In Oost is een Hugo de Vrieslaan, die loopt Amstelstation tot de Middenweg, tussen Park Frankendael en de wijk Jerusalem. En natuurlijk het Hugo de Vriesgebouw bij de Hortus Botanicus aan de Plantage Middenweg. Toegift, ofwel deel 14 van een serie van de gebruikers van het Hugo de vriesgebouw. Wie was deze man en verdient hij zoveel lof als hem werd toegezwaaid?

De groene Plantage, deel 14

Anne-Mariken Raukema

Hugo de Vries (1848-1935) was een alom gewaardeerd en internationaal gerenommeerd Nederlandse wetenschapper: bioloog, botanicus en een van de eerste genetici. In de ‘tweede gouden eeuw’ – de periode rond 1900 waarin Nederland op het gebied van de natuurwetenschappen een leidende rol bekleedde en meerdere Nobelprijzen in de wacht sleepte – werd hij beroemd om zijn mutatietheorie en introductie van de begrippen ‘gen’ en ‘mutatie’.

De Vries bewonderde zijn oudere collega, de Britse wetenschapper Charles Darwin (1809-1882). Deze ging uit van het idee dat er geleidelijke veranderingen optreden onder invloed van het milieu.

Darwin, zijn grote voorbeeld

Als kind zocht de jonge Hugo al naar bloemen en planten. Tijdens zijn studie maakte De Vries kennis met het werk van Charles Darwin. Het zou zijn levenswerk worden om te bewijzen dat Darwin gelijk had gehad met zijn beweringen dat erfelijke eigenschappen gebonden zijn aan deeltjes in de cellen. En dat nieuwe eigenschappen en soorten ontstaan door het plotseling voorkomen van nieuwe deeltjes; de mutatietheorie. De meest overtuigende bewijzen vond hij bij de Grote teunisbloem die onder zijn ogen muteerde en evolueerde.

In 1870 – De Vries was 22 jaar – promoveerde hij en zou zich vijftien jaar lang vrijwel niet met het onderwerp evolutiebiologie bezighouden. Vijf jaar later (1875) werd hem het hoogleraarschap aan de op te richten Landwirtschaftliche Hochschule in Berlijn aangeboden. Hij verhuisde naar Würzburg en ging daar onderzoek doen naar rode klaver, aardappel en suikerbiet. Hij werkte er bij Julius Sachs, hoogleraar in Würzburg. Sachs was destijds net zo beroemd als Darwin, en ook voor hem koesterde De Vries grote bewondering. Bij hem te mogen werken was een voorrecht waarvan De Vries zich terdege bewust was.

Sachs en Darwin waren echter in veel opzichten elkaars tegenpolen, en zo voelde vooral Sachs dat ook. Hij wilde de biologie volledig op experimentele leest schoeien en was een pionier op het gebied van het gecontroleerde experiment in de levenswetenschappen. Van natuurfilosofische speculaties moest hij niets hebben – zelfs het opstellen van hypotheses raadde hij af. Het traditionele natuurhistorische feiten verzamelen, en de daaruit voortvloeiende systematische indelingen van het planten- en dierenrijk, minachtte hij zeer. Sachs droeg zijn visie uit in succesvolle leerboeken, waarvoor hij door de Universiteit van Würzburg beloond werd met een groot en modern geoutilleerd laboratorium, het eerste in zijn soort op het terrein van de biologie.

Hoewel ook Darwin veel experimenten uitvoerde, had Sachs weinig op met diens werkwijze. De gentleman-amateur Darwin deed zijn experimenten thuis, in zijn country house in Down.

Dat kon geen echt laboratorium zijn, vond Sachs. Darwin van zijn kant beschouwde zichzelf als een nazaat van de zeventiende-eeuwse natuurfilosoof Francis Bacon, voor wie experimenten in het brede perspectief stonden van zo veel mogelijk feiten verzamelen over de natuur. Die evolutionaire blik inspireerde Darwin tot vragen en verklaringen die voor Sachs niet door de beugel konden – bijvoorbeeld de veronderstelling dat de gevoelige punt van een uitgroeiende plantenstengel als het ware nadenkt over de richting waarin hij verder moet groeien en daartoe begiftigd is met ‘hersenen’. Voor Sachs waren alleen strikt fysisch-chemische verklaringen toegestaan.

Intussen bleef de stichting van de Hochschule in Berlijn uit en De Vries werd twee jaar later (1877) privaatdocent in de fysiologie van cultuurplanten aan de Universiteit van Halle-Wittenberg. Nog geen jaar later keerde hij naar Nederland terug en werd hier  in de experimentele plantenfysiologie aan de Gemeentelijke Universiteit. De Vries bleef Würzburg regelmatig bezoeken. Datzelfde jaar bezocht hij zijn grote voorbeeld Darwin in Londen.

