Ze is geboren en getogen Amsterdammer. Gerdi Verbeet krijgt al buikpijn van heimwee als ze de Utrechtsebrug oversteekt. Tijdens haar voorzitterschap van de Tweede Kamer (2006-2012) hingen in haar werkkamer niet voor niets vier uitvergrote foto’s die Jacob Olie en George Hendrik Breitner maakten van het Bickerseiland. Ze woont inmiddels alweer 28 jaar in Oost. Tijd voor een gesprek met een bevlogen rode vrouw – op De Nieuwe Ooster; Verbeet is immers beschermvrouwe van het Arboretum.
Anne-Mariken Raukema
‘Ik ben geboren in 1951 en mijn ouders konden destijds van de Amsterdamsche Coöperatieve Onderwijzers-Bouwvereeniging, de ACOB, een vijfkamerflat huren aan de Erik de Roodestraat, nummer 19-III in Nieuw-West. Dat kon, omdat ze allebei in het onderwijs zaten.’ Gerdi Verbeet vertelt dat haar ouders de eerste tijd verplicht waren twee, en later een kamer te verhuren, vanwege de grote woningschaarste in de naoorlogse jaren.
In 1971 trouwde ze ‘vanuit huis’, toen in Slotervaart en woonde kort op kamers in de Frans van Mierisstraat. Daarna antikraak op de Willem de Zwijgerlaan, terug naar West dus, waar ze lid werd van de Partij van de Arbeid, afdeling Slotervaart. Hier werden haar twee zoons geboren. Pas bij de geboorte van de jongste kreeg het jonge stel een woonvergunning, toen nog usance voor de sociale huursector in Amsterdam.
‘Mocht niet tekenen voor nieuwe huurflat’
Daarna volgde een verhuizing naar de Nachtwachtlaan, maar ze mocht niet tekenen voor de nieuwe huurflat, dat moest het hoofd van het gezin (de man) doen. ‘De hele middag zat ik met twee jonge kinderen te wachten om het huurcontract te tekenen. De wet op de handelingsbevoegdheid was nog niet ingevoerd. Mijn zoon is in het Annapaviljoen geboren, zoals zoveel Amsterdammers. Toen moest je nog tien dagen blijven liggen, en ik wilde geen borstvoeding geven, omdat ik verder wilde met m’n studie. Ik had het idee dat ze me daarom in het bed naast de kolfmachine legden….’

Ander soort Amsterdams
Intussen was Gerdi Verbeet aan de studie sociale geografie begonnen. Het gebouw van de Gemeentelijke Universiteit (nu UvA) waar de colleges plaatsvonden stond op de hoek van de Wijttenbachstraat en de Dapperstraat, waar later de Reinwardtacademie kwam en nu havo De Hof is gehuisvest. ‘Het was 1970/71 en ik had er les van Hedy d’Ancona, Saar Boerlage – die planologie gaf – en Maurice de Hond leerde ons omgaan met de tafelcomputer. We moesten onder andere enquêtes opstellen en die afnemen bij bewoners van de Tweede Oosterparkstraat en de gegevens op ponskaarten verwerken.’
‘Het was het begin van de stedelijke vernieuwing; de metro naar de Bijlmer zou worden aangelegd. Ik weet nog heel goed hoe ik de bewoners eigenlijk niet kon verstaan. Was ook wel wat verkouden, maar ze spraken echt een ander soort Amsterdams. Omdat ik niet steeds wilde vragen ‘wat zegt u?’ heb ik maar wat ingevuld. Toen ik dat later tijdens college aan Hedy d’Ancona vertelde, reageerde ze heel geërgerd. Het enige wat de bewoners van de Tweede Oosterparkstraat me duidelijk gemaakt hadden, was daar ze daar wilden blijven wonen en als het kon een douche erbij. En geen huurverhoging.’
Het zou haar eerste ervaring zijn met de kloof tussen wat haar moeder ‘academisch misvormden’ noemde met hun veldwerk, methoden en technieken enerzijds en buurtbewoners anderzijds.
Huiskamergesprekken
Een boek wat ze in dit opzicht koestert is Dennis Bos’ Waarachtige volksvrienden, een geschiedenis van de vroege socialisten in Amsterdam in de jaren 1848-1894. ‘Dat geeft heel goed aan wat de kracht van de huiskamergesprekken waren en zo druppelsgewijs de sociaaldemocratische en communistische ideologieën werden verspreid over een buurt’, aldus Verbeet.
Deze studie sociale geografie zou ze niet afmaken, lastig te combineren met twee jonge kinderen. Later zou ze – in navolging van haar ouders die met aktes carrière in het onderwijs hadden gemaakt – MO-Nederlands doen. Ze zou daarna werken in het onderwijs en het leerlingwezen.
Uitstapje Amstelveen
Met haar inmiddels tweede echtgenoot en opgroeiende kinderen volgde in 1987 een verhuizing naar Amstelveen. ‘Een grotere woning, slaapkamers voor de kinderen, een werkkamer voor hem, ik deed en doe m’n werk gewoon op de bank.’ In die periode werd ze bestuurlijk actief in de Partij van de Arbeid, werd congresafgevaardigde. Intussen was haar één jaar oudere broer Martin politiek actief in Oost. Verbeet: ‘Hij was in 1969 in de Transvaalstraat gaan wonen, wat hem goed beviel.’

