Home .Mensen maken Oost Abram de Swaan: ‘Het is fantastisch wonen hier’

Abram de Swaan: ‘Het is fantastisch wonen hier’

0

Zo’n twintig jaar geleden voer de bekende socioloog Abram de Swaan op de sleepboot van Jan Wolff, de oprichter van het Muziekgebouw aan ’t IJ, langs het KNSM-eiland. ‘Wat is het enig hier’, dacht hij. Sinds 2001 woont hij in een appartement bij het Mien Ruys-parkje.

Tekst Dirk de Hoog | Foto Marcel de Cnock | IJopener

‘Het is een fantastische omgeving, midden in het water met mooie gebouwen in een goed stedenbouwkundig plan. Ik geniet er echt van om hier te wonen’, vertelt Abram de Swaan bij een kopje koffie in het Lloyd Hotel, een plek waar hij regelmatig komt. Hij was hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, maar is inmiddels met pensioen. Regelmatig publiceerde hij artikelen in kranten en weekbladen waardoor hij ook bij een groter publiek bekend werd. Hij doceerde bij verschillende buitenlandse universiteiten. Een van zijn bekendste boeken is Een boterham met tevredenheid waarin hij het werk van arbeiders in Nederlandse fabrieken beschrijft in de jaren zeventig van de vorige eeuw.

‘De gewone mensen die hier werken zoals onderwijzers en politieagenten, kunnen de huizen niet meer betalen’

Ochtendbad
Omdat hij met pensioen is, kan hij volop actief zijn met het schrijven van boeken en artikelen en het houden van lezingen. Hij vermaakt zich ook prima in het Oostelijk Havengebied. ‘Toen ik hier kwam wonen, zag ik bij zonsopgang een buurman van zijn woonboot het water induiken voor een ochtendbad. “Dat ga ik ook doen”, dacht ik, want ik ben dol op zwemmen. Dus nu zwem ik regelmatig in de IJhaven. En ik heb een motorbootje bij mijn huis liggen.’

Ook cultureel vermaakt hij zich uitstekend in de buurt. ‘Eind vorige eeuw heeft Amsterdam geweldig goede investeringen gedaan in iconische gebouwen. Neem het Muziekgebouw aan ’t IJ met het Bimhuis, de Openbare Bibliotheek op het Oosterdokseiland en filmmuseum Eye aan de noordoever. Dat zijn plekken waar ik graag kom, en ik kan er op mijn fiets heen. Hoewel we hier ook geweldig openbaar vervoer hebben. Twee bussen en een tram stoppen voor mijn huis. En als ik even wil uitwaaien neem ik het pontje naar Noord. En dat zoiets als het Lloyd Hotel is behouden, is natuurlijk geweldig. Gelukkig staan hier nog mooi gerestaureerde oude gebouwen.’

De Swaan heeft lang in de oude binnenstad gewoond, op de Keizersgracht, maar heeft er geen spijt van dat hij daar vertrokken is. ‘De binnenstad is heel erg veranderd. Toen ik daar kwam wonen eind jaren zestig was het helemaal niet chique. Het was eerder een afgetrapte bende, waar kunstenaars, schrijvers en journalisten goedkoop huisvesting konden krijgen, op een zolder ofzo. En er zaten allerlei kleine bedrijfjes, een naaiatelier, een administratiekantoortje. In het pand waarin ik kwam te wonen zat een kleine handel in stoffen. Tussen dat volk in die omgeving voelde ik me thuis.’

De omslag kwam in de jaren tachtig, vertelt hij. ‘Huizen mochten sindsdien worden opgesplitst in appartementen. Dat deden de huisjesmelkers op grote schaal. Oude huizen werden verbouwd en per appartement verkocht. De prijzen rezen de pan uit, krankzinnige prijsverhogingen. Je betaalde voor één appartement wat je vroeger voor een heel pand kwijt was. Soms was dat het tienvoudige. Veel kunstenaars en andere zelfstandigen hebben later hun huis in de binnenstad te gelde gemaakt en veel goedkoper hier in de buurt iets gezocht. Hadden ze ook nog een zakcentje voor hun oude dag.’

‘Waar is de tegenbeweging tegen het grootkapitaal?’

Oude kades
Naar die ontwikkeling kijkt hij ook als socioloog. ‘De binnenstad ziet er nu uit alsof die gisteren is gebouwd. Het gaat niet over de problemen van de moderne stad, maar om het behoud van het oude. Hier in de buurt is dat anders. Ik vind dat sommige uitdagingen van de nieuwe stad meesterlijk zijn opgelost met een goed stedenbouwkundig plan. Zoals dat de oude kades zijn gerestaureerd in plaats van vervangen door betonranden.’

De Swaan vindt het Oostelijk Havengebied eigenlijk een ‘nieuwe’ nieuwe woonwijk. ‘Neem het woongebouw van architect Hans Kollhoff achter mijn huis. Dat is uitgevoerd in donkerbruine baksteen en omarmt als het ware een oud gebouw dat is blijven staan. Dat is een vernieuwing van het modernisme van de architecten en ingenieurs uit Delft die decennialang de nieuwbouw in Nederland hebben gedicteerd, zoals in de Bijlmermeer. In deze buurt is architectuurgeschiedenis geschreven.’

