Home Dwars nieuws Lampionplanten in de Ruyschstraat

Lampionplanten in de Ruyschstraat

Geleerden en straatnamen rond het Oosterpark deel 2

0

De Ruyschstraat is een wel erg stenige straat, maar bij omhoog kijken naar de schoorsteenpijp van het OLVG-Oost zijn daar enorme oranjerode kelken te zien van de lampionplant, die haar goudbessen omsluiten. Frederik Ruysch zal de geneeskrachtige eigenschappen ervan gekend hebben.

Robert van Andel | Beeld Henk Pouw

Het  schoorsteenkunstwerk van kunstenaar en dichter Iris le Rütte is ontworpen om het zicht voor patiënten vanuit het OLVG-beddenhuis op de sombere pijp tot een ruggensteuntje te maken onder de titel ‘Vergeet nooit te dromen’. Berichtjes van dankbare patiënten tonen dat het werkt!

Maar ook vanaf het ’s Gravesandeplein of de Ruyschstraat geniet men mee. De lampionplant / goudbes / psysalis op de schoorsteen sluit bovendien aan op Ruysch’ positie als hoogleraar in de botanie met verantwoordelijkheid voor de Hortus Botanicus. Dit hoogleraarschap bekleedde hij naast zijn meer dan 50 jaar lange professoraat in de anatomie, waar hij vooral om bekend is. Terzijde: Ruysch’s dochter Raquel was bloemenschilderes, haar werk behoort tot de topstukken van musea. De Ruyschstraat draagt ook haar naam.

Naar Amsterdam

Frederik Ruysch (1638-1731) was tijdens zijn lange leven uiterst veelzijdig als arts, anatoom, apotheker, zoöloog en botanicus. Hij was een Hagenaar; zijn vader was een hoge bestuursambtenaar die in dienst was van de Staten van Holland. Kort na de afronding van zijn praktijkopleiding tot apotheker en de studie geneeskunde te Leiden (met promotie) werd hij vanwege zijn toen al hoge professionele aanzien vanuit Den Haag naar de hoofdstad gehaald door Nicolaas Tulp (1593-1674).

Tulp bekleedde meermaals het Amsterdamse burgemeesterschap, maar was zelf ook arts en anatoom. Het was de bloeiperiode voor stad en land die aangeduid wordt met de nu omstreden term ‘De Gouden Eeuw’. Handel, kunst en wetenschap beleefden vele hoogtepunten, maar er waren ook schaduwkanten. De stad kende een enorme bevolkingsaanwas en de gezondheidszorg liet te wensen over. Tulp haalde als bestuurder Ruysch naar Amsterdam omdat hij in hem een jonge collega-medicus zag die de gezondheidszorg in de stad kon verbeteren.

Vroedvrouwenopleiding

De eerste opdracht luidde het verbeteren van de vroedvrouwenopleiding. Het kan niet toevallig zijn dat – eeuwen later – de in 1861 opgerichte Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen te Amsterdam lang gevestigd was op één van de hoeken van de Ruyschstraat met de Camperstraat. Het monumentale, laat negentiende-eeuwse ‘academiegebouw’ in neogotische stijl, van 1900, is na bijna tachtig jaar vroedvrouwenschool gelukkig behouden gebleven en is nu een appartementencomplex. Ruysch’ veelzijdigheid maakte dat hij later in Tulp’s voetsporen trad als hoogleraar anatomie aan het Athenaeum Illustre, de voorloper van de Gemeente Universiteit / UvA.

‘Professores Anatomiae Amstelodamensis’

Het Professor Tulpplein met daarop uitkomend de Professor Tulpstraat voor het Amstel Hotel heeft allure en herinnert aan de invloedrijke burgervader /arts / anatoom. Neem van hieruit de Tulpbrug, de wandelfietsbrug over de Singelgracht en onder de Torontobrug door naar de Weesperzijde.

In de wijken ter weerzijden van de Wibautstraat zijn naast Ruysch ook andere opvolgers van Tulp, Professores Anatomiae Amstelodamensis vernoemd. Jan Deyman (1620-1666) en zijn opvolger Gerardus Blasius (1625-1693) waren hoogleraar anatomie na Nicolaas Tulp en vóór Frederik Ruysch. De Deymanstraat is een kort, stedenbouwkundig rommelig straatje vanaf de Wibautstraat parallel aan de Ruyschstraat in de Weesperzijdestrook. De Blasiusstraat vraagt om herinrichting in zijn loop vanaf de Amstel, met een harde onoverkomelijke knip bij de Wibautstraat en vervolg tot bij de Camperstraat aan OLVG-Oost.

