Precies 75 jaar geleden kwamen 12.500 Molukse militairen en hun gezinnen aan in de havens van Amsterdam en Rotterdam. Hun verblijf zou tijdelijk zijn, maar inmiddels groeit een vijfde generatie op in Nederland. In de komende nummers van Dwars interviewen we buurtbewoners met Molukse roots. Vandaag de zussen Joke (63) en Paula Matulessy (59). Over de pijn van hun ouders en de veerkracht van hun gemeenschap. Over opgroeien in een barak bij Wierden en thuiskomen in Amsterdam.

Tekst: Winnie van Heesch | Fotografie: Cor Leiwakabessij

Joke Matulessy woont in de Transvaalbuurt, haar zus Paula in de Indische buurt, toevallig om de hoek van de Molukkenstraat. Joke: ‘Ik ken velen die zich pas na de recente tv-documentaires gingen verdiepen in het verhaal van de Molukken.’ Paula: ‘In de geschiedenisboeken gaat het alleen over Suriname. Maar wat de Nederlanders op de Molukken allemaal hebben geroofd, de kruidnagel en de nootmuskaat, dat weten mensen niet.’

Vrije Molukse Republiek
Ook over de geschiedenis van de Molukse gemeenschap in Nederland is weinig bekend bij het grote publiek. Die geschiedenis begint bij de Molukse militairen die dienden in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL). Toen de Indonesische leider Soekarno in 1945 de onafhankelijke Republiek Indonesia uitriep, vochten de Molukse militairen voor Nederland in een bloedige koloniale oorlog. Onder druk van de VS droeg Nederland in 1950 soevereiniteit over aan Indonesië. Tegelijkertijd riep een groep die zich wilde afscheiden van Indonesië een vrije Molukse republiek uit, de RMS. Uit vrees dat de ervaren Molukse KNIL-militairen zich zouden aansluiten bij de RMS verzette Indonesië zich tegen demobilisatie van deze mannen naar de Molukken. Daarop besloot de Nederlandse overheid de Molukse militairen mee naar Nederland te nemen. De belofte aan de Molukkers was dat Nederland zich zou inspannen voor hun zaak en dat ze na enkele maanden weer zouden kunnen terugkeren naar een Vrije Molukse Republiek.

Tochtige barak
Joke: ‘Mijn moeder reisde met haar ouders, mijn opa was korporaal bij het KNIL. Mijn vader was KNIL-soldaat. Ze zaten op dezelfde boot. Dus daar hebben ze een beetje zitten flirten, want ze kenden elkaar al van Surabaya.’ Bij aankomst in Nederland kregen de mannen hun ontslagbriefje van het Nederlandse leger. Achterstallige soldij werd niet uitbetaald. Zonder werk en zonder enig idee wat de toekomst zou brengen werden ze ondergebracht in woonoorden in alle uithoeken van Nederland. Joke en Paula’s ouders trouwden in kamp Vught en kwamen uiteindelijk in kamp Vossenbosch in Wierden bij Almelo terecht. Beide waren detentiekampen uit de Tweede Wereldoorlog. Het gezin leefde met tien kinderen in een tochtige barak zonder warm stromend water. Toch hebben de zussen Matulessy goede herinneringen aan hun jeugd daar.

Nachtmerries
Paula: ‘Het was midden in het bos, we speelden daar vrij, zorgeloos. Maar dat de mensen in die kampen zijn geplaatst, zonder opvang voor hun trauma, dat is een kwalijke zaak. Mijn ouders praatten niet veel, maar ze hebben verschrikkelijke dingen meegemaakt. Mijn moeder is drie broers verloren in de strijd tegen het Indonesische leger. En de vader van mijn vader is onthoofd door de Japanners. Ik heb vaak meegemaakt dat mijn vader zwetend wakker werd uit een nachtmerrie.’ Joke: ‘Toen kamp Vossenbosch half leeg was, omdat veel bewoners al naar de Molukse wijken in Almelo, Wierden en elders waren vertrokken, werden de lege barakken door Defensie gebruikt voor militaire oefeningen. Er landden ook helikopters. Als kind vonden wij dat prachtig, maar naar onze ouders toe was het eigenlijk zeer respectloos.’