Tien jaar Amstelveen bleek genoeg, het verlangen terug naar de stad was te groot. Ze verhuist in 1997 naar een nieuw appartement met zicht op de Amstel en woont daar nog steeds. Ze is intussen voorzitter van de VvE en geniet niet alleen van het uitzicht, maar ook van de gezellige contacten met de buren. ‘Hier ga ik nooit mee weg.’
Gerdi Verbeet haalt herinneringen op aan Eberhart van der Laan (‘Zo fijn dat ‘ie hier op de Nieuwe Ooster ligt…’). Hij kwam een keer spreken in Amstelveen op een afdelingsvergadering en vroeg toen of hier ’s morgens vroeg het gras wordt gekamd. Eenmaal terug in Amsterdam kreeg ik van hem een inburgeringscursus, en die is – zoals velen weten – best pittig.
De uitvaart van tante Tonia
‘Ik kende Oost alleen uit de verhalen van mijn grootmoeder. Zij was dienstmeisje op het ’s Gravesandeplein. En ze vertelde dat m’n opa veel last van z’n ogen had en dan dus vaak in het Oogziekenhuis lag aan de Linnaeusstraat, wat later het Burgerziekenhuis zou worden, daarna stadsdeelkantoor en nu hotel. Mijn eigen eerste keer in Oost kan ik me nog goed herinneren. Dat was hier, op De Nieuwe Ooster, bij de uitvaart van tante Tonia, een jongere zus van mijn oma. Ik was acht, Martin negen.’ Verbeet haalt dierbare herinneringen op aan de smockjurkjes die de liefste tante Tonia maakte. Alle volwassenen waren erg verdrietig en van die spanning kregen de twee kinderen de slappe lach. ‘Je weet dat het niet gepast is, maar toch kun je niet stoppen…’

Spreekuur bij Elsa’s aan de Middenweg
Van 1994 tot 2001 was Gerdi Verbeet politiek adviseur van Tineke Netelenbosch en Ad Melkert, respectievelijk staatssecretaris van OC&W en fractievoorzitter van de PvdA. Daarna zou ze voor elf jaar de kamer in gaan. ‘Van 2001 tot 2006 had ik in Elsa’s aan de Middenweg een spreekuur, samen met volksvertegenwoordigers van het stadsdeel, de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Dat betekende dat niemand weg kwam met ‘daar ga ik niet over’ – wie vragen had, werd echt geholpen.’
Gerdi Verbeet heeft vaak haar zorg geuit over de samenstelling van de Tweede Kamer. ‘Het is geen doorsnede van de samenleving meer. De academisch opgeleiden zijn sterk oververtegenwoordigd. Mijn moeder sprak altijd over ‘academisch misvormden’; die hebben te weinig voeling met wat er echt in wijken en dorpen speelt.’
Niet kunnen wennen aan kroonluchters
Haar werkkamer op het Binnenhof was voor een groot deel ingericht met de meubels die Jeltje van Nieuwenhoven (de eerste vrouwelijke Kamervoorzitter, ook PvdA) had gebruikt. Frans Weisglas (VVD) had een heel andere smaak, dus moesten de meubels uit het depot worden gehaald. Omdat ze kunstwerken mocht kiezen – en de Tweede Kamer sinds honderd jaar weer een Amsterdamse voorzitter had – koos ze voor een combinatie van klassiek en eigentijds. Vier sterk uitvergrote foto’s van het enigszins verpauperde Bickerseiland, een mooi een portret van Beatrix van Jeroen Henneman – en een zeventiende-eeuws zeegezicht. Aan de kroonluchters heeft ze nooit echt kunnen wennen. ‘Ik moest altijd denken aan mijn grootmoeder die die dingen als dienstbode moest poetsen en zei: ‘Het is een klerewerk om die dingen schoon te maken.”
Tomaatrode Renault Dauphine
In de 28 jaar dat ze weer in Amsterdam woont, Oost nu, heeft Gerdi Verbeet niet echt veel zien veranderen. Wel de stad zien uitdijen, met onder andere het Amstelkwartier op loopafstand. Voor die tijd al zag ze ook de ‘verbubbeling’ met enigszins lede ogen aan. ‘De hele Oosterparkbuurt is gegentrificeerd. Vroeger woonden de welgestelden aan het park, richting de spoordijk woonden de arbeiders.’
Gelukkig is ook een aantal zaken ten goede veranderd. Blij is Verbeet dat er veel meer wordt gefietst, dat de buitenruimte sowieso beter wordt gebruikt en dat de mogelijkheden om erop uit te gaan in Oost bijna onuitputtelijk zijn. ‘Het grasveldje bij Waternet ligt tegenwoordig vol op zomerse dagen, het Oosterpark heeft heerlijke plekken en je kunt geweldig uit en uit eten. Mijn ouders hadden vroeger een tomaatrode Renault Dauphine, dus als ik restaurant Dauphine binnenloop, zie ik dat beeld weer voor me.’
