Het laatste weekend van september (vrijdagmiddag 26 t/m zondagavond 28) wordt in Huis De Pinto het 50-jarig bestaan van het Pintohuis gevierd. Sinds er culturele en literaire activiteiten worden georganiseerd heet het Huis De Pinto, al spreekt de volksmond nog van Pintohuis, begrijpelijk. Hans van Lent, historicus, Pinto-vrijwilliger en buurtbewoner, houdt al heel lang de geschiedenis van het pand en de familie De Pinto bij. Hier zijn verhaal over een bijzonder monument.

Hans van Lent

Huis De Pinto is wel eens omschreven als het enige grachtenpand in Amsterdam dat niet aan een gracht staat. Sterker nog, het staat aan een nog steeds tamelijk drukke stadsstraat, de Sint Antoniesbreestraat, en voor je het weet ben je er voorbij. We horen bezoekers vaak zeggen: ‘Ik ben hier al zo vaak voorbijgekomen, maar nu heb ik besloten om het huis echt eens goed te bekijken.’

Wat heeft Huis De Pinto ons te vertellen?
Huis De Pinto is vooral om twee redenen van historische betekenis voor Amsterdam en interessant om te bezoeken. Ten eerste kan het huis ons een indruk geven van het leven van een rijke, succesvolle Sefardisch-joodse familie in de bloeitijd van Amsterdam tussen 1650 en 1750. Ten tweede betekende het behoud en de restauratie van het pand in 1974-1975 dat het historisch stratenpatroon van de buurt bleef bestaan en dat er voor het eerst op grote schaal nieuwe huurwoningen gebouwd gingen worden en nog bestaande woningen opgeknapt werden.

De Lastage, Jan Jansz Carel en zijn zoon
Het gebied van de huidige Nieuwmarktbuurt heette vanaf de vijftiende eeuw de Lastage. Deze naam verwijst naar de techniek om met behulp van een grote hijskraan het lege ruim van een zeeschip te vullen met stenen of zware voorwerpen om de stabiliteit te bewaren. De Lastage lag aan de oostzijde buiten de stadsmuur van het middeleeuwse Amsterdam, het Amsterdam-Oost van toen. Hier ontwikkelden zich scheepswerven met houtzagerijen, lijnbanen voor de touwslagerij en teerketels voor het breeuwen van de schepen. Ook kwamen er geleidelijk aan huizen bij.

Jan Jansz Carel liet rond 1602 een dubbel woonhuis optrekken

Belangrijk voor de Amsterdamse economie, maar door de groeiende overbevolking van de stad binnen de muren en de behoefte om de stad goed te kunnen verdedigen nam het bestuur na 1578 de beslissing om de stad in oostelijke richting uit te breiden voor de scheepsbouw en een nieuwe verdedigingslinie. De Lastage werd een woonbuurt met de Sint Antoniesbreestraat als hoofdstraat. Er vonden geen onteigeningen plaats en daar ontleent de buurt zijn karakteristieke, grillige stratenpatroon aan.

Aan deze straat op de oude zeedijk richting Muiden liet Jan Jansz Carel rond 1602 een dubbel woonhuis optrekken voor hem en zijn zoon met aan de achterzijde pakhuizen aan de gracht. Hij was een van de tienduizenden zuiderlingen die na 1585, toen de Spanjaarden in de Tachtigjarige Oorlog steden als Antwerpen, Gent en Brugge weer in handen kregen, naar Amsterdam trok en hier als zuivelhandelaar, maar later ook met andere handelsondernemingen groot succes had. Hij klom zelfs op tot een van de eerste bewindvoerders van de nieuw opgerichte Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Hij overleed in 1616 en zijn zoon in 1620 en het huis werd verkocht. Het heeft een aantal opeenvolgende eigenaren gekend tot Isaac De Pinto het in 1651 aankocht.

