Home Overzicht Het conservatisme en de progressieve verworvenheden

Het conservatisme en de progressieve verworvenheden

0

De ruk naar rechts is niet louter een opstand van de onderbuik. Dat zegt Merijn Oudenampsen die een ideeëngeschiedenis van de Fortuynopstand geschreven heeft. In De conservatieve revolte brengt de politicoloog het gedachtegoed achter de Fortuyn-revolte in kaart.

Arie van Tol | Foto’s Henk Pauw | Dwars

Merijn Oudenampsen woont in de Dapperbuurt en is socioloog en politicoloog. Hij is docent aan de UvA-docent en doet daar onderzoek naar de politieke geschiedenis van het neoliberalisme in Nederland. Hij schrijft regelmatig essays en analyses, onder andere voor de Groene Amsterdammer. Ik spreek hem in een koffietentje aan de Eerste van Swindenstraat en later in de talkshow van 6 maart in Jungle Amsterdam.

Paradoxaal
‘Het begrip conservatief wordt doorgaans vereenzelvigd met gematigdheid, met gezag en traditie,’ legt Oudenampsen uit, als antwoord op mijn vraag wat hij onder conservatisme verstaat. ‘Maar het conservatisme in Nederland van Fortuyn, Wilders en Baudet wijkt daar sterk van af, is vooral radicaal en anti-establishment. Zij bouwden voort op het Britse en Amerikaanse conservatisme. In Engeland en de VS was er al veel vroeger een conservatieve tegenbeweging tegen de progressieve geest van de jaren ’60 – ’70.’

In het proefschrift van Oudenampsen is cultuurconservatisme het onderwerp, op de sociaal-economische ontwikkelingen hebben de nieuwe conservatieven een minder eensluidend commentaar, en vooral een minder polariserende visie.

Voor het tekort van sociale woningen beschuldigt de burger de migrant, niet de falende politiek

Oudenampsen: ‘De kritiek op de jaren ’60 – ’70 gaat vooral over de moraliteit, het individualisme, de anomie, de doorgeslagen vrijheid. Het paradoxale is dat rechtse partijen zich tegelijkertijd opwerpen als hoeders van de progressieve verworvenheden als
homohuwelijk, gay pride en vrouwenrechten.’

Nieuw taboe
Waarom spreekt Oudenampsen van een conservatieve revolte? ‘Het anti-establishment karakter maakt dat er eerder gesproken kan worden van een revolte dan van een tendens. Fortuyn daagde aan het begin van deze eeuw het zittende gezag uit, net als bijvoorbeeld de Kabouters en Provo dat ooit hadden gedaan, maar nu van de rechterzijde. Er hadden zich in de jaren tachtig trends aangediend die een goeie voedingsbodem waren voor een breed gedeeld onbehagen: de-industrialisatie en de daarmee gepaard gaande werkloosheid, de crisis van de verzorgingsstaat, de globalisering, de Europese eenwording en de conservatieve cultuurkritiek.’

Oudenampsen vervolgt: ‘Fortuyn was ook een reactie op de consensuscultuur, op het wegvallen van de links – rechts tegenstelling. Een nieuwe tegenstelling werd gecreëerd: nationalisten versus kosmopolieten. Maar de onbetwiste kern van het nieuwe conservatieve denken, van Fortuyn, maar al eerder van Bolkestein en Spruyt, later van Wilders, Hirsi Ali en Baudet, was het nieuwe taboe: de migratie en het gevaar van de Islam.’

Falen van links
Het interview dat we hebben kan onmogelijk recht doen aan de veelheid van onderwerpen die de revue passeren in De conservatieve revolte. Zo laten we onbesproken het neoliberalisme en het neoconservatisme, Oudenampsen wijdt aan deze wortels van nieuw en radicaal rechts twee belangwekkende hoofdstukken. Twee andere hoofdstukken – Het geloof in het einde van de ideologie en Depolitiserende wetenschap – belichten andere aspecten die als voedingsbodem voor het nieuwe conservatisme gezien kunnen worden.

Democratie en buitensluiten van groepen zijn niet te verenigen

In het tweede deel van het boek wordt ruim aandacht geschonken aan Ayaan Hirsi Ali, aan ‘Geen Stijl’, de opkomst van een conservatieve tegencultuur, aan het nihilisme en de ironie van rebellen zonder doel. Oudenampsen is vooral op zoek geweest naar de ideeën achter de conservatieve revolte. Als ik vraag of er ook een ideeëngeschiedenis te schrijven zou zijn over het falen van links in de afgelopen decennia antwoordt hij met een luid en duidelijk ja.

