Van 17e-eeuwse schuttersstukken tot foto’s, kleding en voorwerpen uit het dagelijks leven. Het Amsterdam Museum bestaat honderd jaar en viert dat honderd dagen lang met activiteiten door de hele stad.

Redactie

In die eeuw veranderde niet alleen Amsterdam ingrijpend, maar ook de manier waarop het museum de geschiedenis vertelt. Oost kreeg daarin een bijzondere plaats. Met het Geheugen van Oost gaf het museum bewoners ruim twintig jaar geleden al de mogelijkheid om zélf de geschiedenis van hun buurt vast te leggen.

David en Goliath in het Amsterdams Historie Museum in de Waag. Foto 

Op 2 november 1926 opende in de Waag op de Nieuwmarkt het Amsterdams Historisch Museum zijn deuren. Honderd jaar later draagt het de naam Amsterdam Museum en bestaat de collectie uit ruim 100.000 objecten. Van monumentale schuttersstukken tot hedendaagse kunst, mode, foto’s en alledaagse gebruiksvoorwerpen.

Het jubileum wordt niet op één dag gevierd. Van 3 september tot en met 11 december duurt het Amsterdam Museum Festival honderd dagen. Er zijn tentoonstellingen, workshops en rondleidingen. Bezoekers kunnen een kijkje nemen in het depot en rond de officiële verjaardag gaan de deuren gratis open.

Amsterdam Historisch Museum in het Burgerweeshuis bij de opening.

Van de Waag naar het Burgerweeshuis

De geschiedenis van het museum begint in de Waag, een van de oudste gebouwen van Amsterdam. Daar kreeg de stad in 1926 een museum dat zich specifiek op haar eigen geschiedenis richtte.

De Amsterdamse historische verzamelingen bestonden overigens al veel langer. De stad bezat schilderijen, historische voorwerpen en andere objecten die op verschillende plaatsen werden bewaard en tentoongesteld. Met het Amsterdams Historisch Museum kregen die verzamelingen steeds nadrukkelijker een plaats binnen één verhaal: dat van Amsterdam en zijn bewoners.

In 1975 volgde een belangrijke verhuizing. Het museum trok in het voormalige Burgerweeshuis tussen de Kalverstraat en Nieuwezijds Voorburgwal. Koningin Juliana verrichtte de officiële opening. In 2011 verdween het woord ‘Historisch’ uit de naam en werd het Amsterdam Museum.

Die naamsverandering paste bij een ontwikkeling die al veel langer gaande was. Het museum wilde niet uitsluitend terugkijken, maar ook aandacht besteden aan het Amsterdam van vandaag en aan de vraag hoe de stad zich verder ontwikkelt.

De Dapperbuurt

Oost groeide met Amsterdam mee

Toen het museum in 1926 werd opgericht, zag Oost er heel anders uit dan nu. De stad was in de voorgaande decennia sterk naar het oosten uitgebreid. Buurten als de Dapperbuurt, Oosterparkbuurt, Transvaalbuurt en Indische Buurt waren ontstaan of nog volop in ontwikkeling.

De Watergraafsmeer was pas in 1921 door Amsterdam geannexeerd. In het Oostelijk Havengebied draaiden de havens, loodsen en pakhuizen op volle toeren. Schepen brachten mensen en goederen vanuit alle delen van de wereld naar Amsterdam.

De brug naar IJburg

In de eeuw die volgde, veranderde Oost telkens opnieuw. Havenactiviteiten verdwenen, oude arbeidersbuurten werden vernieuwd en nieuwe groepen Amsterdammers vestigden zich in de wijken. Voormalige havengebieden werden woonbuurten en aan het einde van de twintigste eeuw begon met IJburg opnieuw een enorme stadsuitbreiding naar het oosten.

Wie honderd jaar geschiedenis van Amsterdam verzamelt, bewaart daarmee automatisch ook de geschiedenis van Oost.

Niet alleen de geschiedenis van beroemde Amsterdammers

Ook de manier waarop musea naar geschiedenis kijken, veranderde. Lange tijd lag bij historische musea veel nadruk op bestuurders, rijke burgers, belangrijke gebouwen, kunst en grote gebeurtenissen. Het Amsterdam Museum bezit dan ook beroemde historische schilderijen, waaronder monumentale schuttersstukken.

Gaandeweg kwam er meer belangstelling voor het dagelijks leven. Voor wonen en werken, migratie, armoede, emancipatie, protest, muziek, mode en de ervaringen van gewone Amsterdammers.

Een oude foto van een straat, een affiche van een bewonersactie, een kledingstuk of een voorwerp uit een verdwenen winkel kan immers net zo goed iets vertellen over de ontwikkeling van de stad. Daarmee kwam ook een andere vraag centraal te staan: wie bepaalt eigenlijk wat de geschiedenis van Amsterdam is?

