Home Eva Kwakman Alledaagse dromen

Alledaagse dromen

0

Een week geleden liep ik in een roze schemering door de stille straten van Oost, die zo vertrouwd zijn gaan voelen als een grijsgedraaid album. Althans, zo hebben ze gevoeld tijdens veel van mijn coronawandelingen, waarbij ik uiteindelijk onvermijdelijk dezelfde rondjes liep. Onderweg kwam ik langs halfduistere speeltuintjes waar kleuters plaats hadden gemaakt voor tieners. Ze hingen op de schommels met hun smartphones in hun hand, plukjes roze geverfd haar achter hun oren gestreken en slotjesbeugels die af en toe tussen hun lippen tevoorschijn kwamen terwijl ze kletsten over de scheidingen van hun ouders. Ik voelde een zweem van jaloezie: zij begaven zich nog in het tijdperk waarin je zo wild over de toekomst kon fantaseren als je wilde, omdat die toch nog ver weg was. Ze hoefden zich nog niet te bekommeren om de praktische realiteit van dat alles, om de bijbehorende teleurstellingen en desillusies. Toch verleidde de uitgestrekte avondlucht die avond ook mij om even te dromen. Daarin lonkte de suggestie van een zomer van vrijheid die om de hoek lag, van de mogelijkheid om te vertrekken.

Vlak bij mijn huis ving ik een glimp op van een achtertuin aan de overkant van een plein waar zowaar een bandje stond te spelen, en niet eens unplugged, maar met versterkers, luide boxen, podium, lichten, alles erop en eraan. Er stond een publiek naar te luisteren dat af en toe juichte – uitgelaten vreugdekreten zweefden in flarden tot hoog in de eindeloze blauwe hemel, net als de warme, versterkte stem van de zangeres. De sterke prikkeling van mijn zintuigen was zo onwennig dat ik me toen pas de volle omvang realiseerde van de middelmatigheid die het afgelopen jaar mijn dagen heeft gekenmerkt. Het hele tafereel deed bijna buitenaards aan, als een aandenken aan een vorig leven dat alleen mijn onderbewustzijn zich nog herinnerde. Ik moest mezelf bedwingen om naar de opening van de schutting te lopen en stiekem om de hoek te gluren. In plaats daarvan bleef ik maar minutenlang op de stoep naar de lucht staren met de muziek in mijn oren, niet in staat om weg te lopen van dat waar ik zo naar verlangde, des te meer omdat het net buiten handbereik was.

Er zit een melancholische keerzijde aan deze neiging om het leven om me heen te romantiseren, dacht ik die avond bij mezelf. Anderen leven ín het moment, ik aanschouw het vanaf de zijlijn, in gedachten verzonken. Alsof ik naar een film kijk. Je hebt het frame van een camera, een lijst of, in mijn geval, een mentale typmachine nodig om een moment als kunst te kunnen zien, maar daarmee plaats je jezelf erbuiten. Het gaat gepaard met eenzaamheid en onbegrip.

De volgende dag was het Koningsdag en danste ik met vriendinnen op blote voeten in het gras van het Flevopark. ‘Ik heb me al zo lang niet levend gevoeld’, zei er één. Die middag voelden we het weer even, terwijl we onze ogen dichtknepen tegen de zon en naar elkaar glimlachten in een wijnroes. Maar daarachter verscholen zag ik in haar een ingetogenheid en een ernst die er een jaar geleden nog niet was.

Later op de avond, toen de zon achter de bomen was gezakt en we het dansen uitrekten tot het laatste moment dat de avondklok toestond, merkte een andere vriendin op: ‘Wat heeft een mens toch weinig nodig, hè. Muziek, buitenlucht, gezelschap.’ Daar had ze al mijn ingewikkelde gemijmer zomaar samengevat, in een enkele zin, zij het enigszins banaal. En ik besefte me dat ik eigenlijk helemaal niet uniek was.