Home Plato's grot Meters maken in het DNA van de werkelijkheid

Meters maken in het DNA van de werkelijkheid

1

Tussen de fietsen voor het Amstelstation staat bij de grote boom in het midden een man waar je zo omheen loopt. Een schilder met een bijzondere schildersezel, dat wel. Maar de forensen die zich tussen de fietsen door naar het station haasten zijn niet erg geïnteresseerd in deze weinig flamboyante, bijna armoedig geklede straatartiest. Het is een bewuste vermomming. Wie beter kijkt ziet geen kladschilderende clochard, maar een aristocratisch kunstenaar.

Voor Plato’s grot: wie lopen daar?
Gerrit Hoogstraaten ontmoet Jacob Kerssemakers

Die schildersezel heeft hij zelf gemaakt, en hij heeft er meer van, in diverse maten. Rol-ezels noemt hij ze. Geen doek schuin verticaal op een standaard, zoals we dat gewend zijn bij buitenschilders, maar twee of meer uitgerolde stroken papier boven elkaar op een soort lessenaar. De stroken komen uit de kokers die links en rechts op de standaard zijn bevestigd, tussen die kokers kan het papier heen en weer over het werkblad worden getrokken. Alleen het deel dat tussen de rollen vlak ligt wordt  bewerkt. Als ik Jacob zo bezig zie doet hij me denken aan een rabbijn die voorleest uit de Thora.

De stroken zijn verdeeld in vakken voorzien van cijfers en letters, op de lessenaar staan de aanduidingen even en oneven. De cijfers en letters corresponderen met de vlakken in het schetsontwerp van het uiteindelijke schilderij. Hij raadpleegt die schets regelmatig  om te zien of het detail nog wel in de juiste verhouding is met het grotere geheel. Soms verwisselt hij de stroken op even en oneven met elkaar, ook dan moet de tekening een interne harmonie vertonen.

Ik laat je liever zien hoe ik werk dan dat ik erover praat, heeft hij me voor onze eerste ontmoeting gemaild. Het is niet arrogant bedoeld, maar ik heb maar drie dagen in de week om met kunst bezig te zijn, de rest spendeer ik in een lab in Delft. Die drie dagen zitten ook nog eens vol met bizarre gaten waar tijd in verdwijnt, een fenomeen dat in het algemeen niet tot nieuwe schilderijen leidt. Denk aan exposities voorbereiden en er opdagen, tas inpakken en regenbuien. Dit voorjaar is een beetje uit de klauwen aan het lopen in de zin dat ik veel meer kunstrandzaken dan nieuwe schilderijen aan mijn hoofd heb en dat kan natuurlijk echt niet. Dat is de reden dat ik even onder zelfvoogdij sta en heel erg zuinig op die schrale schildertijd ben.

Met deze autobiografische stellingname is mijn artikel al voor de helft geschreven, stel ik mezelf gerust als we elkaar een beetje onwennig aankijken. Hij schenkt me een kop koffie uit zijn veldfles en ik maak me op om in stilte toe te kijken en hem niet te veel af te leiden met mijn vragen. Ik zal maar eens vertouwen op mijn intuïtieve waarnemingsvermogen, neem ik me voor.

Maar ik krijg de kans niet dat voornemen uit te voeren en Jacob Kerssemakers komt die morgen niet echt meer aan schilderen toe. Want eenmaal met elkaar in gesprek, is zijn woordenstroom niet te stuiten. En net als bij mijn eerdere ontmoetingen met beeldend kunstenaars uit Amsterdam Oost weet ik met mijn pen en papier amper een wal op te werpen waarachter ik mijn notities maak om er ook nog een goed stuk over te kunnen schrijven.

‘Je hersenen vertellen je wat je hier ziet,’ legt hij me uit. ‘Dit zijn fietsen, dit is een station, daar is een rotonde. Maar als ik je zou vragen, beschrijf nou eens in detail al is het maar één van de fietsen die hier om ons heen staan, zonder opnieuw te kijken, dan kun je dat niet. Je hebt een idee van de werkelijkheid, en wat ik hier in mijn schilderij doe is eigenlijk niets anders dan het idee dat ik ervan heb vast te leggen. Er moet één hoofdgedachte zijn die voor mij leidend is, één verbindende structuur die alles in het schilderij veroorzaakt. Fietsen vormen op zich al een lekker patroon, maar mijn compositie bepaalt hoe de elementen daarin terecht komen, niet omgekeerd. Verbindend element is hier trouwens de fietsketting, zie je dat?’

