Home Plato's grot Schoonheid ervaren werkt bevrijdend

Schoonheid ervaren werkt bevrijdend

2

Rob Regeer heeft zijn atelier in een lokaal op de bovenste verdieping van een oud schoolgebouw in de Willem Beukelsstraat. Zijn meest recente werken hangen er aan de muren. Ze moeten hier ook tot stand zijn gekomen, maar hoe en waar dan? In de vensterbank liggen wat rollers en er staat een glazen pot met penselen, het keukenkastje is gevuld met flessen verf, maar ik zie geen schildersezel en eigenlijk ook niet echt een werktafel. De planken vloer van het lokaal is leeg, dit atelier speelt een dubbelrol als expositieruimte.

Voor Plato’s grot: wie lopen daar?
Gerrit Hoogstraaten ontmoet Rob Regeer

Goed voorbereid begint Rob in chronologische volgorde aan wat ik maar even noem: “de geschiedenis van mijn leven als kunstenaar en de verklaring daarvan.” Hij vertelt zijn verhaal zoals een koorddanser zijn koord spant tussen waar hij vandaan komt en waar hij naartoe gaat.

 

‘Ik ben een laatbloeier,’ is ongeveer zijn eerste statement. ‘Ik ben pas op mijn dertigste naar de academie gegaan, die heette toen de Academie voor Beeldende Kunsten, Rotterdam, en is nu vernoemd naar Willem de Kooning. Ik ben er in 1986 begonnen en ik was 33 toen ik daar afstudeerde.’

‘Wat deed je dan voor die tijd?’

‘Ik volgde de Hbo-opleiding toegepaste huishoudwetenschappen, daar heb je verschillende richtingen in. Zelf heb ik de specialisatie wonen gedaan, daarmee kun je om maar wat te noemen participatiemedewerker worden bij woningbouwprojecten en is het bijvoorbeeld je taak om inspraaktrajecten te begeleiden, als verbindingsman tussen toekomstige bewoners en architect. Je verzorgt de communicatie tussen beiden en je geeft voorlichting.’

‘Je spreekt er nog heel enthousiast over.’

‘Ja, maar ik heb er feitelijk nooit wat mee gedaan, blijkbaar was het toch niet echt wat ik wilde. Ik solliciteerde wel, maar zonder resultaat en intussen had ik een baantje in Leiden bij een dagschotelrestaurant, De Bruine Boon, de naam geeft al aan wat je daar voor weinig geld kreeg voorgeschoteld. Alles onder de tien gulden, biefstuk met aardappels was het duurste gerecht. Het was een trekpleister voor mensen met een kleine beurs. Ik kwam er veel artistiekelingen tegen, zowel voor als achter de bar, die hebben mijn blik wel verruimd. Ik begon voor het eerst ook zelf te tekenen en te schilderen, Picasso- achtige koppen, zonder dat ik eigenlijk wist wie Picasso was. Misschien had ik de naam weleens gehoord, maar ik had van huis uit weinig meegekregen van kunst, zeg maar nul. Een roeping als kunstenaar voelde ik ook nog niet, dat zat gewoon niet in mijn opvoeding. Ik ben geboren in Leiden-Noord, indertijd bijna een soort getto voor arbeidersgezinnen. Mijn vader kwam uit een groot gezin en werd op zijn dertiende al de straat op gestuurd om te werken, ongeschoold werk, met de broodmand voor de bakker brood bezorgen. Over de brug, aan de andere kant van de Singel, begon een andere wereld.’

De bakker, niet de vader van Rob Regeer.

‘Wanneer kwam dan dat besef dat je een kunstenaar was? Of zou kunnen zijn?’

‘Ik begon eigenlijk zomaar te tekenen en ik noemde die eerste tekeningen ook nog geen kunst. Ik merkte wel dat ik er volledig in opging en dat ik er mijn eigen wereld in kwijt kon. Ze gingen inhoudelijk vaak over relaties, over de liefde, over jezelf zijn, dat zijn natuurlijk de dingen die je het meest bezig houden op die leeftijd. Maar ik tekende die koppen wel door elkaar heen, en dat ging ook over vorm, over hoe je vlakken indeelt, en over kleur en hoe je die kleuren tegenover elkaar kunt zetten. Daar kwam zonder dat ik dat voor mezelf nou direct zo benoemde de schilder in mij naar boven.’

Al pratend heeft Rob een grote platte doos tevoorschijn gehaald. Hij opent het deksel en haalt er  een voor een de tekeningen uit waar we het over hebben. Een kleine schat uit zijn eigen verleden. De koppen doen me enigszins aan Toorop denken, maar er blijkt een andere, oudere inspiratiebron belangrijk te zijn geweest.

