Home Overzicht Vanitas mundi – 2

Vanitas mundi – 2

0
| Verhalen uit de Plantage | Dick Pol |

Ach, de wereld… wat een narigheid. Tegen beter weten in, het is niets voor mij, kijk ik naar politieke debatten. Het kost me moeite om geen dingen naar de tv te smijten; dik geschminkte praatjesmakers die ingestudeerde riedels afdraaien. Dagenlang hebben ze zitten oefenen om zich voor te bereiden op alle mogelijke scenario’s. Om elkaar vliegen af te vangen in een ‘beschaafde’, geënsceneerde ‘woordenwisseling’. Clowns in een beklemmende, bizarre nachtmerrie. Mefisto lacht in zijn vuistje.

Waarom? Wat beweegt deze zelfingenomen figuren? Ze maken zich uitsluitend druk om bijzaken. Hoofdzaken komen ze niet aan toe. Orde op zaken stellen! Haast is geboden! Concrete maatregelen! Er moeten dingen echt wezenlijk veranderen! De jeugd, om wie het feitelijk gaat, wordt niet gehoord. Waterkanonnen tegen demonstrerende kleuters; het gezag is paraat. Dat zal ze leren! Wie verzint er nou zoiets? Ik ben blij dat ik me geen zorgen hoef te maken om kinderen of kleinkinderen. Het zou trouwens niet baten. Het is allemaal niet te behappen; te groot, te gecompliceerd. Als individu ben je kansloos. Aan het begin van de pandemie leek het even de goede kant op te gaan, maar dat bleek achteraf ijdele hoop.

Aan de andere kant van het spectrum wordt het nieuws op de publieke omroep beheerst door wantoestanden bij de publieke omroep. Niet onverwacht, wat mij betreft. ‘Homo homini lupus’ (de mens is een wolf voor de mens) ‘…van mijn belastingcenten’ zou mijn moeder zaliger hebben gezegd. Op alle zenders, een stoet van papegaaien. Je kunt er niet omheen.

Er is geen maat voor leed of tegenslag. Net zomin als voor geluk. Op een vreemde manier heb je soms meer last van een bezeerde teen dan van honderden slachtoffers door een tropische storm ver weg. Of een aardbeving.

Ik denk aan een voorval bij de tramhalte, een aantal jaren geleden. Ik sta te wachten op (toen nog) lijn negen. Mijn blik wordt getrokken door een dode mus, in de goot naast de rails. Even verderop zit een, op het oog, vriendelijke man van mijn leeftijd. Ook hij kijkt naar het dode vogeltje. ‘Weet u’, zegt ie, ‘veel mensen hebben geen respect voor leven. Ze rotzooien maar wat aan. Ze roepen ‘plaag zus en overlast zo’. Ze klagen en bestrijden! Het lijkt onbelangrijk, een zucht in de wind, maar probeer maar eens zo’n beestje in elkaar te zetten. Al die moeite gedaan. Leren vliegen, en dan dit.’

Daar kan ik me wel in vinden. Net als ik hem dat wil zeggen, komt lijn negen eraan. Ik stap in, de oude man blijft zitten.