Ik knik alsof ik het zie en ik kijk er zo intelligent mogelijk bij, maar het woord fietsketting verbind ik in mijn hoofd aan een ketting waarmee je je fiets op slot zet en ik zie hier eigenlijk niets dat daarop lijkt. Ik laat het maar even zo.

‘Ik sta je nu wel van je werk te houden’, zeg ik. ‘En dat terwijl je enorm hecht aan je werkdiscipline. Op je site vertel je dat je vooral meters maakt. Je rekent ons daar voor dat je tussen de 0,2 en 1,5 meter per uur schildert, met een orde van drie streken per seconde, waarbij je streeft naar rond de honderd werken per jaar. Ik begrijp wel dat je daarmee je afzet tegen de gebruikelijke kunstzinnige teksten, maar toch, hoe verhoudt zo’n streven zich tot zoiets als inspiratie? Komen de ideeën bij jou dan zo veel en zo makkelijk en zo vanzelf?’

‘Dat is een interessante vraag. Ik stel me een doel, bijvoorbeeld die honderd schilderijen. Het creëren van doelen is ook een doel op zich. Daarbinnen stel ik me sub-doelen waar ook weer een quotum bijhoort, bijvoorbeeld: tien schilderijen voor een expositie, tien heel vrije werken, tien met kleur, want die verkopen beter, tien waarvan ik volstrekt zeker weet dat die nooit, maar dan ook nooit verkocht zullen worden, enzovoort. Ik noem dat het schalen van zingeving. En net als in mijn schilderijen moet die schaling passend in balans zijn met het overheersende moederpatroon. Tot zover de theorie. Maar natuurlijk, als het daarbinnen goed en vanzelf gaat, is het een samenspel. Ik schilder veel buiten, en het leuke is, als je in de natuur schildert, schildert de natuur met je mee. Het weer heeft altijd invloed. Over mijn werkdiscipline kan ik overigens nog wel zeggen dat ik bijna nooit zin heb om te gaan schilderen, ik haal mijn energie denk ik juist ook uit de beperking in de tijd die ik daarvoor heb. Die beperking roept concentratie op. En wat mijn inspiratie betreft, die kan altijd en overal komen, dat is een voortdurend proces. Om dat een beetje bij te houden schrijf ik mijn ideeën op in een soort dagboek dat ik altijd bij me heb, ik zal het je zo laten zien.’

‘Maar ik herinner me nu ineens iets uit mijn lagere schooltijd wat in dit verband misschien wel grappig is om te vertellen. Bij tekenles kregen alle kinderen een leeg vel papier op hun tafeltje en dan moest je zelf maar bedenken wat je ging tekenen. Ik bleef vaak met dat witte papier zitten tot de onderwijzer langskwam. Die zette zomaar een streep op dat witte papier en dan zei hij: ga daar maar mee verder. En dat deed ik. Een vriend van mij aan wie ik dit ook eens verteld heb vroeg meteen: maar waarom zette je zelf die eerste streep dan niet? Het gekke is dat ik dat niet weet. Ik zat er gewoon vaak op te wachten dat mijn onderwijzer die eerste streep zou zetten. Over die vriend wil ik trouwens nog wel iets te zeggen. Ik kende hem als natuurkundige, later werd hij ook beroepsclown. Als een grap mislukte probeerde hij niet uit alle macht die alsnog te laten slagen, nee, hij maakte meteen een grap van die mislukking. Dat is wel een mooie levensles, vind je niet?’

Dat vind ik zeker. Jacob heeft intussen zijn aantekenboekje uit zijn rugzak gevist. Dit zijn de geheime notities van een alchimist, is mijn eerste associatie bij de paar bladzijden die hij me laat zien. Ik mag ze fotograferen, alleen de pagina’s waar persoonlijke dagboekaantekeningen staan dekt hij af. Wanneer is een kunstenaar, behalve eenzaam, ook gelukkig, of juist niet?