‘Ken je het werk De Kruisdraging, van Jeroen Bosch?’

‘Nee, ik geloof het niet…’

‘Er is discussie over of het wel aan hem mag worden toegeschreven, maar dat is nu niet zo van belang. Toen ik dit voor het eerst zag, herkende ik iets van mezelf in die ene eenzame persoon in het midden met al die anderen eromheen. Ik heb het verscheidene keren nageschilderd, en gaandeweg ontwikkelde de kop van die Jezusfiguur zich meer en meer tot een zelfportret. Niet dat ik in die tijd nu zo’n verschrikkelijk zwaar leven had, of dat ik mezelf als een soort Jezus zag, helemaal niet, maar ik bleek me wel sterk te kunnen identificeren met een bepaald gevoel van isolement en dat te kunnen uitvergroten.’

 

‘Ik zie dat je ook woorden hebt geschreven, of getekend. Waar gaat dat over?’

‘Dat is een verhaal op zich, het is een tekst van Vincent van Gogh, uit de brieven die hij aan zijn broer schreef. Ik had het boek met die brieven bij me toen ik met een vriend een reis door Egypte maakte, in het jaar voor ik naar de kunstacademie ging.’

‘En die tekst sprak je zo aan dat je die hebt overgeschreven. Is dit jouw handschrift?’

‘Het is wel mijn handschrift, maar ook weer uitvergroot, met een zekere dramatiek, in die lijnen, de structuur…’

‘Beetje moeilijk te lezen daardoor. Wat staat er precies?’

‘Men zal niet altijd kunnen zeggen wat het is wat je insluit, je ommuurt, je schijnt te begraven, maar je voelt toch, ik weet niet welke tralies, welke hekken, welke muren.’

‘Geen vrolijke tekst.’

‘Dat zei mijn broer ook toen hij mijn tekeningen en die tekst zag. Hij vond het maar een depressieve boel, maar ik voelde me aangetrokken door de melancholie in die tekst, zoals men zich ook tot de blues, melancholie in muziek, aangetrokken kan voelen. Dat is toch iets wat me raakt en boeit ook in mijn huidige werk. Voor Van Gogh zal het zo zijn geweest dat hij zichzelf vergeleek met een vogel denk ik. Hij is wel een vogel, maar toch ommuurd door die tralies.’

‘En zo voelde jij dat zelf ook?’

‘Ik denk dat ik me onbewust wel opgesloten voelde ja. Ik moet ook zeggen, toen ik eenmaal aangenomen was op de academie en het eerste jaar begon, werd ik voor het eerst nieuwsgierig naar hoe het is om ouder te worden en mijzelf te ontwikkelen in mijn kunst, om steeds nieuw werk te mogen maken. Er ging een soort vlammetje branden, ik ontdekte mijn kunstenaarschap en ik dacht: als ik dit toch eens de rest van mijn leven mag blijven doen!’

Met een kop koffie en een plak roggebrood met boter en kaas dansen we al pratend zo’n beetje om de papieren die op de grond liggen heen. Ik waak er omzichtig voor niks op die tekeningen te morsen. Rob moet daar om lachen: ze zijn niet heilig hoor. Maar dat ben ik niet met hem eens en ik ben blij als hij ze weer veilig heeft opgeborgen. Intussen kijk ik naar een schilderij aan de muur, een man met een rugzak in een woestijnachtig landschap. Misschien een herinnering aan de reis door Egypte. Boven het hoofd van de man een geheimzinnige zwerm bolletjes waarvan ik pas zie dat het gaatjes zijn als Rob me daarop wijst. Behoorlijk naïef van mij, het boren van gaatjes, zal ik later in alle teksten over hem lezen, is kenmerkend voor veel van zijn werk. Wat me wel direct opvalt is dat die man in dat landschap vrij uitzonderlijk is.

 

‘Dat klopt, ik schilder eigenlijk geen mensen. Wel dieren, einzelgängers als de wolf, en nachtdieren als de uil, jagers. Maar hier staat inderdaad voor het eerst een mannetje met een rugzak eenzaam in een landschap. ’

‘Maakt het verschil of je gewoon eenzaam bent of eenzaam in een landschap?’

