Home Kunst Sigrid van Essel, de wolkenfabriek en de Oranjewerf

Sigrid van Essel, de wolkenfabriek en de Oranjewerf

0

Van beeldend kunstenaar Sigrid van Essel, bekend door haar teken- en schilderwerk van de IJ-oevers, is eens gezegd dat ze de blik van een stedenbouwkundige heeft. In een serie artikelen richt het Borneo Architectuur Centrum zich op de relatie van het Oostelijk Havengebied met zijn omgeving. In deze aflevering vertelt Van Essel over veranderingen op het stuk noordoever dat loopt van chemische fabriek Albemarle tot aan de Oranjewerf.

Tekst Adri Doorneveld | Illustraties Sigrid van Essel | Kaart Paul Ouwerkerk | IJopener

Dagelijks gaat Sigrid van Essel van haar huis op de Levantkade op het KNSM-eiland met het Oostveer naar haar atelier in de Zamenhofstraat in Noord. Daar heeft zij een prachtig uitzicht over het IJ en het Java- en KNSM-eiland. Een uitzicht dat vaak dient als onderwerp voor haar schilderijen en tekeningen. Ook kijkt ze uit op de scheepshelling van de voormalige werf Verschure en het bedrijfsterrein van Albemarle.

Waarom heb je voor je atelier deze plek gekozen?
Van Essel: ‘Ik kwam min of meer toevallig hier terecht. Na mijn studie in Groningen zocht ik een betaalbaar atelier in Amsterdam. Een vriend verkocht schilderslinnen aan de Zamenhofstraat en heeft me het gebouw binnengeloodst. Ik was me er destijds niet van bewust dat er zo’n groot verschil gemaakt werd tussen Amsterdam en Amsterdam-Noord. Het was toen, in 1997, een afgelegen stuk Amsterdam met bijzondere bedrijfjes. Mede door de komst van het Oostveer zijn we nu makkelijk bereikbaar vanuit het Oostelijk Havengebied. Voor beide kanten een positieve ontwikkeling.’

Heeft de keuze van je atelier op een bedrijventerrein invloed op je werk?
‘Het eerste wat ik hier deed was “uit mijn raam schilderen”. Ik had direct zicht op een groot Oekraïens schip dat voor het Java-eiland aan de ketting lag, van 1996 tot 1998. De mix van andere creatievelingen, autogarages, industrieel ontwerpers, staalbewerkers en sieradenmakers vind ik een verademing en we maken ook gebruik van elkaars kwaliteiten. Zo vindt er op een natuurlijke manier kruisbestuiving plaats. En goed om te weten: de Zamenhofstraat is géén broedplaats.’

‘Bouwputten, damwanden, buizenstelsels en woningblokken in aanbouw leg ik vast in vaak langgerekte panorama’s’

Daarmee bedoelt Van Essel: een broedplaats krijgt gemeentelijke subsidie en er gelden eisen om er een werkplaats te mogen huren. Maar in dit gebouw is het niet de gemeente die aan de touwtjes trekt. ‘Dankzij de privéverhuurders houden we deze laatste rafelrand in stand. Ik heb in twintig jaar het Oostelijk Havengebied voltooid zien worden, de nieuwbouw op het Oosterdokseiland zien ontstaan, Shell aan de Noordelijke IJ-oever zien verdwijnen en het Overhoeks zien transformeren tot woongebied. Door mijn opdrachten ben ik me gaan concentreren op het documenteren van deze stadsontwikkeling. Bouwputten, damwanden, buizenstelsels en woningblokken in aanbouw behoren tot de onderwerpen die ik goed bestudeerd heb en heel systematisch vastleg in vaak langgerekte panorama’s.’

Je kijkt uit op Albemarle. Is die fabriek een inspiratiebron voor je?
‘Ik heb de fabriek al vanuit verschillende perspectieven getekend. In opdracht van toen nog Akzo-Nobel heb ik een portret gemaakt van het interieur ervan. Ik werd gevraagd om grote ketels, die door drie verdiepingen heen gingen, in beeld te brengen. Dat is een schilderij in olieverf op doek geworden en hangt nu in een van de kantoren. De fabriek heeft van buiten een spannende contour. Binnen is het hightech van de hoogste orde. Opmerkelijk: door de thermiek verzamelen zich in de zomermaanden tegen schemering altijd zwermen vogels rond de fabriekspijpen.’

Stel dat Albemarle zou vertrekken en het fabrieksterrein verandert in woon-werkgebied, welke elementen zouden dan volgens jou niet mogen verdwijnen?

Sleper in dok bij de Oranjewerf.

‘Allereerst kijk ik er niet naar uit dat de fabriek vertrekt. Het is altijd een soort beschermheer geweest van het Zamenhofterrein. Daarnaast is het net als de Oranjewerf nog een stukje Noordelijke IJ-oever dat verwijst naar de grootschalige industrie uit het verleden. Ik ben gefascineerd door de spannende aspecten ervan, zoals buisverbindingen, de fabriek als levend organisme dat dag en nacht ademt, werkt, geluiden produceert en in veranderend licht zich telkens anders voordoet. ’s Nachts lijkt het een neergedaald ruimteschip. Ik zou wensen, als hij toch eens verdwijnt, dat er een aantal silo’s blijft staan als sculptuur. Ook de drie pijpen, omgeven door een houten constructie waar dagelijks waterdamp uit komt, zouden behouden moeten blijven. Wat de Zamenhofstraat betreft moeten de historische gebouwen blijven en natuurlijk de scheepshelling van Verschure. Daar kunnen theatervoorstellingen en openluchtconcerten gehouden worden.’