‘Ik koester het moment dat ik in Boston aan het werk was,’ vertelt Jacob terwijl we door het boekje bladeren. ‘Ik stond in de stromende regen onder een afdak naast een brug, bij een café waar de hele dag Johnny Cash werd gedraaid. Niet dat ik speciaal zo idolaat ben van Johnny Cash, maar op dat moment ervoer ik een haast euforisch één-zijn met alles en die muziek maakte daar heel natuurlijk deel van uit. Iets vergelijkbaars overkwam me toen ik in IJsland was, maar dat is natuurlijk ook wel een omgeving die zo’n ervaring als vanzelf oproept. Volgende week ga ik met vrienden skiën, ik neem dan ook mijn schilderspullen mee. Kijken wat er gebeurt. Ik moet denk ik oppassen dat ik daar geen kitsch maak .’

Ik ben intussen geboeid door de tekening in het boekje van een rivierlandschap. Hij legt me uit dat de bochten in de rivier de steeds wisselende panorama’s aan elkaar zullen verbinden, dat je als het ware met die bochten mee door de verschillend delen van het landschap wordt gevoerd. De slingering intrigeert me. Het doet me ergens aan denken, maar waaraan toch?

Een paar weken later zoek ik hem op in zijn atelier aan de Middenweg. Ik open het gesprek met de vraag of hij kunstenaars kan noemen die hem hebben beïnvloed. Hij noemt namen, Horst Jansen, Egon Schiele, maar heeft het ook over Breitner en de tekeningen van Rembrandt. De schrale stijl van Schiele, per lijn gefocust, het ruige van Breitner, de contrastwerking die het beste uitkomt in zwart-wit. Uitspraken die ik later vergelijk met wat ik aan afbeeldingen van het werk van de genoemde kunstenaars zie, maar waar ik het werk dat Jacob maakt eigenlijk niet zo direct aan kan verbinden. Blijkbaar is het vooral hun werkwijze die hem aanspreekt, niet zozeer hun eindproduct. Een artikel van Joost Zwagerman, opgenomen in de bundel Alles is gekleurd, omzwervingen in de kunst (Arbeiderspers, 2011), komt dichter in de buurt. Het is het tweede stuk uit die bundel, getiteld Ik bén de natuur. Over Jackson Pollock en de oorsprong van het drippen. Ik lees hem het stukje voor dat ik van toepassing vind:

Een paar jaar na de Zomergasten-uitzending vertelde Tijs Goldschmidt me iets over Pollock wat tijdens de avond in 2004 niet ter sprake was gekomen: er bestaan sterke overeenkomsten tussen zogeheten fractals (fractalen) en de motieven in het woeste vlechtwerk van verf op Pollocks meest geslaagde drippings. Een fractal is een meetkundige figuur die is opgebouwd uit delen die min of meer overeenkomen met de vorm van de figuur zelf (…) Bij sommige fractals komen motieven voor die zich op steeds kleinere schaal herhalen. Goldschmidt legde uit dat deze groeipatronen in de natuur overeenkomen met de verhoudingen tussen de open en dichte plekken in de drippings van Pollock.’

Het is een deel van de sleutel die ik denk tot Jacobs werk gevonden te hebben. Maar er is nog iets. Ik heb gevonden waar de schets van het rivierlandschap me al meteen aan had doen denken.

Maar ook Jacob heeft zich goed voorbereid op dit tweede gesprek en hij is me voor. Hij begint over Plato’s grot. O ja, dat is waar ook, ik heb hem de tekst van dat verhaal gemaild, het is de rode draad in deze serie ontmoetingen!

‘In het verhaal dat Plato hier vertelt zit de kernvraag voor alle wetenschap’, zegt hij. ‘Wat meet ik eigenlijk en hoe koppel ik dat aan universele waarden. Plato’s schaduwen zijn een directe metafoor voor de realiteit in de natuurkunde. De mensen in de grot trekken conclusies uit wat ze waarnemen en doen daaruit ook voorspellingen voor de toekomst: als dit voorbij is gekomen, komt straks dat voorbij. Wat ze zich niet realiseren is dat ze als waarnemer ook altijd zelf deel zijn van hetgeen wordt waargenomen. Het is zelfs zo dat, hoe bizar het ook klinkt, de actie van jouw waarnemen bepaalt wat er met het waargenomene gebeurt.’

