In de Witte Boei vertelt een vrouw dat ze op Wittenburg opgroeide en bij Stork Werkspoor Diesel werkte toen de hele wereld daar machines bestelde. Benieuwd geworden, maak ik een afspraak met Betty Kaan (1948) en haar man Dok (1943). Samen schetsen zij een beeld van persoonlijke en algemene veranderingen op de Oostelijke Eilanden vanaf de jaren vijftig.

Heleen Verschuren | Foto Maria Heijdendael

Waar en hoe woonde je, Betty?
“Ons gezin van twee kinderen woonde op de Grote Wittenburgerstraat. Daar woonden ook zulke grote gezinnen dat de kinderen niet allemaal thuis sliepen, maar bij familie in de buurt of op de doorlopende zolders. Wij vroegen ook niet aan elkaar waar je woonde, maar waar je sliep. We speelden altijd buiten. De kleuterschool was achter een poortje waar nu de Albert Heijn is. Daarna ging ik naar de Parelschool. In 1961 zou Wittenburg gesaneerd worden en we verhuisden daarom naar de net gebouwde Westelijke Tuinsteden.”

Wat speelden jullie?
“Niemand had een auto, dus we letten alleen op de vrachtwagen van Proost en Brandt, de papierfabriek op de plek waar nu de Witte Boei staat. We deden priktollen of een ‘dempie’ maken: afval en aarde in het water gooien om een eilandje te maken en te verdedigen. Wie in het water viel werd eruit getrokken. De voddenloods bij een helling voor kleine bootjes was ook speelterrein. Bij ‘slagbal met rondjes’ waren onze ouders, hangend vanuit de ramen, de scheidsrechters.”

Vijftig strafregels schrijven op het politiebureau
Dok vertelt: “Ik sloop met vriendjes ook door de treinwagons op de Rietlanden of in de pakhuizen met noten en vruchten aan de Oostelijke Handelskade. Heel spannend was het om staand op de hijshaak van een kraan door vriendjes omhoog getrokken te worden. Als je in de pakhuizen langs de Kattenburgergracht door de politie werd gesnapt, moest je op woensdagmiddag op het bureau daar wel vijftig strafregels komen schrijven!”

Dok woonde in de Watergraafsmeer, maar kwam vaak op de Eilanden. Eén opa werkte bij Werkspoor als krasseur. Hij mat stalen onderdelen na en gaf met een kraspen aan wat er nog aan tiende millimeters vanaf moest. Zijn andere opa had slijterij en proeflokaal ‘De Wassenaar’, vernoemd naar een vlaggenschip van de Marine. De slijterij met een bovenwoninkje zat op de hoek van de Grote Wittenburgerstraat met de Wittenburgergracht waar nu fietsenzaak ’t Poortje zit. In een apart kamertje studeerde Doks vader later medicijnen. Dok: “’s Morgens stonden er voor het gebouw van Werkspoor kramen met borreltjes klaar. De mannen kwamen aan, gooiden geld neer en dronken een glas voordat ze naar binnen gingen. Mijn vader vond dat dit op moest houden en werd lid van de blauwe knoop.”

Een heel snelle carrière
Betty: “Op mijn zestiende was ik jongste bediende op een advocatenkantoor en later secretaresse van directeur Ja cobi van Artis. Ik had mezelf geleerd te typen en een cursus steno gevolgd. Je kon toen overal werk vinden. Wij waren in
1969 getrouwd en hadden twee jaar voor het werk van Dok in Almelo gewoond. Bij terugkeer woonden we in de Czaar Peterstraat. In een krantenadvertentie vroeg Werkspoor om een telefoniste. Dat was om de hoek en ik solliciteerde. Maar ik ging er naar binnen om telefoniste te worden en ik kwam eruit als secretaresse van de directeur Verkoop!”

Kon dat zomaar?
“Blijkbaar hadden ze dringend iemand nodig! 1972 was een topjaar, met een nieuwe dieselmotor van twee verdiepingen hoog die wereldwijd werd geleverd. Met de blauwe kraan op de VOC kade werd hij op een schip gehesen. Dat voer naar een ander schip, waar die motor werd ingebouwd, of naar Arabische landen als generator voor elektriciteitsopwekking.

Het was niet altijd even makkelijk. Onder mij werkten oudere dames en meisjes en dat kon ik nog helemaal niet aan. Er was een telexiste die stipt om vijf uur ophield. Maar door het tijdsverschil met Amerika ging die telex door en dat waren juist de belangrijke uren. Met de telefooncentrale idem dito. Voor dat avondwerk kon je niemand krijgen. Zo leerde ik telex bedienen, ponsstroken lezen en de telefooncentrale beheren. Wat ik geweldig vond, was dat de hele wereld door mijn kamertje heen kwam. Ook mannen uit China in van die Mao pakjes, Amerikanen op laarzen of een sjeik uit Abu Dhabi.”

Waarom stopte je ermee?
“We woonden in zo’n piepklein woninkje met een wc in de keuken. Dok moest zich er ’s ochtends ook scheren. Er stonden nog wat kopjes op dat kleine aanrechtblad. Opeens veegde hij in één keer dat hele aanrecht leeg.” Dok: “Het was een soort wanhoopsdaad. Al onze beslissingen liepen dood op dat rothuissie! We verdienden best goed samen en verhuisden in 1971 naar de nieuw gebouw de Bijlmer.” Betty vervolgt: “In 1973 werd onze eerste dochter geboren, ik stopte bij Werkspoor en werd secretaresse voor Dok, die zelfstandig was geworden als reclametekstschrijver. Die eerste tijd in de Bijlmer was heel leuk, met een beetje revolutionaire bewoners. Zo werd het betaalsysteem van de parkeergarage gekraakt waardoor iedereen daar gratis parkeerde. Toch werd ik gek van die Bijlmer want het was één grote zandvlakte met stalen platen en een houten keet als supermarkt. We kochten een huis in de Watergraafsmeer.”

Voorstellingen verkopen over de hele wereld
Betty: “Na ons tweede kind ging ik in de jaren tachtig weer buitenshuis werken. Eerst bij Beeldenstorm. Dat zat in het katholieke zusterhuis wat nu hotel Arena aan de Mauritskade is. Wij verkochten voorstellingen van artiesten zoals Beppie Melissen, Frank en René Groothof, Hinderik de poppenspeler en Theo & Thea. Daarna werkte ik bij STOA, ook zo’n verkoopbureau. Dat zat in een schuilkerk aan de Plantage Muidergracht 155. De kerkruimte was toen een grote zaal die eerst repetitieruimte was van Krisztina de Châtel en later van Truus Bronkhorst. In 1988 werd ik haar zakelijk leider en verkocht voorstellingen in allerlei landen waaronder Amerika. Ik reisde dan mee.”

Betty en Dok concluderen.“Toen ons huis te groot werd, zou het bijna onmogelijk zijn geweest om niet in 1018 terug te keren. Onze dochters wonen op de Eilanden, de klein zoons gingen naar de BOE en wij verhuisden naar Aquartis aan het Entrepotdok.’