Als je deze zomer over de Kop van Java wandelt, loop je niet alleen langs zestien grote portretten van Molukse Amsterdammers, maar ook langs een geschiedenis die ruim vier eeuwen teruggaat. Met de buitententoonstelling Samangat! Moluks in Amsterdam brengen het Amsterdam Museum en het Nationaal Slavernijmuseum een vaak onderbelicht hoofdstuk uit de geschiedenis van de hoofdstad naar de openbare ruimte.
Redactie
De tentoonstelling, die op 30 juli opent in het kader van het herdenkingsjaar 75 jaar Molukkers in Amsterdam, laat zien dat de band tussen Amsterdam en de Molukken veel ouder is dan de komst van Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen in 1951. Al vanaf de zeventiende eeuw waren beide gebieden met elkaar verbonden door de koloniale handel. Amsterdam profiteerde van de specerijenhandel en speelde een centrale rol in de machtsuitoefening van de VOC in de Indonesische archipel. Die koloniale geschiedenis heeft diepe sporen nagelaten, die nog altijd zichtbaar zijn in de stad.
Juist die lange lijn willen de makers zichtbaar maken. Gastcurator Huib Akihary, kunsthistoricus en voormalig directeur van het Moluks Historisch Museum, interviewde zestien Molukse Amsterdammers over hun familiegeschiedenis, hun band met de stad en de betekenis van hun Molukse wortels. Hun verhalen vormen samen een persoonlijke geschiedenis van Amsterdam, verteld vanuit verschillende generaties.
Volgens Imara Limon, conservator van het Amsterdam Museum, zijn de geschiedenissen van Amsterdam en de Molukken al eeuwen met elkaar verweven. Die verbondenheid ontstond in een koloniale context, maar werkt nog altijd door in families, buurten en gemeenschappen. Met de tentoonstelling willen de musea die geschiedenis een vanzelfsprekende plek geven in het verhaal van de stad.
Meer dan het verhaal van 1951
In Nederland wordt de Molukse geschiedenis vaak gekoppeld aan 1951, toen ruim 12.500 Molukse militairen van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en hun gezinnen naar Nederland werden overgebracht. Wat bedoeld was als een tijdelijk verblijf, werd een permanent bestaan. De eerste jaren woonden veel gezinnen in voormalige kampen en woonoorden, later ontstonden Molukse wijken verspreid over het land.

De tentoonstelling laat zien dat de geschiedenis van Molukkers in Amsterdam niet bij die gebeurtenis begint. Zo vertelt Esther Apituley over haar grootvader Hubertus Domingo Jan Apituley, die al aan het begin van de twintigste eeuw naar Amsterdam kwam om geneeskunde te studeren. Hij behaalde in 1909 zijn artsexamen en vestigde zich later met zijn gezin in de hoofdstad. Zijn zoon Herman werd oogarts in Amsterdam-Noord. Hun familiegeschiedenis laat zien dat Molukkers al decennialang deel uitmaken van de Amsterdamse samenleving.
De wijk als ontmoetingsplek
De zestien portretten zijn gemaakt door de Nederlands-Molukse fotograaf Eva van Kesteren. Zij liet zich inspireren door de wijk: de naam die veel Molukse gemeenschappen gaven aan de buurten waar zij na hun aankomst gezamenlijk werden gehuisvest.Β Van Kesteren fotografeerde alle deelnemers in hun eigen buurt. Daarmee ontstaat op de Kop van Java als het ware een nieuwe wijk: een tijdelijke ontmoetingsplek waar bezoekers kennismaken met de mensen achter de geschiedenis.
Een van de geportretteerden is Vanessa Wattimena, beter bekend als Nessie. Zij groeide op in een Molukse wijk en zet zich tegenwoordig in om Molukse cultuur en erfgoed zichtbaar te houden. Met haar onderneming en maatschappelijke projecten brengt zij bewoners samen en houdt zij tradities, recepten en familieverhalen levend.
Koloniaal verleden in het straatbeeld
De keuze voor de Kop van Java is niet toevallig. Op deze plek verrijst de komende jaren het Nationaal Slavernijmuseum, dat aandacht zal besteden aan het volledige Nederlandse slavernijverleden, zowel in de Atlantische wereld als rond de Indische Oceaan. De tentoonstelling sluit aan bij die bredere discussie over de doorwerking van het koloniale verleden in het heden.
Door de tentoonstelling buiten te plaatsen, hopen de initiatiefnemers een publiek te bereiken dat niet vanzelfsprekend een museum bezoekt. De verhalen worden onderdeel van het straatbeeld, midden in een stad waarvan de geschiedenis onlosmakelijk verbonden is met de koloniale wereld.
Gastcurator Akihary noemt de tentoonstelling daarom vooral een verhaal over identiteit. Samangat! betekent in het Moluks zoveel als ‘Top!’ of ‘Ga ervoor!’. Volgens hem laten de geportretteerden zien dat zij zich zowel Moluks als Amsterdammer voelen. Niet ondanks hun geschiedenis, maar juist dankzij de generaties die hen voorgingen.
Ter gelegenheid van het herdenkingsjaar is in Hotel Jakarta, op loopafstand van de tentoonstelling, een gratis presentatie te zien over de Molukse voetbalpioniers Janny Timisela en Rocky Hehakaija.
Samangat! Moluks in Amsterdam is
van 30 juli tot en met 22 oktober
gratis te bezoeken op de Kop van Java.