‘Ben niet van missen’
Op de vraag of ze het Kamerwerk mist, is Gerdi Verbeet duidelijk: ‘Geen moment. Ik ben niet zo van het missen. Ik wist dat ik geen derde termijn wilde, maar in de periode voor mijn afscheid werd ik toch een keer zwetend wakker. ‘Wie ben ik nog als ik geen functie meer heb…, wat zet ik op mijn visitekaartjes?’ Dat vertelde ik m’n secretaresse, die in de uitnodigingen voor mijn afscheid een visitekaartje liet schuiven en voor twee extra doosjes nieuwe visitekaartjes zorgde, met de mededeling ‘Je naam is nu je visitekaartje’. Zo lief. Dat is nu dertien jaar geleden en ik denk er nog wel eens aan.’
Graag had ze de burgervraag voor het Mondelinge Vragenuur op dinsdag – ingediend bij een van de partijen en door een volksvertegenwoordiger naar voren gebracht – ingevoerd, maar dat is niet meer gelukt, omdat het kabinet Rutte I voortijdig viel.

Maatschappelijk nevenfuncties
Sindsdien bekleedde ze en bekleedt ze nog maatschappelijk nevenfuncties. Haar laatste betaalde toezichtfunctie heeft ze vlak voor de zomer neergelegd. Zo was ze voorzitter van de raad van commissarissen van Unilever en Novamedia en was ze commissaris bij Siemens. Ook was Gerdi Verbeet zes laar lang (onbetaald) voorzitter van het 4 en 5 mei Comité. Nu is ze ambassadeur van het Zwanenkoor, beschermvrouwe van het Arboretum, lid van het comité van aanbeveling van Museum Tot zover en zat alweer een tijd geleden in de raad van toezicht van Artis. En is nu ook voorzitter van het comité van aanbeveling van het kunstproject De Nollen van wijlen Rudi van de Wint – en nu zijn twee zonen – in de duinen onder Den Helder.
‘Jammer dat de stadsdeelraden afgeschaft’
Broer Martin was ook vrijwel z’n hele leven politiek actief, ook voor de PvdA, als stadsdeelbestuurder en -voorzitter in Oost en daarna als gemeenteraadslid en. Het sociaaldemocratische bloed stroomt al generatieslang door de familiestamboom – ‘M’n kleinzoon is de zevende generatie die lid is van de PvdA,’ zegt Verbeet niet zonder trots. Dus de vraag hoe ze denkt over de stadsdeelcommissies en de stadsdeelraden vindt ze niet ongepast. ‘Ik vind het jammer dat de stadsdeelraden zijn afgeschaft,’ stelt Verbeet onomwonden. ‘Ik vond het mooi dat burgers meebeslisten over hun stadsdeel, dan is de afstand tot de burgers en hun dagelijkse beslommeringen kleiner.’
Ze is erg tevreden over het functioneren van de stad, en dat iets als huisvuil ophalen beter centraal geregeld kan worden dan decentraal, daar gelooft ze ook in. ‘Maar als hier de hele dag door boten langskomen, zonder sanitaire voorzieningen en die jongens kruipen aan de wal om hun behoefte te doen, dan denk ik ‘Zou het stadsdeel niet sneller ingrijpen?’ Het stadsdeel zit veel dichterbij. Geen kwaad woord trouwens over de buurtregisseurs en buurtmanagers. Die zijn goed bereikbaar en doen goed werk, al moeten ze wel vaak zaken terugkoppelen met de centrale stad en dat neemt weer tijd.’
Haring, met uitjes en zuur, in stukjes, met een prikkertje
Over de vraag waar je haar voor kunt wakker maken hoeft Gerdi Verbeet niet lang na te denken. ‘Een haring, met uitjes en zuur, in stukjes, met een prikkertje. Bij voorkeur van de haringkar in de Maasstraat. Nee, geen broodje, geen toastje erbij, maar als er thuis een ijskoude jonge jenever naast staat, laat ik die niet staan. Zo lekker!’
Tenslotte: als Gerdi Verbeet voor een keer een toverstokje zou hebben en iets mocht veranderen in Amsterdam, wat zou dat dan zijn? ‘Dat is toch het vuil op straat aanpakken. Dat is me een doorn in het oog. Als mensen nou eens zouden beginnen met het afval even mee te nemen als ze voor een volle afvalbak staan, en het er niet naast gooien. Gewoon even meenemen naar een volgende bak, of mee naar huis.’
Een goede tweede is de eenzijdigheid aan winkels in het centrum. ‘Vanmorgen liep ik naar het Anne Frankhuis. Ik kwam door de Oude en Nieuwe Hoogstraat, over de Dam. Alleen maar snoep-, nutella- en stroopwafelwinkels. Gelukkig is de fourniturenwinkel van Lenie Boeken er nog steeds. Wat zou de stad opknappen met wat meer variatie. Als het aan mij ligt mogen er meer boekhandels komen.’







