Home Natuur in de buurt Goed zo, braaf zo

Goed zo, braaf zo

0

Spelen. Aaien. Lief. Pootje geven. Vieze poten. Kwispelen. Blaffen. Poep op de stoep. Poep aan je schoen. Stinken. Pak bal. Kluif. Uitlaten. Uitgelaten. Hondsbrutaal. Hondstrouw. Zo ziek zijn als een hond. Dat zijn zomaar wat associaties bij dit populaire huisdier. Een bezoek aan Politie Honden Dressuur Club (PHDC) Insulinde voegt er al snel een nieuwe associatie aan toe. Een hond moet geïnteresseerd zijn.

Tekst Lieneke Koornstra | Foto’s Kees Hoogeveen | IJopener

Aan de Diemerzeedijk bevindt zich tussen de tuinhuisjes een poort. Daarachter een pad dat toegang geeft tot een met bomen omzoomd grasveld. In het gras ligt een paraplu. Ook is er een loopbrug, een omgekeerde plastic teil, een hindernisbaan. Vier honden zijn aangelijnd aan een boom. Eén hond kijkt indringend de kant op van zijn baasje, een andere blaft luidkeels, een volgende heeft zich er rustig bij neergelegd en nummer vier snuffelt wat rond. Hun baasjes zitten met een bekertje koffie op een bank en delen hun ervaringen van de afgelopen week met de trainsters Enid Lambregts en Sandra Steijger. Pas als een hond stil is mag het baasje er vervolgens mee aan de slag.

Opeisen
Een zwarte labrador volgt zijn baasje naar de omgekeerde teil. Zijn beide voorpoten gaan erop. Zijn beide achterpoten moeten er ook op. ‘Een labrador is een lompe boer’, zegt Enid. ‘Die stuift op je af en klapt tegen je aan. Dat moeten we niet hebben. Hij moet  leren voorzichtig te zijn. Ook bij het aanpakken van iets. Jouw hand hoeft niet te verdwijnen in de hondenbek zodra je iets geeft.’ Terwijl de hond een achterpoot op de omgekeerde emmer plaatst, krijgt hij een stukje worst toegestopt. ‘Goed zo, braaf’, wordt hem te verstaan gegeven. ‘Naar gelang een hondje het beter gaat doen en ook als hij ouder wordt, wordt de beloning uitgesteld’, legt Enid uit.

Wat verderop is een Duitse herder in de leer. De trouwe viervoeter wil steeds het speeltje pakken dat zijn baasje bij zich heeft. Enid: ‘Zaak is dat de baas eerst het speeltje zelf opeist.’ Ze pakt een bal, legt die op de grond en gaat er met haar armen over elkaar bij staan. Steeds als de hond hem wil pakken, staat zij ervoor dat dit niet gebeurt. ‘Je kunt hem het speeltje ook laten apporteren. Doet een hondje dat goed, dan beloon je hem met een stukje worst. En maakt hij het te dol, dan corrigeer je hem op de plek waarop zijn moeder hem zou hebben gecorrigeerd. Je kunt hem gerust bij het nekvel pakken.’

Volgen
De paraplu wordt erbij gepakt. Open en dicht gaat het ermee. Geen hond die ervan schrikt. ‘Een hond moet niet op alles reageren. Stel dat je hondje van iedere paraplu die wordt opgestoken de schrik op het lijf krijgt. Schrikken moet je nooit belonen. Dus niets van ach, wat zielig, kom maar bij mama, aai, aai, aai.’

Ze rammelt met een bos sleutels voor de neus van een rottweiler. Het wekt zijn interesse. Ze legt de bos op de grond, pakt hem snel weg, rammelt opnieuw voor de hondenneus. Het dier volgt de bewegingen en gaat mee in het spel. Enid: ‘Hij is geïnteresseerd, dat moet je hebben. Met kijkoefeningen leert een hond zijn baasje te volgen. Dat is belangrijk voor de relatie.’

De Duitse herder loopt nu net achter het baasje. ‘Ook dit is een volgoefening’, legt Enid uit. ‘Daarmee leert het hondje bij zijn baasje te blijven in plaats van een hardloper achterna te rennen. Bezoek komt ook niet voor hem, hij moet blijven zitten terwijl zijn baasje wordt begroet. Dus niks omhoog springen tegen mensen. Echt, negentig procent van het hondengedrag dat als onplezierig wordt ervaren, ligt niet aan de hond maar aan de baas.’

