Afgelopen zomer vond ik in een van de buurtboekenkastjes het verhaal over de fictieve Koentje van Kattenburg, van Cor Bruijn. Het boek uit 1937 is gebaseerd op het levensverhaal van tuberculosebestrijder Jan van Zutphen, die opgroeide op Kattenburg. Nu mag Kattenburg onomkeerbaar is veranderd, Koentjes wandeling naar het Algemeen Rijksentrepot, naar het pakhuis waar zijn vader werkte, voelt nog verrassend authentiek. We wandelen mee.
 Titia Koerten | Foto’s Stadsarchief Amsterdam
Met een pakje brood voor zijn vader onder de arm geklemd, loopt Koentje van Loon rond 1870 door de grote poort van het Algemeen Rijksentrepot aan het Kadijksplein. Langs de conciërge en dan de hoek om. Dan ziet hij ‘een andere wereld’: een kade vol hoge pakhuizen. Deuren open, deuren dicht. Mannen die zakken en balen tabak omhoog hijsen. Vlaggen die wapperen boven de scheepsmasten. Koentje leest onderweg de namen van de pakhuizen: Abcoude, Alkmaar, Amsterdam, tot hij bijna aan het eind van de rij is: Woerden, Zaandam en Zierikzee. Daar werkt zijn vader, als wijnkopersknecht.
Het Algemeen Rijksentrepot
De route voert dwars door wat ooit een van de grootste opslagcomplexen van Europa was: het Algemeen Rijksentrepot. De namen die Koentje leest, zijn geen toeval. Alle pakhuizen aan de Rapenburgergracht zijn vernoemd naar steden uit Nederland en België, van A tot Z. Dat zegt niets over de bouwvolgorde: Zierikzee, tegen het eind van het alfabet, is ouder dan 1750, terwijl Muiden en Weesp pas na 1827 zijn gebouwd. Zo ontstond een bonte verzameling pakhuizen — hoog en laag, met allemaal verschillende gevels.
In 1827 werden de pakhuizen aan de Rapenburgergracht ingericht als Rijksentrepot. Amsterdam had kort daarvoor het entrepotstelsel ingevoerd, om de doorvoerhandel te stimuleren. Zolang goederen in het entrepot lagen, hoefde er geen belasting over te worden betaald. Vandaar de naam: ‘entre-depot’: tussenstation. Pas als de goederen voor de Nederlandse markt waren bestemd, moest er alsnog belasting worden afgerekend.
Voor 1827 stonden er zo’n vierhonderd van dergelijke pakhuizen verspreid over Amsterdam. Die waren moeilijk te controleren. De Rapenburgergracht – het tegenwoordige Entrepotdok – was geschikt om alles op één plek te bundelen: een deel deed al dienst als opslag, en de gracht liet zich makkelijk afsluiten. Er hoefden maar een paar huizen te worden gesloopt. Aan de achterkant kwam een muur, om smokkel tegen te gaan.
De poort waar Koentje doorheen loopt, de indrukwekkende zandstenen poort met de iconische gouden letters, vormde de streng bewaakte hoofdingang waar alle goederen en sjouwers langs moesten. De poort werd gebouwd door stadsbouwmeester Jan de Greef, dezelfde man die ook meerdere pakhuizen ontwierp. Koentje keek hier zijn ogen uit naar de zware stroom van douaniers, sjouwers en goederenwagens die de poort passeerden. Bij de poort stonden hellebaardiers op wacht: bewapende bewakers die controleerden of de belasting was betaald, anders mochten de goederen het entrepot niet verlaten.
Een sluis dwars over Kadijkseiland
Al snel bleek dat het entrepot lastig te bereiken was vanaf het water: de bestaande sluis was te klein. De oplossing was een nieuwe sluis dwars over het Kadijkseiland. Dat idee was niet nieuw, het stond al op een plan uit 1662. De nieuwe sluis, met twee draaibruggen, deelde het eiland in tweeën.
Het Rijksentrepot lag vooral op het westelijke deel. Daar vormden de pakhuizen een lange, aaneengesloten rij van zeshonderd meter. Precies het decor van Koentjes tocht langs de kade, waar hij mannen ziet lopen ‘zes naast elkaar’, terwijl balen tabak omhoog zwaaien naar de hoogste deuren. Met die lengte was het een van de grootste complexen van Europa.
Toch werd het al snel te klein. Er kwam grond bij op het oostelijke deel van het eiland — waar ooit de marine geschut en munitie opsloeg. Hier kwamen eerst vier lage pakhuizen, genoemd naar de seizoenen. Tussen 1838 en 1840 volgden de Twaalf Maanden, beter bekend als de Kalenderpanden, van architect C.W.M. Klijn. Niet veel later kwam er ook een spoorlijn naar het eiland, de Doklijn, zodat goederen direct in de treinwagons geladen konden worden.
Het einde van een functie
Bijna driekwart eeuw deed het Rijksentrepot dienst, ook gedurende de tijd dat Koentjes vader er werkte. Maar de schepen werden groter, en de pakhuizen steeds lastiger te bereiken. Er kwam een nieuw entrepot: het Nieuwe Gemeentelijk Handelsentrepot in het Oostelijk Havengebied aan de Cruquiuskade dat in 1899 gereedkwam. De eerste pakhuizen daar werden in 1900 in gebruik genomen. Het oude Rijksentrepot verloor zijn functie. Pakhuis Zierikzee en de andere panden gingen voortaan naar particuliere huurders. Alleen als het nieuwe entrepot vol zat, werd er incidenteel nog een beroep op de oude pakhuizen gedaan.
Van pakhuis naar sociale huurwoning
Na de Tweede Wereldoorlog kwamen steeds meer pakhuizen leeg te staan. Het verval ging snel. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig kwamen er allerlei plannen voor de pakhuizen, maar die liepen op niets uit. Pas begin jaren tachtig werd, onder leiding van architect J. van Stigt, begonnen met de verbouwing tot sociale huurwoningen. Waar Koentje ooit mannen zag sjouwen met balen tabak, wonen nu gezinnen, met de uitstraling van een dorp in de stad, met tuinen en terrassen.
Wie vandaag over het Entrepotdok loopt, ziet geen mannen meer die tabak omhoog hijsen, geen scheepsmasten, geen wapperende vlaggen. Maar de pakhuizen staan er nog, in dezelfde lange rij waar Koentje ooit langsliep — op weg naar zijn vader in pakhuis Zierikzee.







