Kras B, een gekraakt pakhuis van Hotel Krasnapolsky, begin jaren tachtig: dat was het eerste onderkomen in Amsterdam van schrijver en filmscenarist Bennie Roeters. Nu woont hij in de Plantage, een stuk rustiger en rianter dan toen. In zijn roman Transformer haalt hij dat roerige krakersverleden weer naar boven.

Jannelies Poelstra | Foto Maria Heijdendael

De hoofdstukken van Transformer hebben de titels van de nummers van de gelijknamige elpee van Lou Reed, een plaat die ik vroeger heb grijsgedraaid. Tijdens het lezen beluisterde ik voor elk hoofdstuk het bijbehorende nummer. In het restaurant van H’Art Museum spreek ik Bennie Roeters over zijn roman, de kraakbeweging en de Plantage.

Je noemt Transformer een zedenroman, maar ik zie ook elementen van een coming-of-ageroman en een thriller.
“Bij het schrijven kwam die vraag ook bij mij op: wat is er met die jongen gebeurd in het verleden? Soms komen er bij het schrijven personages naar boven met verhaallijnen die zo aantrekkelijk zijn dat ze het oorspronkelijke verhaal kunnen verdringen. Dan zou het een psychologische roman worden en dat wilde ik niet. Een moord – die er ook in zit – kan ook zo allesbepalend zijn; ik moest voorkomen dat het een whodunit zou worden. Ik wilde een zedenroman schrijven. Een verhaal over de jaren tachtig in Amsterdam, in de wereld van de kunsten én over de kraakbeweging, verteld aan de hand van scènes. Toen ik me dat realiseerde, kon ik weer verder. Daarom heb ik de moord pas aan het einde verwerkt. Kim is ook geen held die de zaak oplost, maar eerder een antiheld. Hij laat zich meevoeren door personen en gebeurtenissen.”

‘Dan stond je midden in de nacht opeens met je helm en leren jack op straat

Kim, de hoofdpersoon, wordt na een succesvolle carrière als speechschrijver geconfronteerd met pijnlijke herinneringen aan zijn krakersverleden. Hoe autobiografisch is het verhaal?
“Het is zeker geen verwerking van mijn eigen leven. De hoofdpersoon, dat ben ik niet, maar ik kan er niet omheen dat er autobiografische trekjes in zitten. Kim heeft net als ik op zo’n vrije kunstacademie gezeten en in de kraakwereld rondgelopen. Maar ik heb ook eigenschappen van Kim gebaseerd op andere mensen. Als schrijver voeg je elementen samen en maak je een nieuw personage. Toen ik lesgaf aan de Schrijversvakschool liet ik studenten elkaar eerst interviewen. De opdracht was om uit het verhaal van de ander iets te halen dat interessant kan zijn voor een personage of een scène. Zo ontstaan mijn verhaallijnen en personages. Je ‘steelt’ iets van de ander en nu was ik in de gelegenheid om iets van mezelf te stelen.”

Je schreef ook filmscenario’s. Had je niet liever een film gemaakt?
“Nee, het is echt als roman bedoeld. Ik verwachtte die vraag en heb erover nagedacht: voor mij is het schrijven van een roman vergelijkbaar met het ontstaan van een rivier. Aparte stroompjes komen vanaf een berg samen in één grote rivier. Zo komen losstaande ideeën ook samen in een roman. Er is wel een filmische link: die moord kwam voort uit een eerder idee voor een film over de moord op een activist. Het scenario is nooit verfilmd, maar kreeg wel aandacht in de media waarna ik opeens een brief kreeg van de moordenaar, die levenslang had. Hij wilde me helpen met de film. Dat is me altijd bijgebleven, want in mijn veilige schrijversbubbel ken ik geen moordenaars.”

Wat betekent het album Transformer van Lou Reed voor jou?
“De elpee kwam uit in 1972, toen ik uit huis ging. Transformer belichaamde voor mij, een dorpsjongen uit het noorden van het land, stadsmuziek. Lou Reed zingt in Walk on the Wild Side over jongens die in New York belanden en ieder een andere weg inslaan. De een wordt kunstenaar, de ander drugsdealer en weer een ander prostitué. Het zijn jongeren die voor het eerst in aanraking komen met de wetten van de stad. Dat gebeurt ook met Kim. Het album is gearrangeerd door David Bowie: alles klopt en alles heeft betekenis. De elpee markeert voor mij de overgang van lieflijke hippiemuziek naar punk. Transformer was al rauwer. Punk is veel krachtiger als reactie op de gevestigde orde. In veel kraakpanden traden rauwe punkbandjes op.”

