Het is een droge zondagmiddag in december. Een maand na de novemberwandeling valt direct op hoe stil het arboretum oogt. Veel blad ligt inmiddels op de paden, de meeste kruinen tonen hun structuur. Toch glinsteren her en der nog resten van herfstkleur.

Arie Martijn Schenk

Bij het beeld van ontwerper Leonard Springer heet gids Johan de groep opnieuw welkom. De belangstelling is zo groot dat de rondleiding opnieuw in tweeën splitst. Twee gidsen leiden tientallen bomenliefhebbers langs het winterse groen.

Springer als pionier
Johan schetst de geschiedenis van Springer bij zijn beeld. Ontwerpers richtten een begraafplaats in die tijd niet snel als park in; Springer brak met die traditie. De Nieuwe Ooster markeert zijn doorbraak. Hierna volgden talloze ontwerpen, waaronder negentien begraafplaatsen. Springer gold bovendien als vooraanstaand dendroloog, met een heldere visie op variatie in loof- en naaldhout. Het arboretum telt nu 1.065 soorten, een levend bewijs van die benadering.

Eerste halte: de zilveresdoorn
Gids Hans pakt de route op bij de ingang. Onder de zilveresdoorn ligt een tapijt van blad. Hij wijst op de bloemknoppen die vroeg in het jaar al zichtbaar zijn. De onderzijde van het blad toont een zilverachtige gloed, de naam van de soort verklaart zichzelf.

Verderop staat de atlasceder, ‘een Marokkaan onder de bomen’, zegt Hans grappend. De soort komt uit het Atlasgebergte en siert Europese parken sinds de negentiende eeuw. De horizontale takstand en blauwgroene naalden vallen direct op.

De giftige taxus
De taxus laat Hans niet ongenoemd. Een conifeer, maar met rode bessen die verwarring zaaien. Het vruchtvlees is onschuldig, de pit dodelijk. Vogels verwerken de pit razendsnel, waardoor zij geen gevaar lopen. Als verzamelnaam voor naaldbomen duikt vaak het woord ‘conifeer’ op, letterlijk ‘kegeldrager’. Toch wringt die term zodra een taxus in beeld komt. 

‘De taxus is een echte naaldboom, maar draagt felrode bessen, wat tot verwarring leidt’, vertelt de gids. Deze groep boomsoorten bestaat al sinds lang vóór de komst van insecten en steunt volledig op windbestuiving. Dat geldt ook voor de taxus: het rode vruchtvlees vormt geen gesloten omhulsel om het zaad. ‘Wie goed kijkt, ziet het zaadnootje deels bloot liggen, precies zoals dit type vrucht ooit is ontstaan’, zegt Hans

Schors als vingerafdruk
Bij de imposante vleugelnoot legt hij uit hoe boomschors ontstaat: telkens een nieuwe laag, telkens groei, telkens afsterving. Schors isoleert en maakt een boom minder kwetsbaar voor schimmels. De Hollandse linde even verderop toont rechte ribbels; een ander profiel van de schors.

Reuzen en klassiekers
Dan volgt de mammoetboom. De Sequoiadendron heeft priemvormige naalden; de verwante Sequoia platte naalden. Mammoetbomen kunnen duizenden jaren oud zijn en dragen brandwerende schors, een overlevingsstrategie tegen bosbranden.

Aan het begin van de Laan van de Hemel staat een robuuste gewone plataan. ‘Op z’n mooist in de regen,’ zegt Hans. De boom geldt als klassieker in stadsparken, een kruising tussen oosterse en westerse plataan.

De Italiaanse populier vormt een strak lijnenspel langs de laan; elke jonge tak reikt omhoog. Even verder kleurt een amberboom nog warm rood. De mooie rode herfstbladeren liggen op de grond en hangen nog aan de takken. Daarna volgt een buxus, duidelijk aangetast door de buxusmot.

Liguster en bijenboom
De liguster toont in de winter vooral zijn zwarte bessen. Vogels pikken ze gretig weg. In de zomer trekt de struik insecten met geurige witte bloemen. Op het uitstrooiveld staat de bijenboom. Zelfs in december hangen vrouwelijke vruchten nog aan de takken. De soort bloeit laat, tot groot genoegen van insecten. ‘Vroeger plantte vrijwel elke imker er één in zijn tuin’, zegt Hans grappend. 

Naaldbomen uit verre streken
Via de Chinese zilverspar, met rechtopstaande kegels, trekt de groep verder. Een tweede amberboom toont nu vooral de kenmerkende vruchten. De slangenesdoorn valt op door zijn gestreepte bast en rode jonge twijgen, een sierlijke verschijning in winterlicht.

Dan volgt de nootkacipres, met treurend hangende takken. ‘Een boom die uitstekend past in een begraafplaats door zijn neerwaartse vorm’, zegt een van de deelnemers. Verderop staat de tranenden uit de Himalaya, een vijfnaaldige den. De lange, sierlijk hangende naalden en de ‘tranen’ van hars langs de jonge kegels geven de boom een bijna mystieke uitstraling.

Terug naar de ingang
Na twee uur winterdendrologie loopt de groep terug richting entree. Elke wandeling toont opnieuw hoe veel verhalen tussen de takken schuilgaan, ook in december, nu de meeste kruinen kaal in de lucht staan.

Italiaanse populieren