Na vier jaar als stadsdeelvoorzitter van Oost vertrekt Carolien de Heer naar stadsdeel West. In haar werkkamer klinken geen grote afscheidswoorden, maar wel weemoed. ‘Ik heb dat woord de afgelopen weken best vaak gebruikt’, zegt ze. ‘Het is alsof je op een sneltrein zit, precies weet waar alles is en goede contacten met je medereizigers hebt. En dan sta je ineens op het station, terwijl die trein doordendert.’
Arie Martijn Schenk
De Heer lacht om de metafoor, maar het gevoel klopt. Vier jaar lang bewoog ze mee met de dynamiek van Oost. Ze leerde de buurten, bewoners, ondernemers en dossiers kennen. Nu stapt ze uit, terwijl veel onderwerpen gewoon verdergaan. ‘Dat is best even schakelen.’
Verliefd op Oost
Toen De Heer vier jaar geleden begon, moest ze Oost nog leren kennen. Inmiddels spreekt ze anders over het stadsdeel. ‘Ik ben er een beetje verliefd op geworden’, zegt ze.
Juist de verschillen tussen de buurten spreken haar aan. Oost is geen eenduidig stadsdeel. IJburg, de Indische Buurt, Oud-Oost, de Watergraafsmeer, het Oostelijk Havengebied en de Dapperbuurt kennen elk hun eigen karakter. De Heer zag van dichtbij hoe snel buurten veranderen. Als ze met bewoners praat, gaat het veel over gentrificatie, vooral in de Indische Buurt en Oud-Oost, en over de gevolgen daarvan in de wijk.
Als bestuurder ging De Heer steeds anders naar buurten kijken. Ze leerde rondlopen, kijken en zich verwonderen. Die les neemt ze mee naar West. Ook daar wil ze niet alleen vanuit dossiers of vergadertafels werken, maar eerst weer rondlopen, kijken en luisteren. “Wat zie je op straat? Wat is de sfeer? Wie kom je tegen? Dat gevoel moet je opnieuw opbouwen.”
IJburg als opdracht
Een van de onderwerpen die haar in Oost sterk raakte, was de jeugd op IJburg. De Heer woont er zelf, maar zegt dat juist de stadsdeelcommissie haar op een andere manier naar de wijk liet kijken. Ze zag hoe de openbare ruimte op sommige plekken onvoldoende past bij het grote aantal kinderen en jongeren.
Ze noemt het Ed Pelsterpark als voorbeeld. Een park waar jongeren ruimte nodig hebben, maar waar de bebouwing volgens haar juist geluid versterkt. ‘Eigenlijk is er op sommige plekken best gek gebouwd’, zegt ze.
Meer aandacht voor jeugd, geluid en inrichting op IJburg
Bij IJburg koos De Heer ervoor om het ongemak te benoemen: de wijk telt veel jongeren, maar de openbare ruimte past daar niet altijd bij. Dat hielp volgens haar om het onderwerp op de agenda te krijgen. Bij de uitbreiding van IJburg ziet ze inmiddels meer aandacht voor jeugd, geluid en inrichting.
Dat het onderwerp ging leven, merkte De Heer later bij een gesprek van burgemeester Femke Halsema met IJburgers. ‘Het mooiste compliment vond ik dat de burgemeester eigenlijk mijn woorden uit dat artikel herhaalde’, zegt De Heer. ‘Voor mij laat dat zien dat het benoemen van het probleem hielp om de jeugd op IJburg hoger op de agenda te krijgen.’
Trots is ze ook op de manier waarop jongeren zelf betrokken raakten. In het begin twijfelde ze of participatie met jongeren goed zou lukken. ‘Ik had daar best een hard hoofd in’, zegt ze. Maar de respons viel juist hoog uit. Ook het perspectief van meisjes kwam nadrukkelijker naar voren. ‘Meiden stonden op en zeiden: eigenlijk is er voor ons veel te weinig aandacht.’
Tegelijk blijft er zorg over een groep jongens die hardnekkig overlast geeft. De Heer ziet de overlast, maar ook de kwetsbaarheid daarachter. Voor de buurt is het zwaar, voor de jongeren zelf evenmin een toekomst die je ze toewenst. ‘Toch ben ik ook hoopvol, er zijn goede stappen gezet en als die lijn wordt doorgetrokken, kan er echt verschil ontstaan.’