In 1878, tijdens een bezoek van Darwins zoon Francis aan Sachs’ laboratorium, kwam de tegenstelling tussen beiden scherp aan het licht. In een kort daarop verschenen publicatie schreef Sachs over Darwins ‘foute interpretaties’ en ‘grote vergissingen’. De Vries maakte zich Sachs’ experimentele werkwijze volledig eigen in de acht jaar waarin hij regelmatig langdurige perioden in Würzburg doorbracht.

Maar een honderd procent adept werd De Vries niet. Uit liefhebberij bleef hij bijvoorbeeld altijd wilde planten verzamelen tijdens lange wandelingen door de natuur, iets wat hij vanaf zijn vroege jeugd gedaan had. Andere studenten van Sachs vonden die botaniseertochten maar ouderwets en De Vries zag dat Sachs liefst niet liet merken dat hij best van wilde planten hield.

Voor Darwin was verzamelen daarentegen vanzelfsprekend. De traditionele natuurhistorische attitude verhield zich uitstekend met de enorme breedte van de evolutietheorie. Darwins huis was tegelijkertijd museum en werkplaats; De Vries’ verwachtingen ervan zullen heel wat positiever zijn geweest dan die van Sachs.

Eenmaal terug werd De Vries in 1877 buitengewoon hoogleraar fysiologie en anatomie, en vier jaar later gewoon hoogleraar. Hij gaf colleges over de variabiliteit van planten, en als hoogleraar vooral over geneeskunde en farmacie. Hij werkte ook in de Hortus Botanicus werd er in 1896 directeur. Onder zijn leiding werd de Hortus sterk uitgebreid. Sinds 1889 experimenteerde De Vries met het kweken en kruisen van planten, zoals asters, viooltjes en chrysanten. Hij concludeerde hij dat het erfelijk materiaal van een plant was opgebouwd uit bepaalde eenheden. Iedere eigenschap (zoals de bladkleur) correspondeerde met een specifieke materiaaldrager. Later zouden we dat ‘genen’ noemen.

De wereld van de wetenschappelijk biologen en genetici was destijds nog kleiner dan nu, en de hiërarchie enorm. Toen bekend werd dat Columbia University in New York belangstelling had om Hugo de Vries een betrekking aan te bieden, maakte hij een deal met de Amsterdamse Universiteit. Hij bleef als hij een grote plantenkas en een eigen laboratorium, bibliotheek en collegezaal kreeg. Dat had hij eerder in Duitsland gezien. Deze werden in de Amsterdamse Schoolstijl opgetrokken bij de Hortus Botanicus: het huidige Hugo de Vriesgebouw.

De Vries ging in 1918 op zeventigjarige leeftijd met emeritaat en hield een afscheidscollege ‘Van amoebe tot mensch’. Twee jaar eerder waren zijn vrouw en hij gaan wonen in villa ‘De Boeckhorst’ in Lunteren en liet in de naastgelegen villa, ‘De Driest’ een laboratorium en proeftuin aanleggen. Hij bleef er werken (het kruisen van teunisbloemen) en publiceren tot zijn overlijden in 1935. Villa ‘De Boeckhorst’ heet nu parkhotel Hugo de Vries. Zijn laboratorium is aan de buitenzijde vrijwel onveranderd.

In 2008 promoveerde de historicus Erik Zevenhuizen aan de UvA op Hugo de Vries. In 1996 ontdekte hij op de zolder van Reinout de Vries in Tilburg een correspondentie tussen Darwin en Reinouts grootvader Hugo de Vries. Van het proefschrift – Vast in het spoor van Darwin. In de voetsporen van Hugo de Vries – verscheen ook een gelijknamige handelseditie.

Zevenhuizen beschrijft overtuigend en helder hoe Hugo de Vries zich ontwikkelde van plantenzoekende scholier, via experimenteel onderzoeker van plantengroei tot wereldberoemd evolutionist en geneticus.

De biograaf toont aan dat De Vries zichzelf in zekere zin tekortdeed door al te zeer vast te blijven lopen in Darwins voetspoor. Ook had hij sommigen gebruuskeerd – beide niet gunstig voor zijn reputatie. De Vries liet zich niets welgevallen en betoonde zich een potentaat wanneer iemand hem tegensprak of aanviel. Na zijn dood vereffenden al dan niet vermeende slachtoffers openstaande rekeningen met hem. Dat maakt het schrijven van een biografie van De Vries bij voorbaat tot een hachelijke onderneming. Hoewel hij stierf in 1935, lijken de emoties zowel op wetenschappelijk als op persoonlijk vlak soms nog vers. Als biograaf had Zevenhuizen dus vooreerst de taak om een nieuwe onbevangenheid te scheppen.

Met vaste hand volgde Van Zevenhuizen het spoor van De Vries’ leven (chronologisch) en draaide elke snipper minstens drie keer om. De belangrijkste wetenschappelijke prestaties van bioloog Hugo de Vries raakten omstreden. Dat kwam doordat hij zijn grote voorbeeld Darwin te nauw volgde, volgens de biograaf.