‘Ha, ja, zeker. Je kan een heel sociaal leven leiden met veel vrienden en zelfs met vrienden op reis zijn maar dan toch alleen die reis door het landschap willen ervaren. Uiteindelijk gaan we in ons leven in zekere zin allemaal eenzaam door ons eigen landschap. Wat die gaatjes betreft, om daar iets meer over te zeggen, daar is een hele ontwikkeling aan vooraf gegaan. Ik heb ze voor het eerst gebruikt in mijn bloemschilderijen, begin jaren 90. Door die gaatjes kwam er een soort leven in het paneel, verwering, geschiedenis…’

 

‘Ik weet niet of het komt door wat je nu zegt, maar ik moet bij het zien van die gaatjes ineens ook  denken aan inslagen van kogels in oude muren, van kathedralen in Noord Frankrijk, een erfenis van de Eerste Wereldoorlog. Was dat ook jouw associatie?’

‘Nou, ja, zou kunnen, maar dat is dan wat jij erin ziet…’

Rob heeft ineens iets ontwijkends. Misschien wil hij niet dat ik er zo’n letterlijke uitleg aan geef. Om het gesprek weer op gang te brengen vraag ik hem naar zijn werkwijze, zijn techniek: hoe maakt hij die gaatjes, zonder het werk te beschadigen?

‘Dat is vrij simpel. Ik boor ze in het MDF-paneel* en door ze dan weer met verf te vullen krijg je een mooie schaduwwerking. Ik teken als het ware met de boormachine een patroon van gaten dat de volgende fasen van het schilderen beïnvloedt. In dit landschap kan het bijvoorbeeld een soort wolk zijn, of een zwerm vogels, het kan van alles zijn. Als je zegt, het zijn inslagen van kogels, dan suggereer je daarmee dat ik je iets wil laten zien van wat er mis gaat in de tijd, in de geschiedenis en in het landschap, maar dat is niet per se mijn opzet. Ik vind het gewoon een mooi patroon dat goed in het beeld past. Voor mij is het uiteindelijk vooral iets esthetisch, een beeldend middel, een van de vele om tot een schilderij te komen. Ik merk ook steeds meer dat het hele verhaal van oorlog en geweld, van goed en kwaad, dat ik daar minder mee bezig ben dan vroeger.’

‘Het accent is verschoven van ethiek naar esthetiek?’ probeer ik hem te begrijpen.

‘Dat zou je zo kunnen zeggen, ja. Mijn werk is er veel vrijer en ook rustiger door geworden. Maar laat ik je het hele verhaal vertellen, dan begrijp je het beter. Op een gegeven moment miste ik in mijn architecturale werk, nog in mijn academietijd, het doel, de zingeving. Het was het jaar waarin de Eerste Golfoorlog begon. Mogelijk maakte die gebeurtenis bij mij de ervaring van dat gemis aan zingeving sterker. In die gemoedstoestand zag ik een afbeelding van een Stealth bommenwerper op tv en ik raakte in verwarring over de schoonheid van dat ultieme moordwapen.

 

Vanaf dat moment gingen schoonheid en geweld een dubbelzinnige rol spelen in mijn werk. In diezelfde tijd stuitte ik bij een tentoonstelling over het werk van Andy Warhol op een tekst van hem waarin hij zegt: “je moest eens weten hoeveel mensen een afbeelding van de elektrische stoel boven hun bank hangen als de kleur harmonieert met de gordijnen die ze hebben.” Op die uitspraak heb ik eigenlijk voort geborduurd met mijn schilderijen, in kleur en ook in vorm. De bommenwerper nam de vorm aan van een mooie vlinder. Lopen van pistolen heb ik met elkaar verbonden tot een mooie bloem. Dat heb ik zo een hele tijd volgehouden, tot ik op een dag merkte ik dat ik er ook wel weer mee klaar was. Het enige wat er uit die periode nog van is overgebleven, zou je kunnen zeggen, zijn die geboorde gaten. Weliswaar een zeer bescheiden vorm van agressie, maar toch, het paneel wordt aangetast, ik ga het te lijf met diverse boren en dat is van invloed op wat ik er blijkbaar mee tot uitdrukking wil brengen.’

 

In de pauze tussen de twee gesprekken is er toevallig nieuw werk van Rob te zien bij een groepstentoonstelling onder de titel Weemoed, in galerie KUUB te Utrecht. Daar ga ik natuurlijk heen. Zijn serie over het Lac de Gaube, een prachtig meer in de Pyreneeën, hangt er prominent aan de muur. Een van de bezoekers, de bekende Utrechtenaar Pim Coumans, programmeur en ontwikkelaar van de game Jumpy Wall, trekt mijn aandacht doordat hij uiterst geconcentreerd naar Robs schilderijen staat te kijken. Ik spreek hem aan en hij wijst me op het reliëf in een paar van die schilderijen dat me nog niet was opgevallen. Een klein verschil in diepte dat als het ware weer een extra heuvelrug vormt die je pas ziet als je er met je neus bovenop staat.