Een eeuw de familie De Pinto in Amsterdam
De familie De Pinto is ruim een eeuw de trotse bezitter geweest, maar het huis heeft in Amsterdam pas een legendarische naam gekregen na de grote verbouwing van 1686 door David Emanuel De Pinto, die er een Hof, een stadspaleis, van liet maken. De geschiedenis van de familie De Pinto is belangwekkend genoeg om hier wat uitvoeriger te behandelen. De bronnen voor onze kennis van de familie zijn wat beperkt, maar toereikend genoeg om van het begin tot het eind van alle hoofdbewoners van het Huis De Pinto iets opmerkelijks te vertellen.

Abraham De Pinto (1588-1668)
De eerste De Pinto die de beslissing nam om vanuit Portugal naar het noorden te gaan was Abraham De Pinto, alias don Gyl Lopes Pinto (zijn Portugese naam), geboren in Lissabon in 1588. Hij kwam in 1607 aan in Antwerpen, toen nog steeds een belangrijke haven- en handelsstad, en bouwde met zijn broer David een groot handelshuis op dat in heel Europa bekend raakte. Ze trouwden er, stichtten er gezinnen en behoorden al snel tot de aanzienlijke Antwerpenaren. Ze hadden als conversos (tot het katholicisme bekeerde joodse families) een belangrijke positie in de door Spanje bestuurde Zuidelijke Nederlanden. Toch besloten ze in het geheim in 1646 na de nodige voorbereidingen naar Rotterdam in de Republiek te gaan. Daar bestond al een kleine Sefardisch-joodse gemeenschap waar ze zich bijvoegden door zich laten te besnijden door een rabbijn uit Amsterdam, een synagoge in te richten en een leerschool op te richten voor de studie van de Talmoed en de Thora, de Jesiba de los Pintos.Al snel behoorden ze tot de rijkste inwoners van Rotterdam. Abraham is er in 1668 op de joodse begraafplaats begraven.

Isaac De Pinto (1629 – 1681)
De broers Isaac en Jacob De Pinto brachten hun jeugd door in Rotterdam, maar voelden de aantrekkingskracht – economisch en religieus – van Amsterdam waar een groeiende Sefardisch-joodse immigrantengemeenschap aan het ontstaan was. Isaac slaagde er in om in 1651 voor 30.000 gulden, een fiks bedrag, het grote pand aan de Sint Antoniesbreestraat te kopen. Zijn broer Jacob ging het voorlopig bewonen, omdat de vrouw van Isaac in Rotterdam in verwachting was. Helaas overleed zij in het kraambed, maar zijn zoon David Emanuel bleef in leven en zij zijn vervolgens ook naar Amsterdam verhuisd. Onder druk van de familie is Isaac in 1654 opnieuw getrouwd en de bruiloft in het nieuwe huis schijnt groots en opvallend gevierd te zijn. Isaac is met de opbouw van een handelsfirma met contacten in heel Europa en een groeiende belangstelling voor financiële transacties op de Beurs in Amsterdam plus investeringen in de VOC en WIC (West-Indische Compagnie) meegegaan in de enorme groei van Amsterdam in de tweede helft van de zeventiende eeuw.

Mee in de enorme groei van Amsterdam in de tweede helft van de zeventiende eeuw

Daarnaast heeft hij als voortrekker ook veel tijd en geld gestoken in de religieuze activiteiten van de Sefardische gemeenschap die klein was, maar naar schatting tussen 1650 en 1675 steeg van 1400 naar 2230 personen. Hij haalde de religieuze school Jesiba de los Pintos in 1669 van Rotterdam naar Amsterdam, maar ook speelde hij een belangrijke rol bij de bouw van de Portugese synagoge, ook wel Esnoga of Snoge genoemd. Deze synagoge wordt in 1675 geopend en Isaac en andere leden van de familie De Pinto zijn prominent aanwezig. Het is een indrukwekkend gebouw, ontworpen en gebouwd door Elias Bouman. Aan de buitenkant maakt het een fraaie, statige indruk en het interieur kenmerkt zich door een enorme ruimtelijkheid. Het was dan ook de grootste synagoge van Europa op dat moment. Dat bevestigt de uitzonderlijke positie van de sefardische joden in Amsterdam en in heel Europa in de zeventiende eeuw.

