Ko van Geemert noemt zichzelf een echte Plantagist, hij woont nog steeds in het huis aan de Plantage Parklaan waar hij 75 jaar geleden werd geboren. Met meer dan veertig boeken op zijn naam, waarvan meerdere over de Plantagebuurt, verscheen onlangs zijn nieuwste dichtbundel met veertien gedichten en tekeningen over Artis.

Titia Koerten | Foto Björn Martens

Ik tref Ko van Geemert en zijn vrouw Wilma in de lobby van het Hyatt-hotel. Ik kan hem nog net interviewen, want de volgende dag vertrekken ze voor een paar maanden naar Curaçao. Dergelijke lange reizen maken ze vaker. Van Geemert doet er inspiratie op voor zijn wandel- en reisboeken. Zijn dichtbundel over Artis verscheen in augustus. Afgelopen september volgde alweer een volgend boek: over Authentiek Amsterdamse Bruine Kroegen.

Geboortehuis
Ko heeft zijn hele leven in de Plantage gewoond. Sterker nog: hij heeft zijn ouderlijk huis aan de Plantage Parklaan nooit verlaten. Hij is alleen een paar keer heen en weer geswitcht tussen de tweede en derde verdieping. “Het is eigenlijk steeds hetzelfde pand, maar dan op verschillende etages. En het is nooit ons eigendom geweest, ik heb het steeds kunnen huren. Ik hoop daar ook dood te gaan. Nou ja, niet onmiddellijk, maar wel ooit. Als het dan toch moet, dan daar.”

Wilma woont er inmiddels ook zo’n vijftig jaar. “We hebben elkaar in de buurt leren kennen. We zaten allebei op de Gemeentelijke Kweekschool aan de Nieuwe Prinsengracht.” Nu wonen ze op de derde etage en de zolderverdieping. Ook zijn werkzame leven heeft Ko grotendeels in de Plantage doorgebracht. “Ik heb op de Boekmanschool gewerkt als onderwijzer en mijn laatste werkdagen heb ik op het stadhuis doorgebracht. Dat is ook allemaal in de buurt. Ik heb hier veel stappen gezet. Ik ben een echte Plantagist.”

Schooltijd en carrière
Ko zat op de Boekmanschool aan de Plantage Muidergracht. “Op een gegeven moment was er nog een dependance in de Sarphatistraat, zo’n houten gebouw. Daar heb ik ook nog twee jaar gezeten. Daarna ben ik naar verschillende hbs’en gegaan. Het wilde niet helemaal vlotten met mijn schoolcarrière. Uiteindelijk ben ik naar de kweekschool gegaan.”
Na zijn opleiding moest Ko aan het werk als onderwijzer. Er was een vacature op diezelfde Boekmanschool. “Maar dat was niet echt mijn roeping. Gelukkig kon ik een deal maken: als je vijf jaar blijft werken, hoef je niet in dienst. Dat sprak me aan, want ik wilde niet in dienst. Ik was daar te sukkelig voor. En ik ben natuurlijk ook een soort pacifist, een oud-PSP’er. Al weet ik niet of dat in werkelijkheid zo blijft als de nood echt aan de man komt. Maar toen voelde ik er in ieder geval niets voor. Dus dat heb ik vijf jaar gedaan.”

In de tussentijd studeerde Ko pedagogiek. “Maar toen merkte ik: ik ben ook geen pedagoog. Ik had geen kinderen, wilde ook geen kinderen. Dus wat doe ik hier? Toen ben ik Nederlands gaan studeren en een tijdje leraar Nederlands geweest.”

“Uiteindelijk ben ik bij de Stadsreiniging terechtgekomen. Volkomen onlogisch natuurlijk.” Ko kende iemand die daar net directeur was geworden: Jaap Boersma, oud-minister van Sociale Zaken in het kabinet-Den Uyl. “Van de AR, maar desondanks kon ik het heel goed met hem vinden. Ik was inmiddels in de journalistiek terechtgekomen. Op een gegeven moment zei hij: ik heb iemand die het personeelsblad maakt, maar die is ziek. Zou je het niet een paar maanden willen overnemen? Dat heb ik gedaan.” Ko bleef, en volgde cursussen op het gebied van voorlichting en communicatie. “Ik ben toen twintig jaar communicatieadviseur bij de gemeente geweest. Dat was uiteindelijk mijn baan. In 2005 ben ik ermee gestopt om te gaan schrijven. Boekjes, stukjes, wat op mijn pad kwam, en dat doe ik nu nog steeds.”

