Wie ‘Oost’ zegt, zegt ook ‘tuindorp’ en denkt meteen aan tuindorp Watergraafsmeer, beter bekend als Betondorp. Het past perfect in het plaatje: laagbouw met een voor- en achtertuintje. Geen fabrieken en geen kroegen. Maar is Betondorp het enige tuindorp in Oost? De samenstellers van de Atlas van tuindorpen in Nederland menen van wel.
Anne-Mariken Raukema | Foto’s Bart van Hoek
Om meteen maar een oordeel te geven: deze atlas is een prachtig standaardwerk over een typisch vroeg-twintigste-eeuws fenomeen. In de decennia ervoor – de industriële revolutie – werden fabrieken gebouwd, waar veel arbeiders voor nodig waren. Niet zelden woonden zij al in de steden, vaak in erbarmelijke omstandigheden. Ook ontstond een grote trek van het – vaak arme – platteland naar de steden. De tuindorpen werden soms door de fabrikant geïnitieerd, die dan ook wel filantropische trekken had. Soms was het de gemeente. Dat was het geval in Amsterdam.
Geen cafés
De tuindorpen waren een reactie op de overvolle, sombere en vaak vervallen oude (binnen)stadswijken. De nieuwe huizen in een tuindorp waren zelfstandige woningen – dus geen appartementen – in rijtjes die straten vormden, en die op hun beurt wijken. Geen vervuilende fabrieken en geen cafés; die zouden maar tot zedelijk verval leiden. Wel winkels, een bibliotheek, scholen en plantsoentjes.
Betondorp
In de periode 1923-1925 werd Betondorp gebouwd. Een klein deel in traditioneel baksteen en een deel met betonplaten, waar het z’n iconische naam aan zou overhouden. Er was een tekort aan geschoolde bouwvakkers en veel nieuwbouw elders in de stad was al begonnen. Beton was een nieuwe en efficiënte oplossing. Bijna een eeuw later, in 2022, werd Betondorp aangewezen als beschermd stadsgezicht.
Gestapelde bouw
In het Algemeen Uitbreidingsplan van 1934, dat na de Tweede Wereldoorlog werd uitgevoerd, werd het concept van tuindorp naar tuinstad opgeschaald. In de grote uitbreidingen in het westen van Amsterdam stad verrezen vooral gestapelde woningen, weliswaar met her en der nog enkele laagbouwwijken. De ’tuin’ uit de typenaam werd niet langer gevormd door de voor- en achtertuintjes van de huizen, maar vooral door het vele openbaar groen. Al eerder waren de uitbreidingen gerealiseerd in de jaren 20, in verschillende delen van de stad.
Spreiding
Na een lang inleidend deel over het ontstaan van tuindorpen, een Engelse uitvinding, volgen ruim tachtig beschrijvingen van verschillende tuindorpen in Nederland. Het is handig in vieren gedeeld (Noord, Midden, Zuid en West). Niet vreemd dat de meeste tuindorpen en tuinwijken in de grotere steden te vinden zijn, vanwege de industriële expansie. Rotterdam, Groningen, Utrecht, Arnhem, Haarlem, Eindhoven, Heerlen en natuurlijk Amsterdam.
Snouck van Loosen
Bijzonder is Hilversum, waar Willem Dudok niet alleen het raadhuis ontwierp, maar ook een tuinwijk, terwijl er nauwelijks sprake was van industrie – wel van omroepverenigingen. En het Snouck van Loosenpark in Enkhuizen, waar vlakbij het kopstation een zeer groen park werd aangelegd met villaatjes. Het wordt terecht aangeduid als ‘een van de meest idyllische tuindorpen van Nederland’. Bijzonder is dat de bouw al ver voor de Woningwet van 1902 startte. In 1895 werden de eerste stenen gelegd. En ook nog vier jaar voor Ebenezer Howards leidende boek To-morrow: A Peaceful Path to Real Reform uit 1898. Het zou – na Delft – het tweede tuinpark van ons land worden, een initiatief van de welgestelde familie Snouck van Loosen, die ook het plaatselijke ziekenhuis zou laten bouwen.
Ik mis…
Hoe mooi, overzichtelijk en interessant ook, ik mis in de Atlas twee tuindorpen in Oost: Frankendael en Amstelstation. Tuindorp Frankendael – het gebied tussen de Hugo de Vrieslaan, Kruislaan, Gooiseweg en Middenweg, wordt ook wel Jeruzalem genoemd. De naam is ontleend aan het uiterlijk van de huizen, die zouden met hun witte betonnen muren en platte daken enigszins aan Jeruzalem doen denken. Misschien is het geen 100 procent tuindorp, omdat er ook duplexwoningen staan en er dus geen zuivere laagbouw is.
Tuindorp Amstelstation, ook wel Amsteldorp genoemd, werd gebouwd tussen twee dijklichamen die het spoor moeten dragen. De andere tuindorpen lagen op maaiveldniveau. Er was wel nieuwe industrie vlakbij: cacaofabriek van Korff en industrieterrein De Omval. Kort na de oorlog (1947/1948) werden hier bijna vijfhonderd duplexwoningen gebouwd. Stapelbouw, dus ook geen echt laagbouw volgens de principes van Ebenezer Howard. Ook Amsteldorp ligt diep, zo’n -5,50 NAP), zodat je vanaf station Amstel over de wijk heen kijkt. De De Wetbuurt wordt ook wel tot Amsteldorp gerekend.
De Atlas van tuindorpen in Nederland werd geschreven door Martijn Haan, gespecialiseerd in brutalisme, modernistische en socialistische architectuur. Bart van Hoek maakte de foto’s. Samen maakten zij eerder Bruut, atlas van het brutalisme in Nederland. De Atlas van tuindorpen in Nederland werd uitgegeven door WBOOKS en kost € 49,95.