‘In mijn veilige schrijversbubbel ken ik geen moordenaars’

In het verhaal is sprake van infiltratie in de krakersbeweging door de politie en de geheime dienst. Was het echt zo spannend?
“De politie hield de krakers in de gaten en de krakers hielden de politie in de gaten. De kraakbeweging ging de gangen na van stillen, agenten in burger. Krakers publiceerden soms zelfs de gegevens van vermeende infiltranten. Dat zouden we nu doxing noemen. Maar er was ook interne controle binnen de krakersbeweging: of je wel links of anarchistisch genoeg was. Ja, het was spannend! Er kon altijd ergens iets gebeuren: een ontruiming of een aanval door een knokploeg. We hadden een sneeuwbaltelefoonlijst om iedereen op te trommelen. Dan stond je midden in de nacht opeens met je helm en leren jack op straat. Nog tollend van de slaap, maar als één groep. Kras B aan de Oudezijds Voorburgwal is nooit ontruimd. De gemeente heeft het pand aangekocht en er HAT-eenheden van gemaakt. Er was woningnood en kraken kreeg brede steun: speculanten lieten in afwachting van betere tijden woningen en panden leeg staan.”

Het boek heet niet voor niets Transformer. Hoe heeft die periode jou gevormd?
“Enorm. We moesten alles zelf doen. Kras B bestond uit kale opslagruimtes. Ik dacht dat ik twee linkerhanden had, maar ik leerde muren bouwen, deuren afhangen, elektriciteit aanleggen en met gasflessen en houtkachels omgaan. De winters waren in die periode zeer koud. Ik leerde overleven. Ook werd ik me bewust van hoe belangrijk wonen is. Als ik nu door Amsterdam fiets, weet ik nog exact waar alle kraakpanden waren.

Maar in maatschappelijke zin heeft de kraak- en kunstenaarsscene ook de stad getransformeerd. Het is misschien een boude bewering, maar krakers en kunstenaars hebben de verloedering van de stad gestopt. Buurten werden aantrekkelijker. Dat patroon zag je ook in andere grote Europese en Amerikaanse steden: krakers, kunstenaars en studenten trekken naar de rafelranden, dan ontstaan broedplaatsen en later volgt gentrificatie. Natuurlijk heeft dat een keerzijde. Mensen met minder geld kunnen in die buurten niet meer terecht vanwege de hoge vierkante meterprijzen, een ontwikkeling die moeilijk is tegen te houden.”

Je woont nu vijf jaar in de Plantage, hoe bevalt dat?
“De Plantage speelt al heel lang een rol in mijn leven. Vroeger ging ik vaak naar films en kunstzinnige premières in Kriterion of Desmet en in de Roetersstraat repeteerde ik voor toneelvoorstellingen. Ik monteerde films in de buurt en de filmacademie zit om de hoek. Eigenlijk wel bijzonder: toen ik mijn vrouw leerde kennen, woonde ze in een studentenhuis tegenover Swift bij het Wertheimpark. Nu wonen we daar ook tegenover en tennis ik er bij de 55-plussers van PST (de Plantage Speelt Tennis). Hiervoor woonden we in Oud-West. Bij het zoeken naar een woning hebben we ook in Oud-Zuid gekeken. Maar daar woont toch een ander slag mensen.

Toen een oud-buurman ons kwam helpen met stuken, vertelde hij dat zijn moeder, een echte Jordanese, had gezegd: ‘De Plantage? Dat is zo’n droevige buurt.’ Zo stond de Plantage tot lang na de oorlog bekend. De Jodenvervolging heeft hier diepe sporen achtergelaten, waardoor de buurt door de jaren heen een groot monument is geworden, met musea, meerdere herdenkingsplekken en struikelstenen. Voor de oorlog was de Plantage een buurt met veel vertier, met theaters en cafés. Gelukkig is de vrolijkheid teruggekomen. Mij krijg je hier niet meer weg.”

Bennie Roeters kwam na zijn studie aan de Vrije Academie Psychopolis in Den Haag naar Amsterdam, waar hij aan de slag ging als film- en televisiescenarist. Op latere leeftijd ging hij romans schrijven. Ook doceerde hij aan de Schrijversvakschool, de Nederlandse Filmacademie en Crea. Transformer (Uitgeverij Passage, € 24,90) is verkrijgbaar bij de boekhandels het Fort van Sjakoo, Pantheon en Scheltema.
Previous articleHoofdstraat van de Plantage op de schop