Home Oud Oost Oud Nieuws | Moord in de Gerardus Majella

Oud Nieuws | Moord in de Gerardus Majella

0

Oud Nieuws | 29 maart 1929 – Op Goede Vrijdag gebeurt er tijdens de bouw van de RK Gerardus Majellakerk aan het Ambonplein een vreselijk ongeluk. Leidekker Leendert Arkenbout stort tijdens het werk uit de toren van de kerk naar beneden en blijft ter plekke dood. In eerste instantie denkt men aan een ongeluk, maar langzamer maar zeker beginnen geruchten de ronde te doen dat hier sprake is van moord.

Zo blijkt de Haagse patroon van de leidekker, de van geboorte Duitse 46-jarige J.G. Maring, een levensverzekering van maar liefst fl. 50.000 te hebben afgesloten op het leven van de werknemer, die tevens compagnon was. Deze verzekering wordt uitbetaald, maar als Maring op de opvolger van de jammerlijk omgekomen knecht direct een nieuwe levensverzekering wil afsluiten, ditmaal ter hoogte van enige honderdduizenden guldens, begint men ten kantore van het levensverzekeringsbedrijf ernstig wantrouwen te koesteren. Begin november 1930 komt het tot een arrestatie.

De verdachte wordt geruime tijd vastgehouden, maar hij ontkent voortdurend en met verontwaardiging. Het lijk van de omgekomene wordt daarom opgegraven voor nader onderzoek en overgebracht naar het Wilhelmina-Gasthuis voor nader anatoom-pathologisch onderzoek. De uitslag van de lijkschouwing laat even op zich wachten, maar de verdenkingen tegen Maring worden ook daarbuiten steeds sterker, ook vanwege ernstig bezwarende verklaringen. Er zouden namelijk grote spanningen tussen de beide compagnons bestaan hebben. Dan wordt de uitslag van de autoptie bekend: de schedel van Arkenbout is met een leidekkershamer ingeslagen, alvorens hij naar beneden is gevallen.

Maring tracht nu de schuld te schuiven op meesterknecht W.H. Wessendorp, maar doet dat op een wel zeer onhandige wijze, namelijk door in het Amsterdamse huis van bewaring een briefje in een stuk brood te verstoppen en dat te overhandigen aan een medegedetineerde, met het verzoek een valse getuigenis af te leggen tegen W. Dit briefje wordt echter onderschept door een oplettende bewaker.

Zeer bezwarende feiten komen in de rechtzitting boven tafel tegen de nog steeds agressief ontkennende verdachte. Zo zijn boven in de koepel bloedsporen van Arkenbout aangetroffen door hoofdinspecteur J.F. van Slobbe. Na beschuldigingen van meesterknecht Wessendorp aan zijn adres, komt verdachte nu met een nieuwe verklaring, waarbij hij meldt dat hij zelf getuige is geweest van een gevecht in de koepel tussen Arkenbout en Wessendorp, waarbij de laatste de eerste de hersens ingeslagen zou hebben. Wessendorp zou hem ernstig bedreigd hebben en daarom had hij deze versie niet eerder bekend gemaakt. De rechtzaak sleept zich voort, want nog steeds niet kan met zekerheid de schuld van de heftig ontkennende verdachte worden vastgesteld.

Dan maakt Maring een tweede ernstige fout: in een alweer onderschepte brief uit de gevangenis, ditmaal aan zijn zoon, vraagt hij om getuige Wessendorp, woonachtig in ‘s-Hertogenbosch, met een pistoolschot om het leven te brengen en bij diens lijk een vervalste zelfmoordbrief te leggen. Het net sluit zich nu om de verdachte. De Openbaar Aanklager eist eind oktober 1931 levenslang. De straf wordt door de rechtbank toegekend. De verdachte roept uit: “Al eist de rechtbank duizend jaar, ik ben onschuldig! en de moordenaar loopt vrij rond.” Deze uitroepen herhalend wordt hij door de veldwachters weggevoerd.

Maring gaat in hoger beroep maar wordt opnieuw tot levenslang veroordeeld. In juli 1932 wordt hij naar Leeuwarden overgebracht om zijn straf uit te zitten.

Bron Algemeen Handelsblad
Foto Stadsarchief Amsterdam
Met dank aan Rogier Schravendeel