David Emanuel De Pinto ( 1652-1712)
David Emanuel De Pinto trouwde in 1671 met zijn volle nicht Rachel de Pinto. Dit was in Sefardische kringen niet ongebruikelijk. Het echtpaar bleef kinderloos. In 1681 overleed zijn vader Isaac en nam David Emanuel het bedrijf over. Hij is de initiator van de grote verbouwing van het huis in 1686. Het zou heel goed kunnen dat Elias Bouman, die ook verantwoordelijk was voor de bouw van de Esnoga, de opdracht heeft gekregen, maar daarvoor zijn geen schriftelijke bewijsstukken. Het huis is grondig verbouwd, zowel buiten als binnen. De dubbele trapgevel werd vervangen door een zandstenen lijstgevel in de stijl van het zeventiende-eeuwse Hollands Classicisme. Het is een monumentale gevel van vijf raampartijen breed. De gevel is aan de bovenkant afgewerkt met een kroonlijst en daarbovenop een balustrade. Twee vierkante schoorstenen en een zadeldak torenen daar nog bovenuit.

Huis De Pinto aangevallen door een menigte oproerkraaiers

Ook het interieur werd rijk versierd  met cassetteplafonds met klassieke motieven zoals putti’s en vogels en gedecoreerde balken. Bij de restauratie van 1974-1975 is dit alles zo goed mogelijk teruggebracht met een aantal vervangingen in dezelfde figuratieve stijl. Een schokkende gebeurtenis dient nog vermeld te worden. Bij het Aansprekersoproer van 1696, tien jaar na de verbouwing, is Huis De Pinto door een menigte oproerkraaiers aangevallen op zoek naar kostbaarheden. De schutterij heeft uiteindelijk met geweld de orde weer hersteld. Er werden twee doden geteld, 27 plunderaars werden gearresteerd en berecht. Dit leidde tot vijf doodvonnissen die ook uitgevoerd werden. De familie De Pinto was die dag niet thuis.

David De Pinto (1692-1751)
Deze neef van David Emanuel kreeg in 1712 de leiding van het familiebedrijf. Hij trouwde met Lea Ximenes Belmonte en ze kregen drie zoons: Aron, Isaac en Jacob. In 1717 had hij al genoeg vermogen in handen om de buitenplaats Tulpenburgh langs de Amstel te kopen. Hij bleef in de Sint Antoniesbreestraat wonen met zijn gezin en hij gebruikte zijn landgoed vooral om belangrijke gasten te ontvangen en zaken te doen. David De Pinto had heel wat inkomensbronnen. Hij was grootaandeelhouder van de VOC en de WIC en de familie bezat ook een plantage in Suriname, Tulpenburgh geheten. Met de VOC-aandelen werd ook gespeculeerd op de beurs. David had een groot netwerk in Europa van familie, kennissen en geloofsgenoten. Denk hierbij aan andere belangrijke financiële handelscentra als Antwerpen, Hamburg en Londen. Daarnaast werden in de achttiende-eeuw de staatsleningen aan Europese vorsten steeds belangrijker. Er waren heel wat oorlogen en die moesten gefinancierd worden. Een voorbeeld hiervan heeft zich ook in de Republiek voorgedaan.