Is het positief, al die veranderingen op de Noordelijke IJ-oever?
‘Ik begrijp dat er behoefte is aan woonruimte. Ik ben het alleen vaak niet eens met de manier waarop de plannen voor zoveel mogelijk woningen doorgezet worden. Zie het Hamerkwartier: de bedoeling is dat er de komende jaren 6500 woningen gebouwd worden. Dat is een enorme dichtheid. Überhaupt zou er een integrale visie moeten zijn voor de ontwikkeling van de hele IJ-oever. Nu dreigen er steeds losse stukjes ontwikkeld te worden. Onderlinge samenhang ontbreekt.’

Wat weet je over de ontwikkeling van de meer oostwaarts gelegen Oranjewerf?
‘Laatst hadden we een gesprek met Paul Heering van Heren2, gebiedsontwikkelaar en eigenaar van het terrein waar de Oranjewerf ligt. Vast staat dat de Oranjewerf tot 2023 operationeel blijft. De ontwikkelaar is gecharmeerd van de term “drijvende stad”. Het plan beschrijft ook een belangrijke karaktereigenschap van het gebied: het is een schakel tussen groen, water en oud-Noord, zoals het Purmerplein. De bedoeling is om de functie van het Purmerplein als winkelcentrum en de toekomstige functie van een woongebied met vertier aan elkaar te koppelen en van elkaar te laten profiteren. Het gaat om een natuurlijke verbinding tussen deze gebieden.’

Panorama van Albemarle’s katalysatorenfabriek, ook wel de wolkenfabriek genoemd.

‘Daarnaast zien ze de ligging ook als onderdeel van een driehoeksverbinding tussen Zeeburgereiland, Oostelijk Havengebied en Noord, die door infrastructuur beter met elkaar verbonden kunnen worden. In de nabije toekomst kunnen deelgebieden op de Oranjewerf al een functie hebben als “placemaker” tussen de nu aanwezige werfonderdelen, als plekken die het nieuwe gebied onder de aandacht van de Amsterdammer brengen. Een veelbeproefd recept, denk aan Kaap Kot, Blijburg, Roest, Pllek en andere rafelrandjes in Amsterdam. En gebiedsontwikkelaar Paul Heering wil het droogdok en de scheepshelling behouden en daarop spannende architectuur ontwerpen. Dat klinkt als muziek in m’n oren, als de plannen echt doorgaan. Hoewel, voor mij hoeft de Oranjewerf helemaal niet te verdwijnen.’

Hoe Ketjen Albemarle werd

Veel Noord-Amsterdammers noemen Albemarle de wolkenfabriek. De geschiedenis ervan begon zo: een zekere Adrianus Kofoed startte in 1805 een kruidenwinkel in de Warmoesstraat die in 1818 overging naar Gerardus Ketjen. Deze drogist en apotheker werd in 1835 benaderd door Jacobus Jarman en Bruno Tideman om de productie van zwavelzuur te beginnen. Zwavelzuur of vitrioololie, gebruikt bij het verven van zwart laken, kwam tot dan uit Frankrijk. De fabriek werd gevestigd in een voormalige kopersmelterij aan de Trapjesschans in wat nu de Marnixstraat is.

In 1880 moest het bedrijf verhuizen. Door lekkende platinaketels was de Stadsschouwburg regelmatig in zwavelnevelen gehuld. Na de stadsuitbreiding werd Ketjen gedwongen een nieuwe plek te zoeken. De tweede verhuizing bracht het bedrijf in 1900 naar de Noordelijke IJ-oever, geen keuze van Ketjen zelf. Ze hadden zelf grond in Velsen op het oog. Maar Amsterdam zag de fabriek, die voor flinke inkomsten zorgde, liever niet verdwijnen. Het stadsbestuur liet Velsen weten dat Ketjen ‘een vieze stinkfabriek’ was, die je maar beter niet in je gemeente kon hebben. Waarna de stad aan Ketjen een stuk grond op de huidige locatie aan het IJ ter beschikking stelde. In dit hoekje zou Amsterdam geen last hebben van de stank: de westenwind zou alle restanten wegwaaien.

In 1916 werd tevens een zoutzuurfabriek gebouwd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd dit zuur gebruikt voor de productie van springstoffen. In 1937 werd de zwavelzuurfabriek uitgebreid, en werden nieuwe fabrieken gebouwd voor de productie van chemische producten. In 1953 werd samen met Cyanamid een katalysatorfabriek gebouwd voor de olie-industrie. Tussen 1948 en 1955 zijn verschillende gebouwen ontworpen door stadsbouwmeester Ben Merkelbach en Piet Elling. Zoals het laboratorium, de kantine, de portiersloge en de bulkopslagloods met de zaagtandbovenlichten. De katalysatorenfabriek uit 1956 is van de hand van Jan Verster.

In 1962 fuseerde Ketjen tot Koninklijke Zout Ketjen, dat door verdere fusies later Akzo-Nobel is geworden. De fabriek zorgde in Noord voor overlast door de uitstoot van roet- en stofdeeltjes. Wetenschappelijk onderzoek uit 1971 bevestigde dat. Albemarle Catalysts Company nam in 2004 de katalysatorfabrieken over. Albemarle produceert uitsluitend katalysatoren voor de petrochemische industrie en wordt als een schone fabriek gezien.