Het Science Park opent op 3 oktober zijn deuren tijdens de jaarlijkse Wetenschapsdag. Iedereen van 6 tot 106 jaar kan dan gratis kennismaken met wetenschap en onderzoek. Dat was voor Patrick van den Hoven een mooie aanleiding om er eens heen te fietsen, de sfeer te proeven en te bekijken hoe het ‘park’ erbij ligt. 

Patrick van den Hoven

Science Park is een praktische naam, maar erg veel verbeeldingskracht spreekt er niet uit. Het is een beetje als congrescentrum, academisch ziekenhuis of World Trade Center: duidelijk wat er gebeurt, maar het kan overal staan.

De naam werd begin jaren negentig al gebruikt voor de nieuwe kennis- en bedrijvenlocatie binnen het toenmalige Wetenschappelijk Centrum Watergraafsmeer. In 2003 volgde het masterplan voor het hele gebied. Pas in 2009 werd Science Park ook de officiële straatnaam van het verlengde deel van de Kruislaan.

Drie manieren om er te komen

Het maakt nogal uit van welke kant je het Science Park ingaat. Het aantrekkelijkst is de route per fiets vanaf de Ooster Ringdijk. Daar is nog iets voelbaar van het groene, bijna landelijke karakter rond het Flevopark. De overgang naar het wetenschapsgebied is er in ieder geval vriendelijk.

Vanaf de Molukkenstraat kan het ook. Na de Praxis verschijnt de Carolina MacGillavrylaan: een straatnaam die vermoedelijk tevens dient als toelatingsexamen voor de universiteit. Mij lukt het nog altijd niet hem zonder nadenken te reproduceren.

De laan werd in 2005 geopend als tweede hoofdontsluiting van het groeiende Science Park. Uiteindelijk had zij via een tunnel onder het spoor rechtstreeks met de A10 moeten worden verbonden. Die tunnel werd jarenlang uitgesteld en in 2023 vanwege de sterk gestegen kosten geschrapt. De laan arriveerde dus wel, maar haar eindbestemming niet. Wat resteert is een royaal bemeten verkeersweg met brede rijbanen en een dubbele busbaan, zonder de doorgaande verbinding waarvoor hij mede was ontworpen.

Veel studenten en medewerkers komen met de trein. Het gebied beschikt zelfs over een eigen station, een eer die maar weinig Amsterdamse buurten ten deel valt. Dat klinkt luxueuzer dan het is. Het station heeft de uitstraling van een veredelde bushalte en eenmaal beneden wacht een lange, weinig uitnodigende verkeerstunnel. Wie daar doorheen is, heeft zijn eerste wetenschappelijke proef al doorstaan.

De polder als inspiratiebron

De Kruislaan loopt bij de kruising verder onder de naam Science Park. Samen met de Carolina MacGillavrylaan vormt deze weg de belangrijkste verkeersas door het gebied.

Aan de ontwikkeling ligt het masterplan uit 2003 ten grondslag. De oorspronkelijke polderverkaveling diende als inspiratie: langgerekte stroken bebouwing, afgewisseld met groene banen en lange zichtlijnen. Zo moest een open ‘netwerkcampus’ ontstaan waar wetenschap, onderwijs, bedrijven en bewoners elkaar zouden ontmoeten.

Drie partijen stuurden deze ontwikkeling. De gemeente Amsterdam was verantwoordelijk voor de gebiedsontwikkeling, infrastructuur en openbare ruimte. De UvA bouwde hier haar campus voor onderwijs en onderzoek. NWO vertegenwoordigde de nationale onderzoeksinstituten en ontwikkelde het eigen instituutsterrein.

Op papier klinkt het logisch. Maar een polder ontleent haar schoonheid vooral aan ruimte, verte en een weidse horizon. Op deze beperkte schaal veranderen groene polderbanen al snel in losse grasveldjes die eruitzien alsof iemand nog moet besluiten wat ermee gaat gebeuren.

Geen Oxford, Harvard of Stanford

Een kopie van Oxford, Harvard of Stanford is hier nooit beoogd. Toch laten zulke beroemde academische omgevingen zien wat een campus aantrekkelijk kan maken. Harvard heeft bakstenen gebouwen, oude bomen en groene binnenruimten. Stanford bezit arcades, pleinen en een herkenbare architectonische samenhang. Oxford is geen afzonderlijke campus, maar een eeuwenoud universiteitslandschap van colleges, tuinen, binnenplaatsen en smalle straten.

Ze verschillen sterk, maar bezitten alle drie een duidelijke identiteit en buitenruimten die uitnodigen tot ontmoeting en verblijf. Ook voor het Science Park werd een inspirerende openbare ruimte beloofd, met ruimte voor spontane contacten. Juist daarin is het masterplan tot nu toe onvoldoende geslaagd.

 Wetenschap binnen, restgebied buiten

Het Science Park kent veel vrije ruimte, maar weinig plekken die werkelijk als verblijfsruimte aanvoelen. De twee verkeersassen zijn te breed om geborgenheid te scheppen. De gebouwen verschillen onderling best, maar vormen samen geen overtuigend geheel. De gevels bestaan uit glas, beton en staal, met gesloten of weinig uitnodigende plinten. Het zijn vooral afzonderlijke objecten die nauwelijks een relatie aangaan met de straat of met elkaar. Je gaat naar het Science Park,-+ omdat je er moet zijn. Voor je plezier wat langer blijven ligt minder voor de hand.

Binnen de gebouwen vinden ongetwijfeld belangrijke en fascinerende dingen plaats. Ga daar op 3 oktober vooral naar kijken. Maar buiten blijft de ervaring achter bij de kwaliteit van de wetenschap. Tijdens mijn bezoek, op een mooie doordeweekse zomernamiddag, waren de meeste horecagelegenheden vrijwel leeg. Alleen achter Café-Restaurant Polder, gevestigd bij het enige historische gebouw van het terrein, zat het terras behoorlijk vol. Misschien was dat toeval. Maar misschien zoeken mensen vanzelf toch menselijke schaal, vriendelijk gemetseld baksteen en een beetje sfeer.

De komende jaren moet er nog het nodige worden gebouwd. De kans is dus niet verkeken. De wetenschap hoeft daarbij niet in een imitatie van Oxford te worden verpakt. Maar enige inspiratie uit historisch Amsterdam kan geen kwaad. Al was het maar zodat een internationale student straks denkt: hé, met deze achtergrond kan ik eindelijk eens een selfie naar huis sturen.

 

Previous articleBoek van de Week | Moord aan de voet van ‘Mount Fuji’ van Shizuko Natsuki
Next articleTips voor de Kinderboekenweek. En leesclub voor kinderen