Amsterdam heeft er de afgelopen vijf jaar 88 monumenten en vijf beschermde stadsgezichten bij gekregen. Opvallend is dat niet alleen eeuwenoude panden worden beschermd. Ook gebouwen uit de tweede helft van de twintigste eeuw krijgen steeds vaker de status van monument. In Oost behoort onder meer Buurthuis Transvaal tot het jonge erfgoed dat bescherming heeft gekregen.

Redactie

Amsterdam telt inmiddels bijna tienduizend monumentale en historische gebouwen. Samen vertellen ze de geschiedenis van de stad, van voorname woonhuizen en oude bedrijfsgebouwen tot buurthuizen, militaire bouwwerken en naoorlogse wooncomplexen.

De afgelopen vijf jaar is die verzameling opnieuw uitgebreid. In totaal kregen 88 gebouwen en objecten een monumentale status. Daarnaast werden vijf gebieden aangewezen als beschermd stadsgezicht. De gemeente heeft de nieuwe monumenten bijeengebracht op een digitale kaart, waarop ook informatie te vinden is over de geschiedenis, architectuur en voormalige bewoners.

Ook jongere gebouwen worden erfgoed

Bijzonder aan de nieuwe aanwijzingen is de aandacht voor zogenoemd Post ’65-erfgoed: gebouwen en buurten die na 1965 tot stand zijn gekomen. Lange tijd lag bij monumentenzorg de nadruk vooral op oudere architectuur. Inmiddels groeit het besef dat ook de naoorlogse stad een geschiedenis heeft die het bewaren waard kan zijn.

Een voorbeeld in Oost is Buurthuis Transvaal. Het gebouw behoort tot de jongere monumenten van de stad. Ook de flats Groenhoven en Gouden Leeuw in Zuidoost kregen bescherming. Daarmee verschuift het beeld van wat een monument kan zijn. Het gaat niet meer uitsluitend om grachtenpanden, kerken of negentiende-eeuwse gebouwen, maar ook om plekken die iets vertellen over de ontwikkeling van Amsterdam in de tweede helft van de twintigste eeuw.

De lijst van nieuwe monumenten is dan ook zeer uiteenlopend. Naast jong erfgoed zijn industriële gebouwen aangewezen, evenals militaire bouwwerken op het Marineterrein, woningen in Zuid en het bekende Plan van Gool in Amsterdam-Noord.

Meer dan bijzondere architectuur

Bij de aanwijzing van een monument speelt niet alleen de schoonheid van een gebouw een rol. Ook architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige waarden worden onderzocht. Daarnaast kan de betekenis van een gebouw voor een buurt of voor de ontwikkeling van de stad meewegen. Dat maakt monumentenzorg ook tot een vorm van geschiedschrijving. Gebouwen kunnen laten zien hoe Amsterdammers in verschillende perioden woonden en werkten, maar ook hoe ideeën over volkshuisvesting, architectuur, welzijn en stadsontwikkeling veranderden.

Vooral bij jonger erfgoed is die bredere blik belangrijk. Een buurthuis of wooncomplex hoeft op het eerste gezicht niet de uitstraling van een traditioneel monument te hebben, maar kan wel kenmerkend zijn voor een bepaalde periode of maatschappelijke ontwikkeling.

Van onderzoek tot bescherming

Een gebouw wordt niet zomaar een gemeentelijk monument. Erfgoedverenigingen en eigenaren kunnen een verzoek indienen om een pand te laten aanwijzen. Ook de gemeente zelf kan daarvoor het initiatief nemen. Vervolgens doet Bureau Monumenten en Archeologie onderzoek naar onder meer de architectuurgeschiedenis, bouwgeschiedenis en stedenbouwkundige betekenis. De Commissie Omgevingskwaliteit beoordeelt de monumentale waarde. Uiteindelijk besluit het stadsbestuur of het betreffende stadsdeel over de aanwijzing.

Met een monumentenstatus wordt vastgelegd dat de cultuurhistorische waarde van een gebouw bij toekomstige veranderingen moet worden meegewogen. Dat betekent niet dat een monument nooit meer mag worden aangepast, maar verbouwingen en andere ingrepen moeten rekening houden met de beschermde onderdelen en kwaliteiten.