Meebuigen
Een typisch Nederlandse eigenschap is van oudsher het vermijden van een ideeënstrijd, van een scherp inhoudelijk debat tussen links en rechts. Consensus, elkaar te vriend houden, compromissen sluiten, dat is de Nederlandse manier.  Oudenampsen: ‘In de progressieve jaren ’60 – ’70 boog het politieke midden mee naar links. En er was geen rechts antwoord. Op vergelijkbare wijze hebben het midden en links de afgelopen decennia meegebogen naar rechts. En een overtuigend links antwoord op de rechtse agenda is uitgebleven.’

Oudenampsen beaamt dat het meebewegen van PvdA, D66, Volkskrant en Vara minstens zo verstrekkend is als het radicaal conservatisme zelf. Hij licht het historisch toe: ‘Toen Kok en zijn PvdA de ideologische veren afschudden, is er niet een alternatief program geschetst. Waar sociaal-democratische leiders in andere landen naar een derde weg zochten, was de sociaal-democratie in Nederland vooral heel pragmatisch. Aanpassen om macht te krijgen was het credo en in het kielzog van de partijeconomen waren de PvdA-politici vóór marktwerking. En het cultuurconservatisme is overigens niet nieuw. DS ’70 (van Drees jr.) was een conservatieve afsplitsing van de PvdA, was moreel behoudend en keerde zich tegen de komst van migranten. Een soort voorloper van de PVV, vindt PVV-filosoof Bosma.’

Peilingen
Over nihilisme zegt Oudenampsen: ‘Nihilisme hoeft niet per se rechts te zijn, maar het is niet verwonderlijk dat radicaal conservatisme gepaard gaat met een tegencultuur gebaseerd op een Nietzscheaanse ‘waardenloosheid’: tegen het moralisme, tegen de linkse kerk, tegen de politieke correctheid.’ De schrijvers Van het Reve en Hermans zijn volgens hem te beschouwen als eerste voorbeelden voor mensen met een nihilistisch, en ironisch,
wereldbeeld.

‘Ook populisme kan van elke politieke kleur zijn. Opvallend is het populisme van het radicale conservatisme in Nederland wel, want conservatieven afficheren zich doorgaans meer met gezag en traditie, met de elite, de heersende macht. Het wantrouwen van de burger in de politiek wordt optimaal uitgebuit met de claim van rechts dat zij de stem van het volk is.’

En wat valt er over depolitisering te zeggen in relatie tot het conservatisme? Hierboven is al geschetst welke tendensen voorafgingen aan de Fortuynopstand. Er zijn nog enkele kanttekeningen toe te voegen. ‘In de jaren ’90 voltrok zich een
vernieuwing van de politiek. De stem van de kiezer en de stem van het partijlid werden minder belangrijk, de consultant werd ingehuurd. Peilingen werden meer bepalend. Ook kwam de politicus als persoon veel centraler te staan, en hoe zo iemand de inhoud kon verkopen. Die ontwikkelingen droegen bij aan een depolitisering die al langer gaande was. Radicaal rechts is beslist politiek, politiserend, en daarmee een duidelijke reactie op de lood-om-oud-ijzer sfeer die de middenpartijen ademden.’

Buitensluiten
‘Je kunt zeggen dat de deplorabele staat van de publieke sector een gevolg is van de ruk naar rechts. De markt en het neoliberalisme zijn vooralsnog heilig. Bij een tekort aan sociale huurwoningen bijvoorbeeld gaat de beschuldigende vinger van de burger naar de migrant, niet naar de falende politiek. Van een overtuigende tegenbeweging tegen dit rechts-sentimentele denken en doen is nauwelijks sprake. En ja, het huidige rechts kan ook een gevaar voor de democratie zijn. Democratie en buitensluiten van groepen zijn niet te verenigen. Het is de paradox van een democratie: er kunnen partijen bestaan die antidemocratisch zijn. Overigens ben ik ervan overtuigd dat een revolte als die van Fortuyn, met jaren van radicaal conservatisme tot gevolg, er binnen afzienbare tijd opnieuw zal zijn. Maar hoe die er uit zal zien? Daar heb ik geen idee van.’