‘Ik ben watermeloen aan het eten, wil je ook?’ Aan gastvrijheid geen gebrek bij Myrthe (23) op de bovenste verdieping van de studentenflat aan het Bijltjespad op Kattenburg. De roze buitenmuren van het gebouw zijn sinds kort versierd met tekeningen van harige monstertjes met grote ogen. ‘De vrouw die de muurschilderingen maakte was heel aardig. Toen we een feestje gaven, heeft ze met haar liftje de bierkratjes omhooggebracht, en de dag erna ook weer naar beneden.’

Mayte Laurens Hinojosa

Myrthe, geboren en getogen Amsterdamse uit het centrum, woont er nu drie jaar. ‘Ik heb eerst fotografie gestudeerd en daarna kunstgeschiedenis aan de UvA.’

Het komende academisch jaar gaat ze beginnen met een werk-leertraject als operatieassistent bij het OLVG, een kleine switch. ‘Ik heb eigenlijk altijd al interesse gehad in de medische wereld.’ Als cadeau mocht ze meelopen bij een onderzoek naar de anatomische correctheid van Rembrandts Anatomische Les. Daar mocht ze de ontlede armen fotograferen. ‘Toen dacht ik: misschien is dit toch wel meer mijn richting dan kunstgeschiedenis of fotografie.’

‘Ik vind de sfeer gemoedelijk hier in het gebouw, en ook in de buurt’

Naast de nieuwe studierichting wil ze graag ook weer meer doen met fotografie, maar ze is nu ook bezig met haar training voor de halve marathon van Amsterdam. Dit doet ze met een paar huisgenootjes. Er komen steeds meer mensen bij. Met een ironisch randje noemen ze het de BP Running Club. ‘Ik vind de sfeer gemoedelijk hier in het gebouw, en ook in de buurt. Ik heb niet veel contact met de buren, maar je ziet wel veel mensen met elkaar kletsen, vooral als je op het plein vis haalt.’

Het naastgelegen Marineterrein is dan weer de welbekende ontmoetingsplaats voor studenten. ‘Het is eigenlijk de eerste keer dat ik zoveel in Amsterdam ben deze zomer, maar grappig genoeg kwam ik vroeger vaker op het Marineterrein, toen ik hier nog niet in de buurt woonde. Mijn moeder zegt altijd dat het water daar vies is’, zegt ze lachend. Daar heeft ze misschien wel gelijk in: ‘Mijn huisgenoten en ik vonden er eens een grote dode vis.’