Home Overzicht Joseph Conrad aan de Handelskade

Joseph Conrad aan de Handelskade

1
Cruiseschip aan de Veemkade.

Zeeman en ‘wereldschrijver’ Joseph Conrad heeft op onnavolgbare wijze zijn visitekaartje achtergelaten in het Oostelijk Havengebied. In zijn autobiografisch getinte De zee, een spiegel doet hij verslag van een winter in Amsterdam, als zijn driemaster ingevroren aan de Oostelijke Handelskade ligt. Zijn impressies treffen doel – en zijn een les voor het heden.

Tekst Joost van der Vaart | Foto’s Jacob Olie (Stadsarchief) en Arjen Poortman | IJopener

Een zonnige maar koude ochtend in maart. De Magellan, een cruiseboot van de Britse rederij CMV met een opmerkelijk lelijke schoorsteen, is zojuist afgemeerd aan de Veemkade in het Oostelijk Havengebied. Honderden passagiers bereiden zich voor om te ontschepen of het Amsterdamse stadscentrum te bezoeken. Taxi’s rijden af en aan. Het publiek is herkenbaar Brits: Engelse, geen Amerikaanse accenten. De kleding lijkt zo uit de schappen van Marks & Spencer te komen. Tweed hoedjes, sjofele Burburry regenjassen en hier en daar plastic kapjes over gecoiffeerde dameshoofden. Een metalige omroepstem rondt de Magellan en is hoorbaar tot op de kaai van de passagiersterminal. Om uiterlijk vijf uur moet iedereen terug aan boord zijn, om zeven uur is de afvaart. Een havendag duurt maar kort op een cruiseschip anno 2018.

Zo ongeveer moet Joseph Conrad het hebben gezien: een zeilend vrachtschip wordt in de oostelijke havens vanuit een aak geladen of gelost. Verderop een tjalk met deklast. Let op de markante meerpalen, die nog steeds aan de Veemkade en elders dienst doen.

Dat was in de tijd van Joseph Conrad (1857-1924) wel anders. Joseph Conrad? Ja, de Pools-Britse schrijver wiens werk vanwege stijl en inhoud vandaag de dag nog steeds herdrukt wordt. Een van de groten uit de wereldliteratuur, bekend door boeken als Heart of Darkness, Lord Jim, The Nigger of the Narcissus, Nostromo en The Secret Agent. Zijn onderwerp was vaak de zee. Hijzelf had jarenlang op zeilende vrachtschepen gevaren, een leerschool die z’n leven en werk bepaalde. Maar zijn thematiek ging dieper dan het wateroppervlak. Conrad beschreef in essentie gebeurtenissen waarin hij het emotionele en morele isolement van het individu blootlegt, zoals zijn biograaf Jocelyn Baines het bondig formuleerde.

Winterse, desolate aanblik
In Conrads tijd konden havendagen erg lang duren, heel anders dan de passagiers van cruiseschepen zoals de Magellan nu ervaren. We weten dat omdat Conrad gedetailleerd heeft beschreven hoe hij in 1880 als stuurman van een driemaster in de oostelijke havens van Amsterdam wekenlang op lading moest wachten. ‘Op mijn vuisten bijtend van ongeduld over die landinwaarts bevroren vracht, en van frustratie vanwege dat gestremde kanaal en de winterse en desolate aanblik van al die schepen die in een diepe depressie verzonken leken uit verlangen naar volle zee.’

Van ver weg, aan het eind van de Czaar Peterstraat, klonk in de ijzige lucht het getingel van paardentrams

In zijn prachtige, autobiografische A Personal Record/The Mirror of the Sea roept Conrad zich ‘een winterlandschap in Amsterdam voor de geest, met op de voorgrond een vlak braakland met hier en daar een stapel timmerhout, als het huttenkamp van de een of andere doodarme stam; de uitgestrekte [Oostelijke] Handelskade; koude, stenen kaaien met een dun sneeuwlaagje bedekt, naast het harde, bevroren water van het kanaal waarin schepen achter elkaar lagen opgesteld, met slaphangende beijzelde meertouwen en stille, verlaten dekken, omdat, zo werd me verteld door de hoofdstuwadoor, een vriendelijke, bleke man met enkele goudkleurige haren op zijn kin en een rood aangelopen neus, hun vracht verder landinwaarts op ingevroren tjalken en aken lag te wachten.’

Czaar Peterstraat
Nauwkeurige beschrijvingen van het Oostelijk Havengebied in een heel ander tijdperk, opgetekend door een zeeman-schrijver die zich in kwaliteit kan meten met Balzac en Tolstoi: het is ronduit verbazingwekkend. Uitgeverij Van Oorschot heeft kortgeleden een vertaling van Conrads boek uitgebracht, onder de titel De zee, een spiegel. Herinneringen en impressies. Zijn Engels is mooi en bloemrijk, hoewel het niet z’n moedertaal was (dat was Pools).

In het Nederlands klinken zijn zinnen ook niet slecht. We laten hem verder aan het woord, met z’n indrukken vanuit oostelijk Amsterdam: ‘In de verte, voorbij het braakland en parallel aan de rij schepen, leek een rij bruine huizen in warme tinten onder hun dik besneeuwde daken door te buigen. Van ver weg, aan het eind van de Czaar Peterstraat, klonk in de ijzige lucht het getingel van paardentrams, die in de doorkijkjes tussen de huizen voorbij schoten, alsof het speelgoedkoetsjes met ingespannen speelgoedpaardjes waren, waar mensen van kinderformaat mee speelden.’

