Home Eva Kwakman Lang leve Holland

Lang leve Holland

0

Het was de eerste nacht dat de stad niet sliep, de nacht van 26 juni. Met vriendin F. stond ik in Paradiso te dansen en te zweten, met andere lichamen vlak naast ons, alsof het 2019 was. En zo voelde het ook: alsof de hele coronaperiode een droom was geweest en we in één keer waren teruggegooid in het normaal. Op het feestje werd met name dancehall, soca en afrobeat gedraaid; muziekstijlen waar de gemiddelde witte Nederlander nog nooit van heeft gehoord. En wit was het publiek dan ook niet. ‘Ik denk dat ik daar niet heen kan, de mensen die daar komen zijn veel te intimiderend’, had een andere vriendin gezegd toen ik haar had meegevraagd naar het feest. Intimiderend? De paar witte mensen die er waren stonden ook nog in groepjes bij elkaar, niet gemengd met het rijke palet aan andere huidskleuren. Zo ook ons eigen groepje, moest ik met enige schaamte vaststellen. Dat waren nou eenmaal onze vrienden. Onze witte vrienden.

Toen ik halverwege de avond helemaal was losgekomen, zonder rem stond te dansen en een vrijheid voelde die ik anderhalf jaar niet had gevoeld, kwam er een jongeman tegenover me dansen. Zijn ritmische bewegingen waren niet groot, maar wel doordrenkt van soul, genot en gevoel voor de muziek. Hij stak mij aan en ik stak hem aan. We gingen om de beurt mee met elkaars bewegingen als in een onafgesproken balspel (‘I was like, white girl got moves’, zou hij later naar me appen) en glimlachten breed naar elkaar, genietend van de muzikale klik waar geen woorden aan te pas hoefden te komen. Ondertussen kwam hij steeds dichterbij, totdat we helemaal tegen elkaar aan dansten.

Na een tijdje babbelden we wat heen en weer. Hij was een paar jaar geleden naar Nederland gekomen vanuit Ethiopië en zijn Nederlands was foutloos, net als dat van de andere Afrikaanse immigranten met wie we die avond in gesprek raakten. Hij vertelde me dat hij wiskunde en techniek studeerde, ik vertelde hem dat ik sociologie had afgerond. Toen zei hij met een lichtelijk beteuterd gezicht: ‘Jij ziet er slim uit; als ík daarentegen tegen mensen zeg dat ik wiskunde studeer dan geloven ze me nooit.’ Razendsnel gingen onze uiterlijke verschillen door mijn geestesoog: ik was een vrouw, hij een man, ik was tenger, hij was mollig, we droegen allebei een spijkerbroek, ik een zwart shirt, hij een wit shirt. Er was niets aparts of ‘onintelligents’ – hoe dat er dan ook uit mag zien – aan hem af te zien. Maar: ik was wit, hij was donkerbruin, ik had bruin, golvend haar dat over mijn schouders naar beneden viel; hij had zwart, kroezend haar dat in een middelgrote afro zijn gezicht omcirkelde (sidenote: als je ‘afro’ googelt krijg je als eerste Wikipediazin: ‘An afro is a bushy hairstyle’. Bushy. Blijkbaar associeert een zogenaamd ‘neutraal’ Westers platform onze Afrikaanse medemensen nog steeds met de wildernis.). Er ging een steek door me heen, want ik dacht het geïnternaliseerde racisme te herkennen waar mijn half-Oegandese nichtje me over had verteld. Ik wist niet eens waar ik moest beginnen. ‘Dat ligt aan hen, niet aan jou!’ riep ik uiteindelijk maar over de muziek heen met grote handgebaren, mijn onnauwkeurige woorden eindeloos tekortschietend door alcohol en ontsteltenis. Daar liet ik het maar bij, twijfelend of ik er verder op in moest gaan, denkend dat hij misschien gewoon zorgeloos van de avond wilde genieten.

Toen uiteindelijk de lampen aangingen en we door de beveiliging richting de uitgang werden gedreven, was het al licht buiten. Bij onze fietsen stonden F. en ik nog even gefrustreerd na te praten over de klaarblijkelijke dubbele standaard van de Nederlandse overheid: enerzijds witte, hoogopgeleide expats (lees: kapitaal) die met open armen worden ontvangen en soms na velen jaren nog geen woord Nederlands spreken, en anderzijds asielzoekers uit niet-Westerse landen die gestraft worden met sancties als ze niet binnen afzienbare tijd het juiste taalniveau bereiken.

Na een fietstocht over de uitgestorven Amsterdamse straten onder een ochtendlucht van roze en goud kwam ik aan in het dure, witte Watergraafsmeer dat ik mijn thuis noem. Daar waar alles keurig en vredig is, van de aangeharkte perkjes tot de blauweregen die in bloeiende watervallen langs de schone gevels hangt. Daar waar sociale problemen zijn weggegentrificeerd tot een ver-van-mijn-bedshow (nog beter: Truman Show, zoals Aaf Brandt Corstius het noemt). Op dat vroege uur was er geen kip op straat en hoorde je alleen de vogeltjes fluiten en de oranje vlaggetjes flapperen in de wind. Die waren eerder door de hele straat van huis tot huis opgehangen voor het EK. Ondertussen was mijn danspartner van de avond waarschijnlijk nog onderweg naar zijn armere, maar diversere thuisbasis Nieuw-West (hoewel ook dat al aan het transformeren is ten behoeve van de welvarendere bewoner onder stimulatie van onze eigen gemeente, die de buurt market als ‘het Amsterdamse Kreuzberg’, met ‘steeds meer hippe koffietentjes’). Ik sjokte mijn huis binnen en at nog een broodje hagelslag voordat ik op mijn bed neerplofte. ‘Lang leve Holland’, zei ik vol ironie tegen mezelf.