Wie zijn ouders kwijtraakt, begint veel later aan de voorjaarstrek en heeft een veel kleinere kans om het volgende jaar te halen. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van bioloog Hans Linssen en zijn collega’s. Hun onderzoek laat zien hoe belangrijk gezin, leren en sociale banden zijn voor jonge kleine zwanen.

Tekst: Anita Boelsums | Foto’s: Frank Schoevaart en Hans Joachim August

In Nederland komen drie soorten zwanen voor: de knobbelzwaan, de wilde zwaan en de kleine zwaan. De knobbelzwaan heeft een oranjerode snavel en een zwarte knobbel. Hij is het hele jaar te zien. De wilde zwaan en de kleine zwaan zijn vooral wintergasten en hebben een geel-zwarte snavel. De kleine zwaan is duidelijk kleiner dan de andere. 

‘Nederland is van oudsher het land van de kleine zwaan,’ vertelt Linssen. In de winters kwamen hier ooit wel twintigduizend vogels samen, afkomstig van hun broedgebieden op de Arctische toendra van Europees Rusland. Tegenwoordig overwinteren steeds meer kleine zwanen noordelijker, vooral in Duitsland en Polen. Kleine zwanen blijken te leren van hun ouders, onthouden plekken en maken soms opvallende individuele keuzes. 

Spectaculair 

Hans Linssen (32) groeide op aan de rand van Nijmegen. Als jongetje was hij al voortdurend met dieren bezig, maar vooral vanuit zijn boeken. Toen hij biologie ging studeren in Wageningen kwam hij studiegenoten tegen die al jaren vogels keken en moeiteloos soorten herkenden. Hij kocht een vogelgids en ging met hen op pad. ‘Dat opende mijn ogen,’ vertelt hij. Hij raakte vooral gefascineerd door de vogeltrek. ‘Het is gewoon iets spectaculairs, die vogelbewegingen. Dat ze de halve wereld overvliegen elk jaar.’ Na zijn studie kon Linssen promotieonderzoek gaan doen aan de Universiteit van Amsterdam naar de kleine zwaan. Dat paste precies bij zijn belangstelling voor vogelmigratie en de invloed van de omgeving daarop. 

Hans Linssen: ‘Niet alles wat kleine zwanen doen is evolutionair optimaal. Net zo min als bij mensen.’

Zwanen volgen met GPS 

Linssen en zijn collega’s wilden weten waarom de kleine zwaan steeds minder ver naar het zuiden vliegt in de herfst en winter. Spelen de steeds warmere winters een rol? Passen individuele zwanen hun gedrag tijdens hun leven aan? Of nemen jonge vogels vooral de route van hun ouders over, en blijven ze daar hun leven lang aan vasthouden? 

Om dat uit te zoeken volgden zij 55 kleine zwanen uit twaalf gezinnen met GPS-zenders. Die leveren een schat aan informatie op. ‘Elke vijf minuten krijg je een locatie door,’ legt Linssen uit. ‘Zo kun je veel meer in detail kijken naar dingen als: waar gaan ze heen? Waarom?’ De zenders worden bevestigd aan een halsband. Daarvoor moeten ze de vogels eerst vangen met een groot net. Dat gebeurt op plekken waar die zwanen regelmatig eten. Het is een behoorlijke operatie, met een team van ongeveer tien mensen. Na metingen, bloedafname en het aanbrengen van de zender worden de kleine zwanen zo snel mogelijk weer vrijgelaten. 

Invloed 

De onderzoekers zagen dat jonge zwanen veel langer bij hun ouders blijven dan je verwacht. Ze spenderen de eerste winter van de jongen samen en trekken in het voorjaar ook samen weer naar het noorden. Pas in de buurt van het broedgebied, wanneer de jongen bijna een jaar oud zijn, gaan ze uit elkaar. 

Daarna blijken de ouders nog steeds invloed te hebben. Jonge zwanen keren in hun volgende winters vaker terug naar gebieden waar ze eerder met hun ouders zijn geweest. ‘Die ouders geven hun jongen informatie: hier zijn goede plekken.’  

Schrijnend 

Wat er gebeurt als die ouders wegvallen, konden de onderzoekers door een tragische gebeurtenis onderzoeken. In de winter van 2021 drongen jagers een beschermd natuurgebied in Duitsland binnen om vogels te schieten. Onder de overlevende jonge zwanen waren er tien die hun ouders waren kwijtgeraakt. 

