19 augustus 1902. De trein naar Aken stopt stoomspuwend naast het perron van het Weesperpoortstation. De voorname dame glimlacht naar de man naast haar. Hij ziet eruit als een prins uit Duizend-en-één-nacht, die wat ongemakkelijk aan het confectiepakje plukt waar ze hem ingestoken heeft. De conducteur opent de deur van een eerste klas wagon. Ze geeft haar prins een arm en trekt hem mee. ‘Kom lieve Hambul, we gaan…’ 

Tekst: Melissa Plomp | Illustratie: Ruud Meijer

Hoofdman Maseri-Issah ijsbeert heen en weer voor zijn troep artiesten die zich hebben verzameld in het midden van de houten wielerbaan aan de Zeeburgerdijk. Ze rillen onophoudelijk in hun exotische gewaden, op het drassige grasveld tussen de verregende tenten. ‘Ik zie jullie wel flirten, mannen. Ik moet zeggen, de dames in Amsterdam doen hun naam geen eer aan. Ze zijn zeer vrijpostig. Zoals jullie weten is Hambul Saré al een aantal dagen zoek. Ik hoop niet nog meer van jullie te verliezen aan een bezoeker.’ Hij knikt tevreden. ‘Maak jullie dan nu klaar voor onze laatste dag in deze natte stad.’ 

De bezoekers worden ook vandaag weer in grote getalen aangevoerd door de tram vanaf het Muiderpoortstation en een motorbootje dat speciaal heen en weer vaart van het Centraal Station. Al bijna vier weken staan de tenten op het middenterrein van de wielerbaan. Houten decorstukken beschilderd met piramiden en een sfinx moeten de bezoekers het idee geven zich in de woestijn te bevinden. Fellah-handwerklieden vertonen hun kunsten. Hun prachtige creaties vinden gretig aftrek bij het publiek. In de mooiste tent, ‘het Arabisch café’, worden de bezoekers getrakteerd op zingende, heupwiegende buikdanseressen en koffie. 

Tussen de tenten is er drie keer per dag een voorstelling. ‘Het leven uit het land der piramiden’ belooft taferelen uit de woestijn. Berbers en Bedoeïnen spelen op hun twintig Arabische volbloedhengsten enigszins lamlendig het achterhalen van een paardendief en een overval op een karavaan na. Er zijn wedstrijden tussen de twaalf meegereisde renkamelen en vier Egyptische renezels, waarop gewed kan worden. Dansende krijgers worden begeleid door klappertandende muzikanten die met hun verkleumde vingers klinken alsof de muziek wordt afgespeeld op een akelig slechte fonograaf. 

Het meest ontzagwekkend zijn de Derwisjen. Eerst tonen zij al draaiend hun godsdienstige oefeningen om in trance te komen. Vervolgens steekt een van hen, zonder een spier te vertrekken een bundel brandende kaarsen in zijn mond. Een ander likt aan gloeiend ijzer. Na een maaltijd van glas, doorsteken ze hun lichaam met sabels en messen, waarna ze buigen en zonder een schrammetje het veld verlaten. 

Aan wat zo mooi begon, komt weer een eind. Vier weken geleden kwamen ze aan bij het Weesperpoortstation. Een flink aantal agenten moest het publiek dat uit elke zijstraat toestroomde op afstand houden. Het uitladen en optuigen van de dieren duurde lang vanwege de vele formaliteiten. Pas ’s avonds kwam de stoet eindelijk in beweging. Kamelen opgetuigd met felle kleuren en kleurrijke bereiders paradeerden door de Sarphatistraat. De hele troep ging gekleed in paradekostuum. Hoofdman Maseri-Issah reed statig op een prachtig paard aan het hoofd van de stoet, begeleid door twee zwarte mannen bewapend met stokken. De juli-zon beloofde een prachtig verblijf. 

Nu worden de natte tenten afgebroken. Glimmend van de regen sjokken de dieren met hangend hoofd terug naar het station. 

Hambul aarzelt. Hij kijkt nog een keer om. Dan naar de dame aan zijn arm, woonachtig aan de Heerengracht, die verliefd is geworden op zijn peinzend gezicht, zijn donkere ogen en zijn volleerde ruiterkunsten. Hij verstaat geen woord van wat ze tegen hem kwettert. Gewillig laat hij zich de luxe treinwagon intrekken. 

Helaas rept geen krant over wat er van Hambul en zijn dame geworden is…

Vorig artikelNimbus: vluchtigheid vastgelegd
Volgend artikelDansen met de blaadjes