 

Een paar weken later heb ik mijn tweede gesprek met Rob. We gaan door bij waar we waren gebleven, met als enig nieuw onderwerp Plato’s grotparabel. Bijna was ik dit keer vergeten hem de tekst daarvan te mailen zoals ik alle vorige gesprekspartners in deze reeks trouw had gedaan. Rob begint er meteen over.

‘De vraag die Plato stelt is heel duidelijk deze: wat is nou de werkelijkheid en hoe kun je die zien als je gevangen zit. Ik betrek die vraag voor mezelf ook op de tekst van Van Gogh: als je jezelf in een soort kooi voelt, hoe kom je daar dan uit? Meteen in het eerste jaar van de academie had ik het gevoel dat de muren en die tralies wegvielen. Ik dacht: wow, wat gebeurt hier, dit is geweldig! Die euforie zou je kunnen vergelijken, denk ik, met waar Plato het over heeft als je richting het licht gaat, in die onduidelijke gang naar de ideeënwereld.’

‘Dat heeft dan betrekking op je beginjaren als beeldend kunstenaar, als ik het goed begrijp. Maar hoe zou je jezelf dan nu in dat verhaal plaatsen?’

‘Ik merk dat ik daar nu niet meer zo mee bezig ben. Wat ik wel merk: je leeft in een bepaald isolement als kunstenaar, elf van de twaalf maanden sluit je je op in de duisternis, dan ben je dingen aan het scheppen waar in principe nog niemand op zit te wachten. Je moet een klein beetje gek zijn om daarmee bezig te blijven en erin te blijven geloven. En als je dan buiten komt, kan het heel makkelijk gebeuren dat je inderdaad door het licht verblind wordt, dat je dus even helemaal niet meer weet waar je naartoe gaat, dat de tijd een koord is waarop je balanceert. Om dat te vertalen naar het werk zelf: hoe langer ik met een schilderij bezig ben, naarmate ik vorder, hoe dunner de kans wordt waarop ik besluit er nog verder mee te gaan.’

‘Bedoel je dat je in dat proces aan het reduceren bent, net zo lang tot je de kern overhoudt?’

‘Ja, nou, niet helemaal… Het is een proces van keuzes maken en op een gegeven moment houden die keuzes op. Dan is het ding gewoon af, en toch kan het dan nog zo zijn dat als je er een jaar later weer naar kijkt, dat het dan toch niet af blijkt. Er blijft altijd de mogelijkheid er nieuwe dingen in te zien die om aandacht vragen. Zo ben ik de laatste tijd vaak bezig met mijn eigen oeuvre, op zich vormt dat dus ook weer een inspiratiebron. Waar ik nu bijvoorbeeld weer mee bezig ben is met de bloemenserie die ik tien jaar geleden min of meer had afgerond. Tot ik ineens merkte: ik heb iets laten liggen, ik ben er nog niet klaar mee. Op het moment dat ik dat dacht, kwam ik toevallig ergens een abstract plaatje tegen van een takkenpatroon, en daar ben ik mee aan de slag gegaan, om die twee motieven met elkaar te verbinden. In zekere zin ben ik dan ook een beetje aan het forceren naar nieuw werk toe, wat ik als kunstenaar doe is namelijk ook gewoon werken, je kunt niet alleen maar op de berg gaan zitten wachten op inspiratie. Maar het idee dat ik dan toch weer ergens een stap kan maken, die ik tien jaar geleden nog niet kon maken, dat vind ik heel spannend en inspirerend.’

 

‘Is natuur voor jou ook troost?’

‘Vast wel. Mijn landschappen zijn dan wel kaal en esthetisch, maar ze gaan toch ook over een wereld die doorgaat, en over de zuiverheid van puur natuur, dat je daarin kunt rondlopen en het in je op kan nemen, en je daarbij helemaal alleen en rustig kan voelen in een wereld die nu eens niet gedomineerd wordt door mobiele telefoons. Dan ben ik wel bijna op mijn gelukkigst, als ik dat zo kan ervaren.’

‘Heb je ook het gevoel dat je die wereld, die ongerepte natuur, moet beschermen? Als ik naar je sculpturale werk kijk, wat je daar boven op die kast hebt staan, dan zie ik een soort uitkijktorens zoals je ze ook wel in bossen ziet. Of zijn ze meer voor de jacht?’

‘Nou, ik zie ze wel als waarneemposten tussen mens en dier. Ik heb ook huisjes in het bos geschilderd met datzelfde idee. Maar die uitkijktorens zijn ook wachttorens zoals je die bij  ambassades ziet, of bij gevangenissen, of bij joodse instellingen. Dan gaat het er dus niet alleen om hoe wij dieren in de gaten houden, maar ook om hoe we elkaar in de gaten houden.’