Conrads driemaster was ingevroren; niets minder dan een ramp voor een rederij die een schip wil laten varen. Wachten kost geld. De bemanning en officieren – op stuurman Conrad na – waren afgemonsterd en de nieuwe wacht en een andere kapitein zouden pas komen als het Amsterdamse havenwater weer bevaarbaar was. De eenzaamheid sloeg toe. Zodra hij in Amsterdam was aangekomen, had Conrad van zijn rederij instructies ontvangen om iedereen met verlof te sturen, ‘daar er met dit weer voor niemand iets te doen viel behalve het vuur in de kajuitskachel gaande te houden’. Die taak was weggelegd voor een ‘knorrige, onvoorstelbaar vuile en griezelig tandeloze Hollandse wachtsman’; een vent met haar als een ragebol die nauwelijks Engels sprak maar die taal toch machtig moet zijn geweest omdat ‘hij het steevast presteerde alles wat tegen hem werd gezegd in tegenovergestelde zin op te vatten’.

Schitterend grand café
Wat doe je als eenzaam zeeman in Amsterdam, ingevroren aan de Oostelijke Handelskade? Precies, je gaat naar de kroeg. Ook in de beschrijving daarvan is Conrad exact – zo exact dat je de naam van dit dranklokaal, die hij in zijn tekst niet expliciet vermeldt, kunt raden. Vrijwel dagelijks stuurt hij brieven aan zijn rederij en de scheepsagent daarvan, een zekere meneer Hudig, telg van een later bekend geworden Nederlandse familie van havenbaronnen. Conrad tekent op: ‘Ondanks het ijzeren kacheltje bevroor de inkt op de slingertafel in de kajuit, en prefereerde ik het om aan wal te gaan, het braakliggende poollandschap te trotseren, rillend in een beijzelde tram te zitten en mijn avondbrief aan de rederij in een schitterend grand café in hartje binnenstad te schrijven.’

Die uitspanning blijkt ‘als een balzaal’ zo groot, met veel rood pluche, elektrisch licht, hoge plafonds, overal verguldsel en warme kachels; zo warm dat ‘zelfs de marmeren tafels lauw aanvoelden’. Het moet hier, zoveel is wel zeker, om Krasnapolsky gaan. Historische beschrijvingen van dit destijds al bekende en geliefde hotel-café-restaurant, eigendom van Adolph Wilhelm Krasnapolsky die het als verlopen tent in 1865 had opgekocht en succesvol had verbouwd tot het ‘schitterende grand café’ waarover Conrad schrijft, tonen aan dat er over de naam van het etablissement niet getwijfeld hoeft te worden.

De ‘meneer Hudig’ uit Conrads verhaal, scheepsagent of ook wel cargadoor genoemd, zou havenbaron Jan Hudig (1838-1924) kunnen zijn geweest, gelet op diens beschrijving: ‘Hij was een forse, donkere Nederlander met een zwarte snor en een zelfverzekerde blik. Het eerste wat hij altijd deed, was me, voordat ik iets had kunnen zeggen, in een stoel duwen, waarop hij me gul een flinke sigaar presenteerde en in uitstekend Engels een oeverloze verhandeling over de uitzonderlijk barre weersomstandigheden afstak.’ Net als Krasnapolsky was Hudigs kantoor lekker warm; een ware traktatie voor de tot op het bot verkleumde zeeman. ‘Zijn haardvuur brandde zo lustig, hij schuddebuikte zo hartelijk van het lachen dat ik me er altijd slechts met grote moeite toe kon zetten mijn hoed te pakken om te gaan.’

Bevrijd water
Uiteindelijk kwam de vracht aan, eerst hortend in goederenwagons per spoor. Tot de dooi inviel, ‘en vanaf toen zeer vlot met vele vaartuigen tegelijk op een vloed van bevrijd water’. Conrad kon met de stuwadoors en de binnendruppelende bemanning het schip gaan laden. Voor hem was dat nieuw werk waar hij nauwelijks ervaring mee had. Hij liet volgens het boekje stuwen, maar hield er geen rekening mee dat ieder zeilschip in die tijd eigen nukken had, die je als zeeman moest kennen en waar je verstandig mee om diende te gaan.

Toen als laatste de nieuwe kapitein aankwam, ‘overduidelijk geen Hollander met zijn zwarte bolhoed en korte, vaalbruine overjas’, vroeg deze aan Conrad hoe hij het gewicht van de lading had verdeeld. Trots vertelde de jonge stuurman dat hij erin geslaagd was de vracht voldoende hoog te houden, met eenderde van het totale gewicht bovendeks. ‘Nou, dat wordt me ’n onvergetelijk tochtje dan’, luidde het laconieke antwoord. De reis ging van Amsterdam naar Semarang in Indië. En inderdaad, Conrad heeft nooit voor- of nadien een zeilschip ‘zo bruusk, zo hevig en zo zwaar voelen rollen’. Hij had het schip, ‘een bijzonder lastige tante’, fout beladen en geen rekening met haar eigenzinnige karakter gehouden. Een harde les.

Het mooie van Conrads verhaal zit ’m in zijn waarnemingen van maritiem Amsterdam, van het winterse Oostelijk Havengebied, van mensen en vaar- en voertuigen – een paardentram! – uit lang vervlogen tijd. We worden ons ervan bewust dat de Handelskade en omgeving er ooit heel anders hebben uitgezien; dat hier twee-, drie- en viermasters soms moeizaam hebben liggen laden en lossen. Het valt te hopen dat een hedendaags auteur nog eens de laatste resten van de grote scheepvaart in het Oostelijk Havengebied pakkend weet te beschrijven. Daarom zou het jammer zijn als cruiseschepen zoals de Magellan van de Veemkade moeten verdwijnen, wat de gemeente wil. Hou die boten hier, geef de nieuwe Conrad een kans.

1 REACTIE