Petrus Camper (1722-1789) en Andreas Bonn (1738-1817), respectievelijk van de Camperstraat en de Andreas Bonnstraat en vader en zoon Vrolik van de Vrolikstraat bekleedden dit professoraat in de 18de en in de 19de eeuw.

Geheime vloeistoffen

In de vorige aflevering over de Vrolikstraat en Museum Vrolik kwam terzijde de verkoop door Frederik Ruysch van zijn collectie anatomische preparaten aan Tsaar Peter de Grote aan de orde. De ambitie van deze vorst om zo’n collectie te verwerven illustreert de 17de-eeuwse fascinatie met anatomische preparaten en de wedijver onder anatomen naar preparaten van steeds hogere kwaliteit; levensechtheid was daarbij het streven. De anatomische preparaten van Ruysch die hij aan het publiek tentoonstelde in Amsterdam waren in heel Europa beroemd en werden wel als ‘het achtste wereldwonder’ aangemerkt. Als preparateur was Ruysch een grootmeester, maar hij hield geheim met welke technieken en met welke vloeistoffen hij de conservering tot stand bracht. Het is echter duidelijk dat hij voortbouwde op balseming van lijken voor onderzoek, zoals dit beoefend werd in Engeland in het begin van de17de eeuw. De naam William Harvey (1578-1657), arts en natuuronderzoeker, moet daarbij genoemd worden.

Anatomische lessen geschilderd

Rembrandt van Rijn had al in 1632 op 25-jarige leeftijd zijn meesterwerk, het in het Mauritshuis te Den Haag te bewonderen schilderij ‘De anatomische les van Dr. Nicolaas Tulp’, geschilderd. Met ‘De anatomische les van Dr. Deyman’ schilderde Rembrandt in 1656 nogmaals dit thema. Na een brand in 1723 resteert slechts een deel van het veel grotere oorspronkelijke schilderij. Het schilderij bevindt zich nu in museum Hermitage, in bruikleen van het Amsterdams Museum. Dit museum bezit ook het schilderij ‘De anatomische les van dr. Frederick Ruysch’ / het ontleden van een baby, geschilderd door Jan van Neck in 1683.

Bloed circuleert

In de middeleeuwen was het openen van lijken strikt verboden. De wetenschappelijke revolutie die zich in de eeuwen daarna voltrok,  legde ook in de medische wetenschap een nieuw accent op onbevooroordeelde analyse van verschijnselen en proefondervindelijk onderzoek naar de houdbaarheid van vooronderstellingen. William Harvey was een  gedreven docent en onderzoeker, die opklom tot geneesheer van de Engelse Koning James I. Hij bestudeerde en analyseerde het menselijk hart en berekende uit het volumen dat hij mat in de hartholte en het aantal hartslagen hoeveel bloed per tijdseenheid voortgestuwd werd. Hij kwam op de gedachte dat het wel zo zou moeten zijn dat niet steeds sprake is van nieuw gevormde bloedvloeistof, wat de eeuwenoude leer stelde, maar dat bloed circuleert. Het lastige punt bij die gedachte was wel dat er geen verbinding bekend was tussen de slagaderen en de aderen.

Over beweging vanuit het hart

Om het bestaan van deze voor hem onzichtbare verbinding aan te tonen deed Harvey onderzoek op de arm  van een proefpersoon waarbij na strak afknellen en enigszins lossen niet alleen de slagaderen zich vulden, maar ook de aderen: het bestaan van een verbinding was daarmee aangetoond! Harvey’s beroemde publicatie met zijn bewijs voor het bestaan van de bloedsomloop en de functie van het hart daarin werd uitgegeven in 1628 in Frankfurt onder de titel ‘De motu cordis’ / ’over  beweging vanuit het hart’. Harvey beschreef ook zijn anatomische vondst van kleppen in de aderen, die de terugvloed van bloed naar het hart bevorderen. Ruysch kreeg Harvey’s revolutionaire inzichten met zijn opleiding mee. In aanvulling op Harvey’s concept van een bloedsomloop deed Ruysch een interessante ontdekking. Hij vond bij anatomisch onderzoek dat er ook kleppen aanwezig zijn in de lymfevaten waarmee weefselvloeistof teruggevoerd wordt naar de bloedbaan. Het concept van vloeistofstromen in het lichaam werd zo verder uitgebouwd.

Tegenwoordig beschouwen we allemaal ons hart als een pomp, die zelfs in nood vervangbaar is. Dit illustreert wat wetenschapshistoricus Dijksterhuis in 1950 beschreef als ‘De mechanisering van het wereldbeeld’. Van Harvey is bekend dat het hem diep verontrustte dat ons hart – ‘de menselijke kern’ – een pomp bleek.