Die jongen vertrokken in het voorjaar gemiddeld bijna een maand later naar het noorden dan jonge zwanen die nog bij hun ouders waren, nadat eigenlijk alle kleine zwanen alweer verdwenen waren uit Nederland. Slechts één van de tien wist zich, voor zover de onderzoekers konden vaststellen, bij een ander gezin aan te sluiten. De andere negen bleven alleen. Uiteindelijk haalden maar vier van de tien de volgende winter. Bij jongen die hun ouders niet verloren was de overleving maar liefst 85 procent. Linssen: ‘Schrijnend. Leven en leren in gezinsverband is voor de jonge zwanen dus van levensbelang. 

Ontmoeting op Nova Zembla 

Eén jonge zwaan had geluk. Zij verloor haar moeder tijdens de verstoring in Duitsland en trok die winter met een ander gezin mee naar Groot-Brittannië. Later raakte ze ook die groep kwijt en begon ze alleen aan de voorjaarstrek. Anderhalf jaar na het verlies van haar ouders gebeurde iets opmerkelijks. Aan het eind van de zomer op Nova Zembla, midden in het uitgestrekte broedgebied, ontmoette ze haar biologische vader opnieuw. Linssen kon dat dankzij de GPS-gegevens reconstrueren. ‘Haar vader vloog over haar heen, op ongeveer tachtig meter hoogte, maar landde. En toen waren ze opeens bij elkaar, wonderlijk en ontroerend.’ Daarna trokken vader en dochter nog ongeveer twee weken samen naar het zuiden.  

Niet iedereen dezelfde route 

Juist doordat Linssen individuele zwanen jarenlang kon volgen, zag hij hoeveel verschil er tussen vogels bestaat. Eén zwaan vloog bijvoorbeeld drie jaar achter elkaar in de lente veel verder naar het oosten dan haar soortgenoten. Hij trok ver Rusland in en stak zelfs de Oeral over. Waarom? Linssen weet het niet. Misschien vond de zwaan daar een goed gebied. Misschien was hij ooit verkeerd gevlogen en beviel die route hem vervolgens, kwam hij kleine zwanen tegen van de Centraal-Aziatische trekroute. Het kan ook toeval zijn. 

Die variatie vindt hij interessant. Het is met de tracking-technieken van nu makkelijk om te zeggen wat kleine zwanen gemiddeld doen, maar dat is niet het meest interessant. Individuele vogels kunnen daar namelijk sterk van afwijken. Dat heeft gevolgen voor hoe we naar dieren kijken. ‘Het is niet zo dat alles wat ze doen evolutionair optimaal is,’ zegt Linssen. ‘Eigenlijk net zo min als bij de mens.’ 

Keuzes 

De flexibiliteit van de kleine zwaan is maar goed ook. Door de steeds warmere winters schuift het wintergebied geleidelijk op naar het noordoosten. Linssen vond aanwijzingen dat individuele vogels die verschuiving tijdens hun eigen leven maken, in respons op de omgevingstemperatuur. ‘Dat zijn dus echt keuzes.’ 

Toch gaat het niet goed met de populatie. De West-Europese populatie is sinds de jaren negentig sterk afgenomen: van ongeveer 30.000 vogels naar zo’n 12.000 nu. Het broedsucces is al sinds de jaren 2000 laag. De zenderdata van Linssen laten zien bleek dat jaarlijks erg weinig zwanen überhaupt aan een broedpoging beginnen, zo’n 30%. Waarom, is nog altijd niet duidelijk. Mogelijk is de jacht een bedreiging. Bij ongeveer één op de drie onderzochte zwanen zijn hagelkorrels in het lichaam aangetroffen. Kleine zwanen zijn beschermd, maar in het Russische broedgebied worden volgens onderzoekers toch vogels geschoten. Of verwondingen door hagel ook bijdragen aan het lage broedsucces is nog niet bewezen. 

Dieren zijn ook individuen

Compassie 

Is hij zelf in de loop der jaren anders naar dieren, naar vogels gaan kijken? ‘De traditionele opvatting is natuurlijk een beetje dat dieren een soort geoptimaliseerde machines zijn’, zegt Linssen. ‘Maar dat verklaart eigenlijk zo weinig van wat we zien. Het zijn ook gewoon maar individuen die hun best doen to make ends meet. Dat geeft mij veel waardering en compassie voor die vogels. Ik hoop dat dat voor iedereen geldt!’ 

Vorig artikelOver het Richard Pakkerpad
Volgend artikelNieuwe roman kruipt onder je huid