Roedelleider
Het zijn niet alleen pups en jonge honden van burgers die op cursus gaan bij PHDC Insulinde.  Ook worden er honden opgeleid tot politie- of speurhond. ‘Je moet een hond leren wat hij wel en niet mag’, zegt Boudewijn Donker, instructeur en secretaris bij de gelijknamige club. ‘Eén keer mogen is altijd mogen, één keer niet mogen is nooit mogen. Dus neem je een puppie op schoot, dan mag hij altijd op schoot, ook als hij later veertig kilo weegt. Laat je hem op de bank zitten, dan eigent hij zich die plek toe en krijg je hem er niet zomaar meer af. Geef je hem een oude schoen om op te kauwen, dan geef je hem meteen een vrijbrief om dat ook op een nieuwe schoen te doen. Een hond weet nou eenmaal niet wat nieuw is. Menseneten en hondeneten moet je strikt gescheiden houden. De hond heeft zijn eigen bak en daar gaat alles in wat voor hem bestemd is. Verder niet aankomen, in jouw eten roeren ze ook niet. Een kind bij hem in de mand laten slapen? No way, dat is zijn territorium. Prima als de hond en de poes samen in de mand kruipen, dat zijn dieren onder elkaar. Met een hond communiceren? Ik denk het niet. Gewoon korte commando’s geven. Zit. En zit is niet lig. Luistert hij niet, dan moet je hem corrigeren. Jij bent de roedelleider. Zo niet, dan wordt hij het.’

.

Buiten blaffen enkele van de cursisten. ‘Ze mogen pas mee als ze stil zijn’, licht Enid toe. ‘Ze hoeven helemaal niet zo hysterisch te blaffen. We zien ze echt wel en zij zien ons. Niets aan de hand. Dit negatieve gedrag moeten we gewoon negeren.

Aanblaffen
Het is wisseling van de wacht. De burgerhonden gaan, de toekomstige politie- en speurhonden komen. Wietse Bonnes hijst zich in het leer. Eroverheen komt nog een jute pak. Die stevige verpakking is absoluut geen overbodige luxe. Wietse is pakman bij de politiehondentrainingsclub. Buiten blaft een van de nieuw gearriveerde honden. Het hele stel blaft. En houdt dat stevig vol. ‘Deze honden moeten juist wel blaffen’, zegt Wietse. ‘Aanblaffen noemen we dat’, verduidelijkt hij. ‘Let maar op als ik straks de boef ben.’ Maar voor het zo ver is moeten de honden eerst speuren. Een herdershond mag eerst. Hij rent heen en weer, de neus dicht bij de grond. Dan blijft hij staan, zet het op een blaffen en knabbelt aan de tas die hij gevonden heeft in het gras. Meteen wordt hij gecorrigeerd. Wietse: ‘Hij moet op de tas liggen in plaats van erin te bijten. Die tas moet heel blijven want is misschien heel kostbaar. Of er zitten explosieven in of gif. Het kan belangrijk bewijsmateriaal zijn.’ De pakman loopt op de hond af om de tas te pakken. Hij houdt het dier een worst voor. Dat valt in goede aarde. ‘Vies!’, roept een van de trainers. Na dit een keer of drie te hebben gehoord, geeft de hond het op. Hij taalt niet meer naar de worst. Nu probeert Wietse de tas te pakken. De hond blaft vervaarlijk. En gehoorzaamt direct als hij de instructie krijgt de boef te grijpen. Zijn tanden verdwijnen in een broekspijp van de quasi dief. De hondenkop schudt verwoed heen en weer van het rukken en trekken aan de broek van de pakman. Op commando van de begeleider laat het dier weer los. ‘De hond mag enkel bijten op commando’, legt Wietse later uit. ‘Hij mag er nooit meteen in klappen, hij moet eerst aanblaffen.’

Psychisch moe
Niet iedere hond is geschikt als politie- of speurhond. Boudewijn Donker: ‘Bijtwerk moet erin zitten. Speurwerk idem. Iedere hond heeft een eigen karakter. De ontwikkeling daarvan kan je wel enigszins sturen. Maar daar zit een grens aan. Een puppennest is altijd leuk en aardig. Maar als de hondjes groter worden, neemt het eigen willetje toe en dat moet wel passen bij het willetje van het baasje. Mensen moeten een hond niet alleen kiezen op het uiterlijk maar ook op het karakter.’ Enid Lambregts vult aan: ‘Mensen vergeten ook vaak dat je niet alleen maar moet wandelen met een hond. Je moet ook denkspelletjes met hem doen. Daarvan leert hij én wordt hij psychisch moe. Ben je vervolgens een aantal uren weg, dan gaat hij slapen in plaats van klieren.

Check www.phdcinsulinde.nl

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here