Vrienden van de Plantage en Plantage Poëzieprijs
In 1991 richtte Ko samen met twee anderen de vereniging Vrienden van de Plantage op. De vereniging zet zich in voor het culturele leven in en rond de Plantagebuurt en organiseert jaarlijks muziekuitvoeringen, een filmfestival, de Plantage Poëzieprijs, lezingen en wandelingen. Ko was degene die de Plantage Poëzieprijs initieerde en was lang voorzitter van de vereniging. “Ik wilde er eigenlijk al een tijd mee ophouden, maar het viel nog niet mee om iemand te vinden die er zin in had en er tijd aan wilde besteden.” Uiteindelijk kon Ko het stokje overdragen aan Leon Deben.
“Ik heb ook een aantal boekjes over de Plantage geschreven. In 1993 kwam mijn literaire wandelgids over de Plantage uit, ik denk dat dat mijn het eerste boekje over de buurt was. Daarna volgden er nog andere: over de Hortus, over Artis en over de geschiedenis van de Plantage.” In 2016 kreeg Van Geemert de Andreaspenning uitgereikt voor zijn werk in en over de Plantagebuurt.

Reis- en wandelgidsen
Ko schrijft niet uitsluitend over de Plantagebuurt. “Ik heb ook over Suriname, Curaçao en Nederlands-Indië geschreven. Nu ben ik al zes jaar bezig met een boek over Japan. We zijn er inmiddels al dertien keer geweest. Ik hou erg van de Plantage, maar ik kijk ook wel buiten mijn buurt.”

Kom je vaak in Artis?
“Ik kwam er als kind al vaak en ik ben nog steeds erg gesteld op Artis. Als het even kan, maak ik ’s morgens een wandelingetje door de tuin, van negen tot tien. Het bundeltje met Artisgedichten werd in de Serre daar gepresenteerd, waarbij ik het eerste exemplaar aan directeur Rembrandt Sutorius aanbood.

Wie heeft die mooie tekeningen voor de Artisbundel gemaakt?
“Ik heb Silvia Russel, een oud-collega uit mijn tijd bij de gemeente, gevraagd of ze er tekeningen bij wilde maken. Ik wist dat ze met kunst bezig was. Ze zei alleen: ‘Ik heb nog nooit een dier getekend.’ Ik zei: ‘Nou ja, dan moet je er nu maar mee beginnen.’ En dat heeft ze ontzettend leuk gedaan, vind ik. Die pinguïn op de voorkant is hartstikke goed, maar er zitten ook nog andere hele leuke tekeningen bij, dus ik was daar heel blij mee.
Het boekje kreeg ook tamelijk veel aandacht, ook in het Parool. Er stond een groot stuk over in de krant. En dat gebeurt ook niet zo vaak. Zeker niet bij de dichtbundels die ik schrijf. Ik was er dus blij door verrast.”

Hoe kwam je er eigenlijk achter dat je poëzie wilde schrijven?
“Dat was op Koninginnedag 1974, ik weet dat nog precies. Nou had ik eigenlijk een hekel aan gedichten, want ik vond het allemaal volslagen aanstellerij. En eigenlijk vind ik dat nog steeds, maar goed. Ik liep buiten en er was dus feest. Toen kreeg ik een paar regels in mijn hoofd. En toen ik ‘s avonds thuiskwam, wist ik ze nog. En ik schreef ze op en ik dacht: verdomd, dit is een gedicht. En dat waren dus mijn eerste schreden op het poëzievlak. Vervolgens ben ik heel veel gedichten gaan schrijven. Ik stuurde ze naar bladen en ik had er succes mee. Er kwamen dichtbundeltjes uit. Maar op een op een gegeven moment is het dichten ook weer een beetje weggezakt. Toen heb ik een hele tijd nauwelijks nog gedichten geschreven. De afgelopen jaren heb ik het echter weer opgepakt. Die dichtbundel over Artis kwam niet uit de lucht vallen. En ik ben nu ook weer bezig. Ik schrijf niet veel; het gaat een beetje in golven.”

Is de Plantage een artistieke buurt?
“Wel een beetje, geloof ik. Maar het zijn natuurlijk ook de duurdere huizen. Dat is juist misschien een reden voor artistieke mensen om er níet te wonen, omdat die op het ogenblik niet zo rijk zijn. Dat geldt voor mij ook een beetje. Als ik er nu zou moeten gaan wonen, dan zou dat niet lukken. Je komt er gewoon niet meer in. Een etage naast ons is net voor anderhalf miljoen euro verkocht. Wie heeft dat? En het zijn ook nog jonge mensen.
Ik denk: dan moet je ontzettend rijke ouders hebben of een hele goede baan. Nee, dat is voor ons niet te doen. Maar goed, ik hoop het uit te zingen, tot ik de pijp uitga.”