De Dappermarkt als icoon én zorg
Ook de Dappermarkt noemt De Heer direct als onderwerp waar ze met veel gevoel op terugkijkt. Het dossier kende spanningen. Ondernemers zegden meerdere keren het vertrouwen op. Toch ziet ze vooruitgang. ‘Als ik kijk waar het begon en hoe het er nu voor staat, dan zie ik dat ondernemers van de Dapperstraat, de Eerste van Swindenstraat en de markt nu veel beter samenwerken.’
Ze benadrukt dat dit niet alleen door haar komt. Misschien, zegt ze half lachend, heeft juist de strijd met het stadsdeel de ondernemers dichter bij elkaar gebracht. Maar de samenwerking ziet ze als winst.
Een concreet voorbeeld ziet De Heer in bus 37. De ondernemers brachten volgens haar naar voren dat bezoekers de markt en de omliggende straten minder goed konden bereiken. Dat signaal leidde ertoe dat de busroute weer werd aangepast. Voor De Heer laat dat zien dat samenwerking tussen ondernemers en stadsdeel verschil kan maken, ook bij praktische onderwerpen als bereikbaarheid.
Het Dapperplein ziet ze als voorbeeld van een keuze die bestuurlijk spannend was. De Heer wilde dat het plein weer als plein gebruikt zou worden. Niet iedereen was daar blij mee. De verandering kwam bovendien in de winter, waardoor het effect niet meteen zichtbaar was. Nu ziet ze nieuwe horeca met een terras en plannen voor extra groen. ‘Het is al een stuk gezelliger’, zegt ze.
Toekomst Dappermarkt blijft spannend
Toch blijft de toekomst van de markt spannend. De Dappermarkt is historisch en sociaal belangrijk, maar vraagt volgens haar blijvende aandacht. Er komt een verbeteragenda, waarbij bewoners en ondernemers kunnen reageren. Thema’s als bereikbaarheid, afval, handhaving en toekomstbestendigheid spelen daarin een rol.
‘Zo’n markt is iconisch’, zegt De Heer. ‘Maar je moet er wel in blijven investeren, en goed in contact met elkaar blijven.’
Oosterpark: zorg, overlast en machteloosheid
Het zwaarste dossier blijft het Oosterpark. De Heer noemt het zonder aarzeling. De bewoners, de ondernemers, de mensen met een verslaving, de gebruikersbus, de veiligheid: alles kwam er samen. ‘Ik kan er denk ik een boek over schrijven’, zegt ze.
De Heer deed jaren geleden vrijwilligerswerk bij De Regenboog Groep. Daardoor kijkt ze met mededogen naar mensen met een verslaving. Ze wil niet dat mensen teruggebracht raken tot hun overlast of hun verslaving. Tegelijk begrijpt ze de frustratie van bewoners heel goed. Zij spraken over gestolen fietsen, agressief gedrag, vervuiling en mensen die voor hun deur lagen. ‘Die bewonersavond van tweeënhalf jaar geleden gaf mij veel inzicht in wat mensen meemaken in en rond het park.’
Wat haar opviel, was de sociale houding van veel bewoners rond het Oosterpark. Volgens De Heer klonk er veel boosheid, maar ook opvallend veel betrokkenheid. ‘Het was niet: ze moeten weg. Mensen dachten mee.’
Juist daarom raakte de forse reactie op de gebruikersbus haar. De relatie met bewoners en ondernemers was zorgvuldig opgebouwd, maar bleek tegelijk kwetsbaar. De Heer zegt eerlijk dat ze de reactie onderschatte.
Ze voelde zich soms machteloos. Niet omdat er niets gebeurde, maar omdat de aanpak telkens tegen grenzen aanliep. Politie, handhaving, zorg en stadsdeel zetten zich enorm in, maar het probleem groeide toch. Ze wijst op dealers, de druk op de opvang en zorg, en op mensen zonder stabiele woonomgeving.
Volgens De Heer ligt een deel van de oplossing buiten het stadsdeel en de stad. Den Haag moet meer doen, vooral rond arbeidsmigranten die op straat belanden. Ook pleit ze voor meer perspectief voor mensen die recht op zorg en opvang hebben. Dagbesteding zou volgens haar soms steviger ingezet mogen worden.
Een hulpverlener gebruikte ooit de formulering ‘inspanningsverplichting tot herstel’. Die woorden bleven hangen. ‘Je geeft mensen meer sturing, dan iets meer een duwtje.’