Pela-verbanden
Uiteindelijk verhuisde ook het gezin Matulessy in 1972 naar Almelo. Opgroeien in het kamp en de wijk betekent enerzijds dat je onderdeel bent van een hechte, saamhorige gemeenschap. Familiebanden, en traditionele verwantschappen tussen dorpen op de Molukken, de zogenaamde Pela-verbanden, worden hooggehouden. De ouders Matulessy charterden regelmatig neefjes met auto’s om met het hele gezin naar familie aan de andere kant van het land te reizen. Paula speelde in de drumband van de wijk, en beide zussen zijn tot op de dag van vandaag lid van de GIM, de Molukse Evangelische Kerk in Almelo.

Met een speer
Anderzijds waren er in het kamp en de wijk ook spanningen tussen aanhangers van de RMS en andere Molukse politieke groeperingen. Joke: ‘We hebben wel eens een oorlogje meegemaakt in de wijk. Op een gegeven moment kregen we bericht dat we zouden worden aangevallen. De luxaflex ging dicht en wij moesten met eten, drinken en een bijbel naar de zolder, terwijl mijn vader de wacht hield met een speer die hij had gemaakt van tuingereedschap.’

Amsterdam als toevluchtsoord
Voor wie werk en nieuwe kansen zocht was Amsterdam in de jaren ‘80 een toevluchtsoord. Joke: ‘Onze ouders hebben ons gestimuleerd om een opleiding te volgen. “Je hoeft geen directeur te worden, maar je moet wel je brood kunnen verdienen.” Ik was 21 toen ik via het Arbeidsbureau een baan voor anderhalf jaar in Amsterdam kon krijgen. Mijn broer woonde daar al, en we kwamen er vaak. Ik vond het geweldig, iedere week de stad in. Na anderhalf jaar wilde ik niet meer terug naar het Oosten.’ Paula kwam een paar jaar later voor haar opleiding naar Amsterdam. Uiteindelijk zijn zeven van de tien kinderen uit het gezin Matulessy naar de hoofdstad vertrokken.

Mokum Sound Machine
‘Ook in Amsterdam vormden Molukkers een gemeenschap. Joke: ‘Via mijn broer en zijn Molukse buurvrouw leerde ik weer andere Molukkers kennen, en zo breid je langzaam je netwerk uit. Een ex-bandlid van de Molukse band Massada, Zeth Mustamu, richtte de Molukse Evangelische Kerk Gunung Batu op. In Paradiso was elke maand de concertreeks Moluccan Moods. ‘Na zo’n concert hebben we wel eens vijftien mensen te logeren gehad in het halve woninkje van mijn broer,‘ vertelt Joke. Paula ging zingen bij Mokum Sound Machine, een Amsterdams-Molukse band die in het hele land optrad met een mix van Molukse traditionals, soul en rythm and blues.’

Nieuwe generaties

Inmiddels is de Amsterdamse Molukse gemeenschap de grootste van Nederland. De derde en vierde generatie Amsterdammers met Molukse roots onderneemt veel nieuwe initiatieven. Er is een Molukse bibliotheek gekomen, het tijdschrift Marinjo is heropgericht. Er zijn culinaire events en in toneel, muziek en tentoonstellingen brengen mensen hun koloniale geschiedenis onder de aandacht. Paula: ‘De jongeren van nu doen het weer anders dan wij. Bepaalde gebruiken, zoals de Pela, daar doet niet iedereen meer aan. Terwijl wij dat juist mooi vinden. Er zijn op de hele wereld maar twee volkeren die zo’n verwantschap tussen dorpen hebben, Molukkers en Native Americans. Dat moet je koesteren.’