet aan. En zelfstandig oversteken kan ze al jaren!

 

SVP aanbieden in gesloten zak

De in sjofel pak gestoken man, van naar ik schat een jaar of vijftig, klimt met beide voeten op een fiets die tegen een container aanstaat. Hij duwt de deksel open en steekt zijn ongeschoren kop naar binnen. De inhoud van de groene container komt volgens het er slordig opgespoten opschrift: ‘ten goede aan hulpbehoefenden (met een f) in de Derde Wereld, ook voor Roemenië.’ Dit aldus de mij onbekende stichting Kici.
Met twee vuilniszakken kledij in mijn hand sta ik naast de container te wachten. Ongestoord blijft de man de inhoud inspecteren. Voorbijgangers kijken maar besteden er niet lang aandacht aan.
‘Zullen we ’m d’r maar ingooien?’ zeg ik net iets te hard tegen mijn vriendin.
De verlopen kop komt naar buiten. Met een verwilderde blik in zijn ogen staart hij me aan. Dan waggelt-ie weg, werpt nog even een stuurse blik naar achter en verdwijnt om de hoek.

 

‘Ik mot ook dood’

Vandaag is het een hete dag. Ik loop de deur uit naar buiten. De hitte slaat me flink in het gezicht. Mijn trouwe viervoeter slentert achter me aan, de warmte overvalt ook Elsa want ze sukkelt meer dan ooit. Haar zwarte vacht is in de felle zon een ondraaglijke last, en samen eisen we de schaarse schaduw op.
Op de hoek van de straat houdt een vrouw ons staande. Ze staat op afgetrapte pantoffels en draagt een tot op de draad versleten winterjas. Ze stinkt zodanig dat ik er misselijk van word.
‘Hoe oud is-tie hond?’
‘Ze is elf,’ zeg ik trots.
‘Elf maande.’
‘Nee mevrouw, zo jong ziet ze d’r toch niet meer uit!’
‘Is ’t een wijffie? Ik hed ook ’n hondje’, maar nou is-ie dood. Ik mot ook dood,’ klaagt ze en strompelt door.

 

Sultan de sul

De zon schijnt fel. De hitte van de vorige dag hangt nog in het huis. Ik loop de tuin in, maar daar is het nog heter. Op tweehoog aan de overkant blaft een hond. Elke keer als de hond een kat ziet, blaft hij de longen uit zijn lijf. Het lijkt erop alsof zijn leven ervan afhangt. Elke dag hetzelfde treurige tafereel. Steeds weer katten die hij moet verdrijven. Wat een vermoeiende levenstaak heeft hij op zijn schouders genomen. Helaas trekt de doorgewinterde huiskat zich niets van deze grote herdershond aan. Die bevindt zich toch veilig achter tralies ergens ver boven hen.
De hond, Sultan noemen ze hem, zit opgesloten op een balkonnetje van één bij vier meter vanwaar hij dagelijks zicht heeft op de tuinen in het omsloten huizenblok. Met uitzondering van de twee keer per dag dat hij het balkon mag verlaten voor een ‘blokje om’, waar hij zijn drol ergens pontificaal midden op de stoep kan deponeren. Het enige vertier voor de hond vormen de stuk of twintig katten die het blok rijk is. Elke keer trapt Sultan er weer in. Zijn balkonnetje verdedigt hij met man en macht; er zou toch eens een kat bij hem op het balkon komen… Zelfs met deze hitte houdt Sultan het niet voor gezien.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here