Het Geheugen van Oost

Juist op dat punt heeft Oost een bijzondere verbinding met het museum. In 2003 begon het toenmalige Amsterdams Historisch Museum met Het Geheugen van Oost. Het project ontstond in de aanloop naar de tentoonstelling Oost, Amsterdamse Buurt, die van oktober 2003 tot en met februari 2004 in het museum te zien was.

Medewerkers trokken Oost in om verhalen en voorwerpen te verzamelen. Daarbij werd bewust contact gezocht met bewoners die niet vanzelfsprekend een museum bezochten. Al snel bleek dat er veel meer verhalen naar boven kwamen dan in één tentoonstelling konden worden opgenomen. Daarom kwam er een website.

Het Geheugen van Oost werd ontwikkeld in samenwerking met onder andere Buurtonline en Xina Tekst & Support; de website werd gebouwd door Mediamatic. Het bijzondere was dat bewoners niet alleen onderwerp van de geschiedenis waren. Ze konden die geschiedenis zelf vertellen.

Het Geheugen staat vol Verhalen over Oost

De kleine geschiedenis van een buurt

Daarmee ontstond een heel ander soort archief dan het traditionele museumdepot. Op het Geheugen van Oost gaat het niet in de eerste plaats over burgemeesters, beroemde kunstenaars of monumentale gebouwen. Bewoners vertellen over hun straat, hun school, een buurvrouw, een verdwenen winkel, spelen op straat, familie, werk of de komst naar Amsterdam.

Het zijn herinneringen die gemakkelijk verloren kunnen gaan, omdat ze meestal niet in officiële archieven terechtkomen. Juist bij elkaar vormen die kleine verhalen de geschiedenis van een buurt.

Een herinnering aan de Fahrenheitstraat in de jaren vijftig kan bijvoorbeeld een beeld oproepen van een verdwenen Watergraafsmeer. Een verhaal over het Steve Bikoplein vertelt niet alleen iets over degene die het schreef, maar ook over het dagelijks leven in de Transvaalbuurt.

Vrijwilligers houden het geheugen levend

Opvallend is dat de website na de tentoonstelling van 2003 niet verdween. Vrijwilligers gingen door met het verzamelen, schrijven en publiceren van verhalen.

Tien jaar na de start stonden er al ongeveer 2200 verhalen online. In 2023 vierde het Geheugen van Oost zijn twintigjarig bestaan. Voor die gelegenheid verscheen het boekje Zijn wie je bent in Oost, waarin verhalenvertellers van het eerste uur terugkeken op hun buurt van toen en het Oost van nu.

De vrijwilligers zijn daarmee zelf een belangrijk onderdeel van het project geworden. Ze interviewen bewoners, schrijven verhalen, zoeken foto’s en houden herinneringen aan buurten levend.

Het Amsterdam Museum ondersteunt het initiatief nog altijd. Op de eigen website omschrijft het museum het Geheugen van Oost als de plek waar online verhalen over Amsterdam-Oost worden verzameld. Wat in 2003 begon als voorbereiding op een tijdelijke tentoonstelling, groeide zo uit tot een blijvend digitaal buurtgeheugen.

Vooruitstrevend experiment

Achteraf was het initiatief ook behoorlijk vooruitstrevend. In 2003 stond het gebruik van internet nog in een heel andere fase dan tegenwoordig. Sociale media zoals we die nu kennen bestonden nauwelijks. Toch koos het museum er toen al voor om bewoners via internet zelf verhalen te laten toevoegen.

Bij het project werden bovendien mensen betrokken die weinig ervaring hadden met computers. Ook bewoners met een migratieachtergrond en ouderen werden aangemoedigd om mee te doen. Het digitale project was daardoor niet alleen bedoeld om geschiedenis te verzamelen, maar ook om mensen met elkaar en met hun buurt te verbinden.

Het is een vroeg voorbeeld van een ontwikkeling die inmiddels veel vanzelfsprekender klinkt: een stadsmuseum vertelt niet alleen óver inwoners, maar maakt tentoonstellingen en verzamelingen mét inwoners.

Geschiedenis kan ook schuren

Die bredere blik leidde soms tot stevige discussies. Het museum maakte tentoonstellingen over onderwerpen die lange tijd nauwelijks in musea aan bod kwamen. Ook koos het ervoor om kritischer te kijken naar bekende verhalen over de stad.

Een van de meest besproken besluiten kwam in 2019, toen het Amsterdam Museum stopte met het gebruik van de term ‘Gouden Eeuw’ als algemene aanduiding voor de 17e eeuw. Het museum wilde daarmee duidelijk maken dat de enorme economische en culturele bloei van Amsterdam ook een andere kant had. Niet iedereen profiteerde van die rijkdom en de geschiedenis van die periode is eveneens verbonden met oorlog, koloniale uitbuiting en slavernij.

De term ‘Gouden eeuw’ in de ban. Foto Amsterdam Museum

Het besluit leidde tot een landelijke discussie. Voorstanders zagen het als een noodzakelijke verbreding van de geschiedschrijving, terwijl critici vonden dat het museum een ingeburgerde historische term overboord zette.

