Precies 75 jaar geleden kwamen 12.500 Molukse militairen en hun gezinnen aan in de havens van Amsterdam en Rotterdam. Hun verblijf zou tijdelijk zijn, maar inmiddels groeit een vijfde generatie op in Nederland. In deel 2 van onze interviewserie met Molukse buurtgenoten spreken we Lena Maail-Pattipeilohy (96) en haar dochter Tonnie (64). Over opkomen voor jezelf, afwijzing doorstaan en verbinding blijven zoeken. 

Tekst: Winnie van Heesch | Fotografie: Cor Leiwakabessij

‘Als de boot zo ging, ging ik ook zo.’ Tante Lena maakt met haar handen de schommelbeweging van haar hangmat tijdens de overtocht naar Nederland. De Kota Inten was geen passagiersboot, maar een omgebouwd vrachtschip, bedoeld voor troepentransport. ‘Ik was de hele tijd zeeziek, het was verschrikkelijk.’ Lena is dan wel de dochter van een Molukse marineman, ze is na die ervaring nooit meer op een boot gestapt. 

Geen ontslag  

Marinemensen vormden met ongeveer zestig gezinnen een minderheid van de Molukkers die in 1951 naar Nederland kwamen. Zij kregen een betere ontvangst dan de voormalige KNIL-soldaten. Waar de KNIL-militairen bij aankomst in Nederland werden ontslagen en nooit hun achterstallige soldij kregen, werden de marinemensen wel betaald en bleven ze in dienst van de Koninklijke Marine. En terwijl de KNIL-militairen vaak decennialang in barakken moesten wonen, konden de marinegezinnen na een relatief korte tijd in kamp Medemblik naar een woning verhuizen. 

Zonder vader  

Lena heeft geen zeebenen, maar laat zich niet omverblazen. Als kind, opgroeiend op Java, leert ze zich al redden in zware omstandigheden. Haar vader wordt krijgsgevangen genomen tijdens de Japanse bezetting. Lena wordt nog emotioneel als ze erover vertelt: ‘Ik zal nooit vergeten wat mijn moeder heeft gedaan voor ons. Ze ging naar de markt om de kleren van mijn vader te verkopen. Ze had geen keus. We aten een beetje rijst gemengd met mais.’ Voor Lena en de andere meisjes in het dorp is er altijd de dreiging dat je door de Japanners wordt meegenomen als troostmeisje. ‘Als zij het dorp in kwamen, liepen wij steeds hierheen, daarheen. Overal waar zij niet waren. Ik was altijd bang.’ 

Na de oorlog weet het gezin niet of vader nog leeft en waar hij is. Het is een chaotische tijd, Soekarno heeft de onafhankelijkheid uitgeroepen en Indonesische nationalisten hebben het voorzien op iedereen die met Nederland te maken heeft. Opnieuw ervaart Lena angst en ontberingen. Na vijf jaar worden ze eindelijk met hun vader herenigd. Die schrikt als hij zijn kinderen ziet. Lena: ‘We waren gekleed in een servet en een theedoek.’ Haar jongste broertje heeft zijn vader sinds zijn vierde niet gezien en herkent hem niet. ‘Hij zei oom tegen mijn vader. Dat was moeilijk voor hem.’  

Nadat Indonesië onafhankelijk wordt, staat het gezin voor de keus: blijven of naar Nederland. Ze besluiten de reis te maken. Lena komt twee dagen voor haar 21e verjaardag aan in Medemblik. Ze herinnert zich het eten daar: ‘Een Hollandse kok maakte nasi goreng voor ons. Nou, dat leek er niet op.  Het was pap goreng.’ Veel mensen laten het staan. Lena brengt de emmer met restjes naar de varkensboer. En de pot jam die ze elke week krijgen, ruilen ze met de vissers tegen gerookte paling. Zij vindt dat heerlijk, maar haar moeder moet er niets van hebben. Die zegt: ‘Ga jij die slang maar buiten opeten.’

‘We waren de eerste bruintjes, hè.’   