Helemaal tevreden is hij niet. ‘Er zijn hier bijna geen kleine winkeltjes van middenstanders. Alleen een prima groenteboer op de Van Eesterenlaan, een broodjeswinkel op het Azartplein en een boekhandel. Ik heb begrepen dat de grote concerns in Winkelcentrum Brazilië een monopolie hebben bedongen gedurende de eerste tien jaar om zich hier te vestigen. Dat moet maar eens veranderen want kleine winkeltjes maken een buurt levendiger.’

Hij vindt het ook jammer dat het beloofde kunstlint er nooit is gekomen. ‘Ooit was er een plan voor een kunstroute van het Centraal Station naar de punt van het KNSM-eiland. Alleen die tafel met bijen bij het Rietlandpark is er gekomen. Er waren plannen voor kunst in de Bogortuin, maar buurtbewoners waren tegen. Ze schreeuwden moord en brand. Nu ja, we hebben ook die wat knullige, maar enige fontein met beelden gekregen aan de KNSM-laan. Daar wilden buurtbewoners zelfs uit eigen zak aan meebetalen.’

Nog een minpuntje dan. ‘Ik had een prachtig uitzicht vanuit mijn huis over de Bogortuin tot in de verte. Maar de bomen zijn inmiddels flink gegroeid en mijn uitzicht is weg. Ik vroeg de gemeente of die bomen niet gesnoeid konden worden. Maar nee, dat gaat niet zomaar. Groen is heilig in Amsterdam.’

Huizen te duur
De Swaan beaamt dat de buurt wel vrij eenzijdig is samengesteld. ‘Inderdaad, er wonen vooral redelijk welgestelde blanke gezinnen en wat eigenzinnige types zoals ik. Er is niet veel sociale woningbouw. En zelfs die wordt weer voor veel geld verkocht. Ik heb ook gehoord dat mensen in de vrije huursector verhuizen omdat ze de huren niet meer kunnen betalen. Dat vind ik jammer. Ik ben voor gemengde, divers samengestelde wijken.’

Ziet hij het tij nog keren? ‘Ik weet het niet. Het is een wereldwijd probleem. De tien procent rijken van de wereld worden rijker en rijker, de inkomens van de middenklasse stagneren en de echte arbeiders verdienen steeds minder. De rijken kopen de huizen op in de steden, ook voor hun kinderen en neefjes en nichtjes. De prijzen zijn booming, waardoor de gewone mensen die hier werken, zoals onderwijzers, verplegers en politieagenten, de huizen niet meer kunnen betalen en ver buiten de stad moeten gaan wonen. Dat vind ik erg. Maar ja, waar is de tegenbeweging tegen het grootkapitaal? Ik zie niet zoveel rode vlaggen en gebalde vuistjes. En hoeveel zetels heeft de Partij van de Arbeid gehaald bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen? Vijf? De sociaal-democratie is na de Tweede Wereldoorlog in Europa toch altijd een belangrijke stabiliserende tegenmacht geweest. Dat hebben we nodig!’

Grote zorgen maakt hij zich niet. ‘Wilders en zo roepen wel dat het slecht gaat met Nederland. Maar kijk eens om je heen. In Amsterdam gaan mensen van heel verschillende komaf meestal behoorlijk beleefd met elkaar om in de openbare ruimte. Op straat, in winkels en in het openbaar vervoer zijn toch nauwelijks ordeproblemen? In de grote stad is men gewend een beetje met elkaar om te gaan en op gepaste afstand elkaar in zijn waarde te laten.’

Soort zoekt soort
Maar een echt multiculturele stad zijn we toch ook niet, luidt de tegenwerping. Iedere bevolkingsroep blijft vooral in zijn eigen clubje zitten en integreert weinig. ‘Is dat nu echt een probleem?’ vraagt De Swaan zich af. ‘Soort zoekt soort. Dat is altijd al zo geweest. De katholieken bij de katholieken en de gereformeerden bij de gereformeerden. De meeste bouwvakkers hebben toch ook geen bankiers in hun vriendenkring? Als het om sociaal-economische verschillen gaat, heeft niemand het erover, maar als het om cultuur gaat is het ineens een probleem.’

Helemaal optimistisch over de toekomst is De Swaan ook weer niet. ‘Ik stam uit een joodse familie en die geschiedenis vergeet je natuurlijk niet. We kunnen uit het verleden leren dat het in een samenleving ineens heel snel fout kan gaan met vreselijke gevolgen, voordat we het echt in de gaten hebben. Dat kan ooit weer gebeuren. Maar laat ik positief eindigen. Vlak na de Tweede Wereldoorlog ging ik naar de basisschool en leerde een beetje rekenen. Tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog zat 22 jaar. Ik bedacht dat de vrede dus weer tweeëntwintig jaar zou duren. Voor een peuter is dat een eeuwigheid. In West-Europa hebben we al 73 jaar vrede, mede dankzij de Europese Unie. Ik zing en ik dans en ik prijs de Heer.’

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here