‘Pas’ in 1885 keerde De Vries’ onderzoek terug van de fysiologie van plantengroei naar de erfelijkheid. Zelfs Zevenhuizen komt er niet helemaal achter wat hem daartoe heeft bewogen. Zeker is wel dat hij geïnspireerd was door Darwins theorie over erfelijkheid, in 1868 gepubliceerd in The Variation of Animals and Plants under Domestication. Darwin had zich hierin onder meer voorgesteld dat uit het hele lichaam kleine deeltje zich verzamelen in de voortplantingscellen. Deze kunnen een nieuw geheel organisme voortbrengen. De Vries nam de Darwins idee van een stoffelijke drager van erfelijkheid over. Dat was destijds nog niet vanzelfsprekend. Sachs, bijvoorbeeld, had er geen goed woord voor over.

Zijn leven lang deed De Vries, zijn leerschool bij Sachs getrouw, heel veel experimenten, vooral kruisingsproeven. Op zoek naar materiaalafwijkingen en ‘monstruositeiten’ verzamelde hij ook, waarbij hij bepaald niet kieskeurig was. Zo ontdekte hij op een feestje in een schaaltje aalbessen een wit exemplaar en een afwijkende amandel. Tijdens wandelingen in het Gooi vond hij van allerlei planten ongewone exemplaren en nam die mee naar de Hortus voor nader onderzoek. Steeds probeerde hij te achterhalen of het om erfelijke variëteiten ging of dat ze alleen door bijzondere milieufactoren waren ontstaan.

Hugo de Vries zou zich in de teunisbloem vastleggen en weerlegde elke aanval van collega’s met een nieuw door hem bedacht genetisch mechanisme. Het lijkt een klassiek geval van het overeind houden van een achterhaald paradigma, behalve dat in dit geval de theorie (de mutatietheorie) uiteindelijk zou blijven staan, maar het voorbeeld (de teunisbloem) moest sneuvelen. Zijn tunnelvisie inzake de teunisbloem zou uiteindelijk een doodlopend spoor in het evolutieonderzoek blijken.

De tragiek van De Vries kwam voort uit méér dan alleen een keuze voor de verkeerde plant. Het doen van genetische proeven met planten impliceert een onderzoekstempo dat zich aanpast aan het natuurlijke ritme van de voortplantingscyclus – en die laat zich bij planten in jaren tellen. In 1894 had een oud-leerling van De Vries, F.A.F.C. Went, de suggestie gedaan om met de zich aanzienlijk sneller voortplantende schimmels te werken. Maar De Vries volgde Wents raad niet op. Zevenhuizen beperkt zich ertoe om op droge wijze deze episode te verhalen, maar je hoort hem denken: had hij het maar gedaan.

Al ruim een eeuw is het standaardverhaal als volgt: Darwins theorie was onjuist. Wat nodig was, waren de wetten van genetische overerving, in 1866 gepubliceerd door de monnik Gregor Mendel. Maar Darwin (en niet alleen hij) had Mendels publicatie per ongeluk ongelezen terzijde gelegd. Pas toen de Wetten van Mendel werden herontdekt na Darwins (en Mendels) dood, door onder anderen De Vries, kreeg de evolutietheorie haar benodigde fundering. Helaas voor De Vries brachten daarna andere onderzoekers de echte synthese tussen Darwin en Mendel tot stand. En eigenlijk is helemaal niet zeker of De Vries wel terecht tot de herontdekkers wordt gerekend.

De Vries genoot van alle aandacht die hem ook nog in zijn tijd in Lunteren ten deel valt. Hij krijgt in totaal maar liefst zeven erelidmaatschappen van wetenschappelijke academies, elf eredoctoraten en een hele berg zilveren en gouden erepenningen. Op zijn tachtigste verjaardag in 1928 ontvangt hij uit de hele wereld bijna zevenhonderd telegrammen, brieven en briefkaarten. ‘Op latere leeftijd, als men van zijn herinneringen gaat leven, wordt ijdelheid een der grootste bronnen van genoegen’, schrijft hij in een plakboek. In 1930 had de Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde in Lunteren kunnen vallen.

Uit archieven blijkt dat toen twee Duitse hoogleraren nominaties uitbrachten op plantenonderzoeker Hugo de Vries van de ‘universiteit van Lunteren’. Ook in zijn sterfjaar 1935 zaait, verspeent en plant De Vries teunisbloemen in zijn proeftuin in Lunteren. Op 21 mei valt hij in slaap en wordt niet meer wakker. Op zijn begrafenis spreekt notaris Dinger namens Lunteren een dankwoord uit aan de excentrieke en ‘heevegst eigewiese’ professor en dorpsgenoot: ‘Dat gij, hoe beroemd ook, één der onzen hebt willen wezen, zullen wij met innige dankbaarheid bewaren in ons hart.’

Lees meer over de organisaties in het Hugo de Vries Huis

Met dank aan Erik Zevenhuizens proefschrift wat online beschikbaar is.