Overplaatsing   

Na een jaar wil Lena haar vleugels uitslaan. Ze gaat naar Amsterdam voor een mode-opleiding. Daar kan ze bij een bevriend marinegezin in Bos en Lommer wonen, maar ze mist haar ouders. Haar vader probeert vanuit Den Helder overgeplaatst te worden naar Amsterdam, maar krijgt steeds nee te horen. Dan gaat Lena er zelf op af. ‘Samen met een oom ging ik naar sociale zaken van de marine in Amsterdam. Ik kwam daarbinnen en zag alleen maar mannen in die kamer.’ De jonge Lena laat zich echter niet afschrikken en bepleit haar zaak bij de mevrouw achter het loket. ‘Zij belde met Den Helder. Ze zei: ‘Dit meisje studeert, ze heeft haar ouders nodig.’ De overplaatsing is diezelfde dag nog geregeld.  

Het gezin verhuist naar Slotermeer. In de buurt wonen de andere Molukse marinegezinnen, en ook veel indo’s. Op huisfeestjes neemt ieder zijn eigen lekkernijen mee en er wordt gedanst op rock-‘n-roll. Maar als Lena zelf trouwt en haar eerste kind krijgt wordt het te klein.    

Rijstpikkers   

In 1958 kan Lena een huis bezichtigen in de Transvaalbuurt. Na het warme bad van Slotermeer is dat in eerste instantie een koude douche. Lena: ‘We waren de eerste bruintjes, hè.’ De huiseigenaar heeft de sleutel voor de bezichtiging aan de benedenbuurman gegeven. Maar die wil hen niet binnenlaten. Ook niet als Lena de brief van herhuisvesting laat zien. ‘’OK,’ zei ik, ‘dan ga ik wel naar de politie.’’ Met hulp van een agent komt ze toch binnen. Ze nemen de woning, en hebben een pittige start. Tonnie: ‘Op school was het van ‘Pinda, ben je door de stront gerold?’ ‘Melkfles’, riep ik dan terug.’ Lena: ‘Een buurvrouw noemde ons rijstpikkers. Wat kon ik doen? Praatjes blijven aanknopen met de buren.’ Met de meesten ontwikkelen ze uiteindelijk een warme band. De benedenburen die hen ooit de sleutel hebben geweigerd, worden uiteindelijk een soort familie voor hen, ze delen lief en leed.  

Echte Molukkers?   

Terwijl ze opgroeit in een overwegend witte Transvaalbuurt, zijn de Molukse woonoorden voor Tonnie een andere wereld. ‘We kwamen vaak bij familie in Schattenberg (het voormalige kamp Westerbork, wvh). Ik vond het geweldig daar, tussen die houten barakken. Er gingen verhalen over spoken, mensen zeiden dat ze stemmen hoorden. Heel spannend.’ Tonnie wordt daar wel als een buitenbeentje gezien: ‘’Je woont in Amsterdam en je praat geen Maleis, dus je bent geen echte Molukker,’ zeiden ze dan.’ 

Monument   

Dé echte Molukker bestaat niet. Die erkenning is er voor Tonnie nu ze samen met Lena is geportretteerd voor de tentoonstelling Samangat! op het Java-eiland. Die tentoonstelling laat juist de veelkleurigheid van de Amsterdamse Molukse gemeenschap zien. Daarnaast is er dit jaar ook erkenning voor de gedeelde geschiedenis van de Molukse marinemensen. In april heeft Lena samen met andere nazaten het monument voor Molukse marinegezinnen onthuld. Want al hadden de marinemensen het in Nederland beter dan de KNIL-militairen, ze kennen allen de pijn en de achterstelling van de koloniale tijd. Tonnie: ‘Mijn opa had best een behoorlijke functie in Nederlands-Indië, maar hij verdiende minder dan een Nederlandse dienstplichtige soldaat. Dat was gewoon racisme.’ 

 

Vorig artikelCaravan of Love bezoekt Parknest 
Volgend artikelScience Park