Strafrecht alleen is niet voldoende
Per 1 juli gaat een nieuw overlastgebied in. Daarmee krijgen politie en handhaving meer mogelijkheden om dealers tijdelijk uit het gebied te weren. Dat is volgens haar nodig, omdat dealers vaak snel terugkeren en het strafrecht alleen niet voldoende is.
Haar wens is helder: minder gebruik en overlast in de openbare ruimte, meer rust voor bewoners en een menswaardiger bestaan voor de mensen om wie het gaat.
Sportverenigingen als sociale basis
De Heer ziet sportverenigingen als onderdeel van de sociale basis in Oost. ‘We kijken vaak naar organisaties die iets doen voor de buurt, maar sportverenigingen doen dat natuurlijk ook. Alleen doen zij dat op hun eigen manier.’
Niet alleen als plek waar mensen sporten, maar ook als plek waar kinderen, ouders en buurtbewoners elkaar tegenkomen. ‘Als ik kijk naar het voetbalteam van mijn eigen dochter, daar zitten kinderen van allerlei scholen op IJburg. Die komen elkaar normaal niet tegen. Dat vind ik bijzonder.’
Het stadsdeel kan die verbindende kracht beter benutten. ‘We kijken al veel naar scholen als plekken waar veel samenkomt in een buurt. Hoe kun je dat ook met sportverenigingen doen?’ Sportparken liggen nu vaak aan de randen, terwijl ze volgens haar juist meer verbinding met de wijk kunnen maken.
Die vraag neemt ze mee naar West. In Oost zag ze kansen, maar ook knelpunten. Sommige populaire clubs kampen met wachtlijsten, terwijl andere verenigingen juist leden zoeken. Op IJburg speelt bovendien de nawerking van keuzes uit het verleden. Tijdens de financiële crisis ruim 15 jaar geleden stokte de bouw, waardoor sportvoorzieningen achterbleven bij de groei van de wijk. ‘Daar hebben we nu nog steeds last van’, zegt ze. ‘Dat haal je niet zomaar in.’
Blijven kijken naar de mens
Ook bij een gevoelig onderwerp als Stek Oost, de gemengde woonvorm waar statushouders en jongeren samenleven, wil De Heer blijven kijken naar mensen in plaats van groepen. Ze ergert zich aan beeldvorming die snel negatief kan kantelen en soms zelfs racistisch wordt. ‘In veel gemengde woonvormen in de stad gaat het juist goed’, zegt ze.
Problemen wil ze niet wegpoetsen. Wat er bij Stek Oost gebeurde, noemt ze ernstig. Maar ze waarschuwt voor het gemak waarmee één incident een hele groep kan raken. Volgens De Heer ontstaan er in de stad ook mooie voorbeelden van samenleven, juist wanneer bewoners elkaar leren kennen in de buurt, op school, bij een vereniging of op straat.
Ze noemt onder meer statushouders die actief raken bij een voetbalclub als Zeeburgia. Daar draait het niet meer om afkomst of status, maar om meedoen. Zulke voorbeelden raken volgens haar snel ondergesneeuwd zodra de aandacht vooral naar de incidenten gaat. ‘Blijf naar de personen kijken, en stop mensen niet in hoekjes.’
‘Wees lief voor elkaar’
Wat wil De Heer Oost meegeven bij haar vertrek? Ze denkt even na en komt dan uit bij een bekende uitspraak van Eberhard van der Laan: ‘Wees lief voor elkaar.’
Voor haar betekent dat niet dat iedereen het met elkaar eens hoeft te zijn. Integendeel. Ze houdt van stevig debat. Maar de toon en de relatie doen ertoe. ‘Hard op de inhoud, zacht op de relatie’, zegt ze.
Daarin zit misschien ook haar samenvatting van Oost. Een stadsdeel met stevige discussies, pittige dossiers en grote verschillen, maar ook met bewoners en ondernemers die blijven meedenken. De Heer zag boosheid, ongemak en wantrouwen, maar ook betrokkenheid, zorg en veerkracht.
Ze blijft zelf in Oost wonen. Helemaal weg gaat ze dus niet. Alleen haar bestuurlijke trein rijdt straks verder in West. ‘Oost gaat me aan het hart’, zegt ze. ‘Ik ben blij dat ik hier woon.’