Zo, we zijn hier niet van de straat, stel ik vast. Onderschat nooit je publiek, maar hoe krijg ik dit ooit nog in een beetje leuk verhaal voor oost-online? Dit is wetenschapsfilosofie op hoog niveau. We hebben het over quantummechanica, Schrödingers kat, de stelling dat een deeltje zowel golf als deeltje kan zijn, en dat tegelijkertijd, de onvoorstelbaarheid daarvan. Maar tenslotte formuleert Jacob toch, terug naar de kunst, de gedachte die hij in dat verband aan zijn eigen werk verbindt.

‘We hebben voor onze waarneming dus keurig vergelijkingsmateriaal ter beschikking en daar moeten we het mee doen. Maar als we onszelf toestaan daar een heel klein beetje van af te wijken, van in de war te raken, even niet zo zeker te zijn van onze waarneming, of 360 graden rond te draaien en dat in één beeld samen te vatten, ik geloof dat je daar als kunstenaar naar op zoek moet gaan. Want juist als we een klein beetje in de war raken, maak je kunst. Dan laat je van een keurig landschap een andere dimensie, misschien wel zoiets als een diepere essentie zien.’

‘Het DNA van de werkelijkheid’, zeg ik. Ik probeer mijn stem zo achteloos mogelijk te laten klinken, maar het hoge woord is eruit.

‘Daar ga ik meteen met je mee!’ reageert Jacob tot mijn grote voldoening.

We zijn er even stil van, maar niet lang. Jacob vertelt over het schilderij dat hij in zijn ski-vakantie maakte. Al na een paar keer skiën had hij zijn rugzak met schilderspullen mee de piste op genomen. Hij was een stukje naar beneden geskied en had daar naast de piste zijn rol-ezel uitgezet. Ook hier ontstond weer een landschap dat van links naar rechts en van boven naar beneden gelezen kan worden.

‘Wat doe je eigenlijk voor werk in Delft?’, vraag ik tot slot. ‘Kunnen we het daar ook nog even over hebben?’

‘Dat kunnen we zeker,’ antwoordt hij grijnzend. ‘Ik ben biofysicus, dat wil zeggen dat ik als natuurkundige kijk naar levende wezens, op celniveau. En een natuurkundige kijkt naar mechanische processen. Stel je een cel voor als een kleine fabriek, of een stad. De natuurkundige zegt dan: kijk hoe de dingen daarin naar elkaar toe en van elkaar af bewegen, hoe ze lopen, hoe ze stilstaan. Een bioloog of een chemicus concentreert zich op de stofjes, de chemische reacties. Wij zeggen: het is ook een machientje. Maar nu komt het mooiste: wij kijken onder meer naar hoe DNA wordt uitgelezen. Met DNA is het net als met een boek uit de bibliotheek: je hebt iemand nodig die het leest. De bioloog zegt: dat gen daar doet chemisch iets fout, het deelt zich op een manier die kanker veroorzaakt. Wij willen dan weten hoe dat mechanisch valt uit te leggen. Het machientje doet het wel, maar het loopt niet lekker, zeggen wij dan.

Misschien begrijp je het als ik het zo uitleg. DNA wordt gelezen door eiwitten. Een gezond eiwit wandelt makkelijk zo’n hele streng DNA langs en leest dat in no time uit, maar een ongezond eiwit is daar veel trager in, of doet het zelfs helemaal niet, of loopt de hele tijd de verkeerde kant op. De vraag is dan: is zo’n eiwit bij te sturen. Onderzoekers, niet alleen die van ons lab, zijn al een tijdje bezig om dat inderdaad te proberen met behulp van sterk geconcentreerd laserlicht.’

Er is dus sprake van kruisbestuiving tussen laborant en kunstschilder, stel ik vast. De laborant met zijn eiwit, de schilder met zijn inkt. Beiden maken meters in het lezen van DNA, zij het in verschillende vormen van waarneming  van de werkelijkheid. Maar nu snap ik nog steeds die fietsketting niet. Jacob wijst, volgt de lijn. O, nu zie ik het! Het gaat om de lange ketting van de kettingkast die hier door het hele beeld slingert! Als, nou ja, als een streng DNA?

Meer werk van Jacob Kerssemakers | www.jacobkerssemakers.nl

© 2015 Gerrit Hoogstraaten

1 REACTIE

Laat een reactie achter

Please enter your comment!
Please enter your name here