Vriendschappelijk band tussen de stadhouder en De Pinto’s

Toen in 1747 Franse troepen optrokken naar het noorden en de vestingstad Bergen op Zoom veroverden, hebben David en zijn zoon Isaac een grote lening verstrekt aan de stadhouder Willem IV om de verdediging van de Republiek te versterken. Gelukkig kon in 1748 de Vrede van Aken getekend worden. Er ontstond een vriendschappelijk band tussen de stadhouder en De Pinto’s met als hoogtepunt voor de familie in 1750 een plechtig bezoek van Willem IV aan het landgoed Tulpenburgh, waar hij onthaald werd op een wandeling door de schitterende tuinen, een groots diner aangeboden kreeg en zelfs een nacht logeerde. Het jaar daarna overleden zowel de stadhouder als David De Pinto. De erfenis werd als volgt onder de kinderen verdeeld: Aron erfde het huis en de inboedel aan de Sint Antoniesbreestraat terwijl het buiten Tulpenburgh gemeenschappelijk bezit van hem en Isaac werd. Alle broers ontvingen bovendien nog een kapitaal geldbedrag.

Isaac De Pinto ( 1717 – 1787)
Isaac werd in 1717 als middelste van drie broers geboren. Zij waren de laatste De Pinto’s die in het huis aan de Sint Antoniesbreestraat zouden opgroeien. Ze kregen alle drie, waarschijnlijk van huisleraren, gedegen onderwijs op hoog niveau. Vooral Isaac was zeer talentvol. Hij heeft gedurende zijn hele leven onder invloed van de Europese Verlichting nieuwe denkbeelden ontwikkeld op filosofisch, maar ook op praktisch-organisatorisch gebied, die hij in brieven en publicaties met vele mensen, joden en niet-joden, heeft gedeeld en bediscussieerd. In 1734 trouwde Isaac met Rachel Nunes Henriquez en vertrok naar de Nieuwe Herengracht. Het echtpaar bleef kinderloos.

Het is moeilijk vast te stellen welk aandeel de zoons precies hebben gehad in het familiebedrijf. Het lijkt er op dat Isaac de meest vooraanstaande rol heeft gespeeld. Zowel als penningmeester van het bestuur van de Portugese Synagoge als in de contacten die zijn vader David onderhield met stadhouder Willem IV. Isaac schreef voorstellen aan de stadhouder voor de verbetering van de Hollandse financiën waarbij hij zijn denkbeelden over openbaar krediet, de omgang met staatsschulden en de rol van de geldomloop gebruikte. Er werd wel naar hem geluisterd, maar tot uitvoering kwam het niet. In eigen joodse kring heeft hij vooral voorstellen gedaan om de groeiende armoede onder de joden in Amsterdam te bestrijden. Die varieerden van gedwongen migratie van paupers naar Suriname tot het opengooien van de voor joden gesloten gilden om joden meer kans te geven op de arbeidsmarkt. Ook daar kwam nauwelijks iets van terecht.

Familie De Pinto vertrokken naar Den Haag

Een breuklijn in zijn leven was het ongeluksjaar 1751 toen stadhouder Willem IV en zijn vader David stierven. Er kwam wel een grote erfenis los, maar er doken bij de drie broers in de jaren vijftig toch grote financiële problemen op. In 1754 bij Jacob die onder curatele kwam te staan, vervolgens bij Aron in 1756 die genoodzaakt werd om het huis aan de Sint Antoniesbreestraat te verkopen aan de apotheker Avink. Tenslotte kwam Isaac in 1761 ook in acute geldnood met als gevolg dat zijn huis aan de Nieuwe Herengracht en het landgoed Tulpenburgh gedwongen verkocht moesten worden. Vermoedelijk waren zijn buitenlandse beleggingen in de aandelen van de Engelse Oost-Indische Compagnie en de Franse en Engelse staatsfondsen in de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) daar de oorzaak van. Een officieel opgetekend faillissement is niet teruggevonden, maar de familie De Pinto is vertrokken van Amsterdam naar Den Haag, waar opmerkelijk genoeg toch nog een mooi pand aan de Voorhout aangeschaft kon worden. Daar is Isaac De Pinto in 1787 overleden.

Check www.huisdepinto.nl