Monumenten digitaal ontdekken

De gemeente heeft de monumenten die de afgelopen vijf jaar zijn aangewezen verzameld op een digitale kaart. Daarmee wordt het nieuwe erfgoed niet alleen juridisch beschermd, maar ook zichtbaarder voor Amsterdammers. De kaart laat zien hoe breed het Amsterdamse erfgoed inmiddels is. Tussen de bekende historische gebouwen verschijnen steeds meer plekken uit de recente geschiedenis. Daarmee wordt ook duidelijk dat het monument van de toekomst niet per se eeuwenoud hoeft te zijn. Soms staat het gewoon midden in de buurt en herinneren bewoners zich nog goed wanneer het werd gebouwd.

Buurtcentrum Transvaal: monument voor ‘bouwen voor de buurt’

Een van de opvallendste jonge monumenten in Oost staat aan de Danie Theronstraat 2 in de Transvaalbuurt. Buurtcentrum Transvaal werd in 1975 opgeleverd en is ontworpen door de architecten Pi de Bruijn en Ruud Snikkenburg, destijds werkzaam bij de gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting. Sinds 16 december 2025 heeft het gebouw de status van gemeentelijk monument.

De betekenis van het gebouw gaat verder dan de architectuur. Het buurtcentrum ontstond in een periode waarin de aandacht in Amsterdam verschoof naar stadsvernieuwing en verbetering van bestaande buurten. De opdracht voor een eerste ontwerp werd al in 1969 gegeven. Het nieuwe centrum moest vooral de sociale samenhang in de Transvaalbuurt versterken. Daarvoor werd een uitgebreid programma in één gebouw samengebracht. Er kwamen ruimtes voor recreatie en opbouwwerk, een bibliotheek, een sociëteit, een jeugdsoos, een handenarbeidlokaal en een grote gymzaal.

In 2016 vestigde BOOST zich in het gebouw. Dat was in een tijd waarin veel mensen op de vlucht naar Europa kwamen en daar opnieuw hun leven moesten opbouwen. Een groep actieve mensen geloofde in het inzetten van de (man)kracht van de stad wanneer het gaat over integratie. Binnen een paar maanden groeide BOOST uit tot een ontmoetingsplek voor honderden nieuwkomers en Amsterdammers uit de hele stad. Het markante gebouw is een perfecte plek om tal van verbindingen tot stand te brengen.

Ook architectonisch was het gebouw bijzonder. Voor de bouw werd een vervallen poortvormig woningcomplex uit 1926 gesloopt, maar de vorm daarvan keerde in zekere zin terug in het nieuwe ontwerp. De gymzaal werd opgetild en midden in het complex geplaatst. Daardoor ontstond onder de zaal een doorgang en vormt het gebouw opnieuw een poort in de Danie Theronstraat. De glazen gevels, stalen puien en glazen bouwstenen geven het complex zijn uitgesproken jarenzeventigkarakter.

Het ontwerp bleef destijds niet onopgemerkt. De Bruijn en Snikkenburg kregen in 1976 de Merkelbachprijs voor het buurtcentrum, de Amsterdamse architectuurprijs. Voor Pi de Bruijn betekende het gebouw bovendien een belangrijke stap in zijn loopbaan. Hij zou later uitgroeien tot een van de bekendere Nederlandse architecten.

De monumentenstatus kwam er niet snel. Erfgoedvereniging Heemschut vroeg al in 2017 om bescherming van het gebouw. Onderzoek naar de architectuurhistorische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische betekenis volgde. Daarbij woog vooral mee dat het buurtcentrum een tastbare herinnering is aan het naoorlogse idee van ‘bouwen voor de buurt’: architectuur moest niet alleen woningen of voorzieningen opleveren, maar ook bijdragen aan ontmoeting en gemeenschapsvorming.

De komende jaren dient zich tegelijkertijd een nieuwe opgave aan. Het vijftig jaar oude gebouw moet worden verduurzaamd. Vooral de karakteristieke glazen gevels en stalen puien maken dat ingewikkeld: verbetering van de energieprestaties moet worden gecombineerd met het behoud van de monumentale architectuur. Daarmee krijgt het buurthuis opnieuw te maken met een vraag die voor steeds meer jonge monumenten speelt: hoe maak je erfgoed uit de jaren zestig en zeventig geschikt voor de toekomst zonder juist datgene te verliezen waarvoor het is beschermd?

 

Vorig artikelVan herinnering en identiteit tot jong talent: kunstmaand in Loods6
Volgend artikelRob van der Schoor verwerkte behandeling leukemie met kunst