Niet Rembrandt of Johan Cruijff, maar Samuel Sarphati werd door de lezers van Het Parool uitgeroepen tot Amsterdammer aller tijden. Zijn betekenis voor gezondheids- en armenzorg, afvalverwerking, onderwijs en stadsontwikkeling – thema’s die ook nu actueel zijn – was doorslaggevend. In slechts een kwart eeuw bracht Sarphati Amsterdam sociale vooruitgang en allure. Hij woonde en werkte hier vlakbij. Welke sporen liet hij achter in 1018?
Jannelies Poelstra
Sarphati wordt op 31 januari 1813 geboren aan de Nieuwe Herengracht, vlak bij de Portugese Synagoge. Hij is de oudste van zes kinderen van een Sefardisch-Joodse tabakshandelaar. In welgestelde Joodse kringen zijn onderwijs en maatschappelijk engagement belangrijk. Na zijn opleiding tot apotheker studeert hij geneeskunde in Leiden, waar hij in 1839 cum laude afstudeert.
In 1843 trouwt hij met Abigaël Mendes de Leon, dochter uit een rijke Joodse familie. Het kinderloze echtpaar woont op de hoek van de Herengracht, met uitzicht op het Amstelhof – nu het H’Art Museum. In 1866, twee jaar na het overlijden van zijn vrouw, sterft Sarphati onverwacht op 53-jarige leeftijd.
Armenarts met visie
Halverwege de 19e eeuw loopt Nederland achter bij Engeland en Frankrijk in industriële ontwikkeling. In Amsterdam heersen armoede, hongersnood en ziekte. Zieken- en armenzorg zijn nog geen overheidstaak, maar worden door de verschillende geloofsgemeenten verzorgd.

Na zijn studie gaat Sarphati aan de slag als armenarts in het Portugees-Israëlitisch Ziekenhuis aan de Rapenburgerstraat. Hij bezoekt patiënten in de arme Joodse buurten Vlooienburg en Uilenburg, de huidige Waterloopleinbuurt. Grote gezinnen wonen opeengepakt in vochtige kelders en krotten. Straten en grachten liggen vol slachtafval, kadavers en menselijke uitwerpselen, de stank is niet te harden. Uitbraken van cholera, tyfus en pokken eisen talloze levens, vooral van kinderen.
Regelmatig botst hij met het armbestuur, dat strenge regels hanteert over wie recht op zorg heeft. In 1847 eindigt zijn betrekking als armenarts.
Vooruitgang door kennis
Sarphati gelooft in vooruitgang door onderwijs. Hij is lid van de Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid, een club van invloedrijke burgers, wetenschappers en ondernemers die handel en industrie willen stimuleren en zich inzetten voor armoedebestrijding. In 1846 richt hij met anderen de ‘Inrigting van Onderwijs’ voor Koophandel en Industrie op, beroepsgericht onderwijs dat het gildesysteem moet vervangen. De vier beste leerlingen van armenscholen, twee jongens en twee meisjes, worden ongeacht hun geloof toegelaten. Sarphati geeft er scheikunde.
Circulaire afvalverwerking
Als arts weet Sarphati dat het afval in de stad een voedingsbodem voor ziekteverwekkers is. In 1847 richt hij de Maatschappij ter Bevordering van de Landbouw en Landontginning om de concessie voor afvalinzameling van het stadsbestuur te verkrijgen. Afval – uitwerpselen, as en slachtafval – wordt voortaan gescheiden ingezameld. Op de Weesperbelt op het Roeterseiland wordt het verwerkt tot mest, die per schuit naar boeren wordt vervoerd. Deze circulaire afvalverwerking zorgt voor een gezondere stad, meer werkgelegenheid én een betere landbouwproductie. Tegenwoordig wint Waternet fosfaat uit urine.