’Nu je dat zo zegt, doen ze me denken aan wachttorens rond concentratiekampen.’

‘Ja, verschrikkelijk. Daar merk ik dat de scherpte zich nog onverminderd kan aandienen in mijn werk. Ik ben wel aan het zoeken hoe ik daar een nieuwe weg in kan vinden, dus niet zo letterlijk maar in een soort abstractie, die puur over vorm en kleur gaat. Die kleur kan giftig zijn. De giftigheid die eigenlijk in zo’n Stealth bommenwerper zit, ook al neemt die de vorm aan van een vlinder, zit vaak ook in kwetsbare dieren die om zich te beschermen schutkleuren aannemen, zoals een vlinder met een bepaalde kleur zegt: pas op, ik ben giftig, eet mij niet. Ik gebruik die giftigheid nu ook in mijn bloemen en in mijn landschappen. Dat kun je op twee manieren uitleggen, als natuur die als het ware vergiftigd is, of als natuur die zich daarmee juist beschermt. Maar ik laat die interpretatie aan de kijker over. Hangt zo’n schilderij eenmaal aan de wand, dan mag iemand er best ook gewoon een poëtisch landschap in zien.’

‘Heeft die epoxylaag daarin nog een speciale functie?’

‘De eerste keer dat ik epoxy gebruikte was ook weer in die bloemschilderijen begin jaren 90. Die schilderijen werden gekenmerkt door een zekere dubbelzinnigheid: de mooie bloemen verwijzen eigenlijk naar schadelijke bacteriën, je kunt er ook virussen in zien. Ik wilde er ook mee refereren aan zaken als chemische oorlogsvoering en het optreden van milieurampen door het opblazen van olievelden. De laag epoxy beschermt ons, toeschouwers, tegen dat geweld. En het is op zich ook weer mooi. Epoxycoating lijkt een beetje op gesmolten glas. Het geeft een fijn glanzend effect en het is ook heel sterk en krasbestendig. Dus je kunt er goed doorheen kijken en tegelijk is wat je ziet heel goed afgeschermd. Maar nu heb ik twee schilderijen hier naast elkaar gehangen, van bloemmotieven, waarvan ik de één wel en de ander niet met epoxy heb behandeld. En de vraag is nu wat dat met jou als toeschouwer doet.’

‘Je bedoelt: welke van die twee spreekt mij het meest aan, en waarom? Ik zou zeggen, in eerste instantie word ik aangetrokken door dat glanzende, maar bij nader inzien word ik meer geraakt door die zonder epoxylaag. Die komt meer op me af, ik ben er zelfs een beetje voor op mijn hoede, ik zou die niet zomaar aanraken. Maar het zou leuk zijn als ik dit zonder enige voorkennis zou hebben gezegd.’

 

‘Ja, ik had  jou die vraag moeten stellen voor ik er nog maar iets over had gezegd! Dat is misschien wel een interessant experiment, mensen vragen welke van de twee ze nou mooier vinden. Zo’n analyse gaat ook over kijken, alle kunst gaat daar uiteindelijk over. Het is het werk zelf dat op een of andere manier dat kijken afdwingt. Misschien is dat waar ik ook naar op zoek ben, naar de autonomie van mijn eigen werk.’

Het is een stelling waaraan we niet veel meer weten toe voegen. Het lijkt de essentie van elk kunstenaarschap: iets maken dat op zichzelf kan bestaan. Het maakt de wetenschap dat we als individu in feite ons leven lang bezig zijn te verdwijnen draaglijk. En ondanks de zwaarte van de thema’s waarover we hebben gesproken, loop ik met een licht en vrolijk gevoel naar buiten, de wereld in, met ergens zelfs een vaag vermoeden van hoe wij ons uit Plato’s grot zouden kunnen bevrijden: namelijk door aanvaarding van alles wat er is, en het leven te zien als een harmonie van tegenstellingen.

Amsterdam, oktober 2017

Meer werk van Rob Regeer is te vinden op /www.robregeer.nl

*Medium-Density Fibreboard of MDF is geperst board met een middelhoge dichtheid. Het is zeer goed bewerkbaar en makkelijk in allerlei vormen te frezen. Door de fijne vezelstructuur splintert het niet.

2 REACTIES

  1. Mooi verhaal en herkenbaar de opmerking, niet negatief bedoeld.
    In de loop der jaren zie je een verandering van de stukken, naar mooi werk!
    Ga zo door, succes.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here