[Column Leeuw van Moerkerken]
Ergens in het noordoosten van Brazilië rijd ik rond door het stoffige droge savannelandschap. Ver weg van de Amsterdamse sleur kan ik tot rust komen en rouwen om mijn pas overleden opa: Ewoud Hidde Bon.
Ik bezoek het paleontologisch museum van Santana do Cariri waar ze fossielen uit de omgeving bewaren. Opa was immers dol op fossielen. Mijn belangstelling ging uit naar de Santanadactylus: een vliegend reptiel dat honderd miljoen jaar geleden over de waddenvlakte, die deze regio toen was, vloog met een spanwijdte van zes meter. Het draakachtige monster gleed door de wind, keek loerend naar beneden en plukte zo nu en dan een vis. Eduardo noem ik hem.
Helaas is het fossiel niet aanwezig, want zoals mij ter ore komt, ligt de Santanadactylus achtduizend kilometer verderop in de opslag van ons eigen Artis. Altijd jammer als het land waar je vakantie viert al is leeggeplunderd door je voorouders. In dit geval tamelijk letterlijk: opa was degene die als geoloog het fossiel van Eduardo had gevonden en meenam naar Amsterdam waar hij het cadeau deed aan zijn studievriend Paul.
Opa kende Paul omdat ze als eerstejaars geologie aan de UvA in de jaren vijftig als ontgroening een fles jenever achterover sloegen en met slechts drie lucifers in de donkere hoge schoorsteen van het tegenwoordige gebouw G op Roeterseiland omhoog klommen. Eenmaal boven schreven ze met de houtskool van de lucifers hun naam en lazen ze de spreuk die daar stond: Uit elke diepte gaat een weg omhoog. Het wijdde de aspirant geologen in in het grotachtige stoffige bestaan, dat ze zouden gaan leiden omringd door steen.
De namen van de geologen staan nog altijd in de schoorsteen gekrast, beschut tegen erosie, wachtend tot ooit een volgende baldadige UvA-student de weg uit de diepte omhoog gaat. Zelf ben ik ooit in een poging de schoorsteen buitenom te beklimmen door de UvA-beveiliging naar beneden gehaald. Als ik had kunnen vliegen zoals de Santanadactylus was ik met gemak boven op het Uva gebouw geland en had ik de beveiligers met huid en haar opgegeten.
Paul ontdekte dat het fossiel van Eduardo een nog onontdekte soort was en publiceerde erover. Hij wilde hem naar mijn opa noemen, de ‘Ewoudhiddebonodactylus’, maar opa vond dat maar onzin en suggereerde als naam de vindplaats: Santana, waar Eduardo immers honderd miljoen jaar lang in de geologenhemel lag. Na navraag in Artis, Naturalis, het museum in Santana en de UvA is het mij onduidelijk waar Eduardo zich vandaag de dag bevindt. Misschien is hij in 2003 door de UvA met de andere zeventigduizend kilo bijzondere stenen en fossielen in de vergruizer geëindigd, ik hoop het niet.
Ik noem het exemplaar van de Santanadactylus, die nu de naam UvA M 4894 draagt: Eduardo, de Braziliaanse variant van Ewoud, naar mijn opa, opdat specimen en vinder één worden; en dat opa zelf ook over honderd miljoen jaar als fossiel uit de diepte de weg omhoog gaat.
*Naturalis heeft uiteindelijk tóch laten weten dat zij de fossielen van de Santanadactylus Eduardo bezitten.