Overigens stelde het museum al veel eerder kritische vragen bij het bekende beeld van de 17e eeuw. In 1965 organiseerde het de tentoonstelling Arm in de Gouden Eeuw, waarin juist de minder zonnige kant van die periode centraal stond.

Honderd Amsterdammers en honderd objecten

Voor de honderdste verjaardag keert het museum opnieuw terug naar de inwoners zelf.

Fotograaf Robin de Puy portretteerde honderd Amsterdammers. Zij vertellen ieder over een object uit de collectie dat voor hen een bijzondere betekenis heeft.

Daarmee wordt een museumstuk meer dan een voorwerp met een inventarisnummer. Een schilderij, foto, kledingstuk of gebruiksvoorwerp kan bij iedere Amsterdammer andere herinneringen en associaties oproepen.

Het sluit opvallend goed aan bij de gedachte waarmee het Geheugen van Oost ruim twintig jaar geleden begon: de geschiedenis van een stad bestaat niet alleen uit feiten en voorwerpen, maar ook uit de verhalen die inwoners eraan verbinden.

Wat bewaren we voor 2126?

Tijdens het jubileum kun je ook kennismaken met een deel van het museum dat normaal gesproken grotendeels verborgen blijft: het depot. Daar worden duizenden voorwerpen bewaard die niet permanent in een tentoonstelling te zien zijn. Tijdens speciale depotrondleidingen kun je  achter de schermen kijken.

Het roept een interessante vraag op. Wat zouden we uit het Amsterdam van 2026 moeten bewaren voor inwoners van 2126? Misschien een protestbord uit de Indische Buurt. Een foto van de Dappermarkt. Een affiche van een festival in het Oosterpark. Een voorwerp uit een verdwenen buurtwinkel. Of iets uit een van de eerste woningen op IJburg. Wat vandaag volkomen alledaags lijkt, kan over honderd jaar een belangrijke historische bron zijn.

Taart voor de stad

Rond de verjaardag zet het Amsterdam Museum de deuren extra wijd open. Van zaterdag 31 oktober tot en met maandag 2 november zijn de locaties gratis toegankelijk. Er zijn gratis rondleidingen en het museum deelt verjaardagstaartjes uit. Op 2 november is het precies honderd jaar geleden dat het museum werd opgericht.

Het jubileumprogramma duurt nog tot en met 11 december. Naast rondleidingen zijn er onder meer creatieve workshops van The Art Café en tentoonstellingen en activiteiten op verschillende locaties in de stad.

Het museum zelf wordt geschiedenis

Ondertussen bevindt ook het Amsterdam Museum zelf zich midden in een grote verandering. Het voormalige Burgerweeshuis, sinds 1975 de thuisbasis van het museum, wordt ingrijpend gerenoveerd. Het monumentale complex moet toegankelijker, ruimer en duurzamer worden en uiteindelijk plaats bieden aan een stadsmuseum dat beter aansluit bij de manier waarop het museum tegenwoordig werkt.

Artist Impression van de Stadshal. Beeld Absent Matter

Tijdens de verbouwing is het museum op andere plekken in Amsterdam actief. Daarmee krijgt het begrip stadsmuseum bijna letterlijk betekenis: het verhaal van Amsterdam hoeft niet uitsluitend binnen de muren van één gebouw te worden verteld.

De geschiedenis ligt ook gewoon op straat

Misschien maakt juist het Geheugen van Oost duidelijk wat er in honderd jaar is veranderd. Toen het Amsterdams Historisch Museum in 1926 begon, was het museum vooral de plek waar de geschiedenis van Amsterdam werd verzameld en tentoongesteld. Een eeuw later probeert het museum inwoners nadrukkelijk bij dat proces te betrekken. Want geschiedenis ligt niet alleen in een depot.

Ze bevindt zich ook op het Krugerplein en de Dappermarkt, in een woning in de Watergraafsmeer, tussen de oude pakhuizen van het Oostelijk Havengebied, in de Indische Buurt en in de jonge straten van IJburg. En ze zit in de herinnering van bewoners.

Het Amsterdam Museum bewaart inmiddels meer dan 100.000 tastbare objecten. Daarnaast groeit een minder tastbare verzameling iedere dag verder: verhalen over mensen, buurten en gebeurtenissen die anders misschien vergeten zouden worden.

Het Geheugen van Oost laat zien hoe waardevol juist die kleine geschiedenissen kunnen zijn. Wie vandaag opschrijft hoe het was om op te groeien in de Dapperbuurt, waarom een bepaalde winkel in de Javastraat belangrijk was of hoe een straat in de Watergraafsmeer veranderde, schrijft misschien een bron voor de Amsterdammer van over honderd jaar.

Zo bekeken is een museum na honderd jaar nooit af. Net als Amsterdam zelf.

Vorig artikelFeestseizoen voor 65-jarige Jaap Edenbaan start op 10 oktober
Volgend artikelWaterkwaliteit Amsterdamse grachten goed voor Amsterdam City Swim