Urinoirs en secreten
Met openbare toiletten en urinoirs wil Sarphati de hygiëne op straat verbeteren en meer mest ophalen. Rond 1848 verschijnt het eerste urinoir aan de Geldersekade en een combinatie secreet-urinoir aan de Nieuwmarkt. Het wordt geen succes: het schoonhouden – er is nog geen stromend water – is een probleem. Het stadsbestuur gelast al snel verwijdering. In 1870 verschijnt de gietijzeren plaskrul, waarvan er in 1018 nog drie staan. Nu 150 jaar later roepen de Nieuwe Dolle Mina’s om moderne voor iedereen toegankelijke openbare toiletten.
Beter brood en beter vlees
Sarphati is ervan overtuigd dat beter voedsel bijdraagt aan de volksgezondheid. Crisis, hoge graanprijzen en slechte hygiëne zorgen voor inferieur brood. Bakkers mengen aardappelmeel, kalk en zelfs zand door het deeg. In 1857 opent hij de Meel- en Broodfabriek bij de Vijzelgracht, met moderne ovens en een kneedmachine. Het brood wordt beter en goedkoper. Er volgen meer bakkerijen naar dit voorbeeld.
Ook het slachten op straat is Sarphati een doorn in het oog. Een centraal, schoon slachthuis moet zorgen voor hygiënisch geslacht vlees. In 1849 komt op het Roeterseiland het eerste centrale slachthuis, vlak bij de Weesperbelt.
Een paleis en een chic hotel
Rond 1850 is Sarphati met zijn initiatieven een bekende Nederlander. Minister Thorbecke, opsteller van de nieuwe grondwet, stuurt hem naar Parijs en Londen. Daar ziet Sarphati grandeur en technische vooruitgang. Op de Wereldtentoonstelling van 1851 maakt het Engelse paviljoen, het glazen Crystal Palace, diepe indruk. Hier ontkiemt het plan voor zijn Paleis voor Volksvlijt.
Met zijn Vereeniging voor Volksvlijt wil hij een soortgelijk glazen gebouw realiseren met een expositieruimte voor technische innovaties. De financiering komt van particulieren en architect Cornelis Outshoorn tekent voor het ontwerp. In 1864 wordt het geopend, maar het wordt een plek voor breder vermaak. In 1929 gaat het paleis in vlammen op. Nu staat daar De Nederlandse Bank.
Het paleis is slechts een onderdeel van Sarphati’s plan voor stadsuitbreiding. Van het paleis tot aan de Plantage bedenkt hij een wijk met boulevards en een chic hotel, en op de plek van de huidige Pijp staat fatsoenlijke huisvesting voor de armeren gepland. Het voormalige Weesperpoortstation uit 1843 is bepalend voor de plek van het eveneens door Outshoorn ontworpen Amstelhotel, dat in één jaar gebouwd wordt. Sarphati zelf maakt de opening in 1867 niet meer mee.
Van Sarphati’s overige plannen blijft niet veel over: te weinig investeerders, het gemeentebestuur ziet niets in zijn plannen en eigenaren van zaagmolens langs de Singelgracht kunnen niet onteigend worden.
Een man om niet te vergeten
Al tijdens zijn leven krijgt Sarphati veel waardering. Zijn begrafenis op de Joodse begraafplaats in Ouderkerk wordt massaal bijgewoond en al in 1870 wordt de Schans, lopend van het Paleis voor Volksvlijt, langs het Amstelhotel, tot aan de Oranje-Nassau kazerne, omgedoopt tot Sarphatistraat. In 1888 zorgt zijn vriend Wertheim ervoor dat het door Sarphati geplande park ook zijn naam krijgt. Bijna een eeuw later, in 1978, gaat het verzorgingshuis aan de Roetersstraat – in Sarphati’s tijd het Werkhuis voor daklozen en bedelaars, het Dr. Sarphatihuis heten. Wat als Sarphati nu zou leven? Zou hij het huidige afvalprobleem en het woningtekort in Amsterdam kunnen oplossen?





