Betondorp geldt inmiddels al een eeuw als een van Amsterdams architecturale hoogtepunten. De ontstaansgeschiedenis, de vormgeving en beroemde bewoners vormen met elkaar een stevige identiteit. In deze architectuurrubriek is de beurt nu aan Betondorp. Natuurlijk ligt de focus op dat deel van de wijk dat het geheel haar naam gegeven heeft.
tekst Robert van Andel foto’s Henk Pouw
De vormgeving van Betondorp valt uiteen in twee bouwdelen: het ene met platte daken en het andere met zadeldaken. De straatnamen uit het boerenleven maken dat de wijk toch ook weer een geheel is. Hark-, Schoffel- of Egstraat zijn wellicht de leukste straatnamen. Dankzij renovatie staat Betondorp er goed bij voor de komende jaren. De bewoners en bezoekers die zich interesseren voor architectuur zullen er hopelijk nog lang plezier aan beleven.
Voor een wandelaar valt er veel architectuur te genieten in Oost en de Watergraafsmeer. Denk daarbij aan leuke details, stijl, inpassing, materiaalgebruik, ritme en maat in de gevel. Deze rubriek licht dat uit en laat ook meer weten over de ontwerper van het object. Naast al lang bestaande bouwwerken komen ook vernieuwing en toevoegingen aan de orde
Satellietstad
De lage bebouwing met platte daken en grijswitte gevels in het zuidwesten valt iedere bezoeker meteen op als bijzonder. De architectonische vorm, de bouwkundige kenmerken en het stratenplan bij De Brink zijn beroemd. De naam ‘Betondorp’ voor wat ooit als ‘tuindorp Watergraafsmeer‘ gebouwd werd, heeft in dit deel haar oorsprong met 900 woningen. In het oostelijke deel van de wijk is traditionele woningbouw gerealiseerd naar ontwerp van Gratama en Versteeg. Deze duizend woningen zijn uitgevoerd in baksteen met terracotta zadeldaken in opdracht van de Amsterdamse Woningbouw Vereniging Eigen Haard. De bewoners hiervan zijn niettemin Betondorpers.
In de bijna twintig jaar die verliepen tussen de eerste plannen en de uiteindelijke bouw (1923-1928) speelden heel verschillende maatschappelijke stromingen een bepalende rol. De eerste daarvan is het romantische tuindorpidee dat aan Engelse voorbeelden van laat in de 19de eeuw ontleend werd. Vroeg in de 20ste eeuw werd in de destijds zelfstandige gemeente Watergraafsmeer een stedenbouwkundig plan bedacht voor een satellietstad met schone, gezonde, passende volkswoningen voor ‘prettig wonen’ in licht, lucht en groen die de gehele polder zou moeten gaan beslaan. Het rustieke stratenplan van dat plan werd na de annexatie van 1921 door Amsterdam uitsluitend in Betondorp gerealiseerd.
Tuindorpen
Wellicht het eerste Engelse tuindorp uit 1880. Het diende de huisvesting van gezinnen van werknemers van de Cadbury chocoladefabriek bij Birmingham. Het tuindorpconcept kwam al snel over naar Nederland. In 1884 werd het – ook nu nog – heel aantrekkelijke Agnetaperk door de Gist en Spiritusfabriek te Delft gesticht. Zo ontstonden ook woonwijken als Philipsdorp bij Eindhoven, Batadorp bij Best en Heveadorp bij Renkum. Steenrijke, verlichte fabrikanten gaven opdracht voor de romantisch geïnspireerde ontwerpen en de bouw van eenvoudige woningen voor industriearbeiders met de hunnen. Het was een paternalistisch, idealistisch alternatief voor de woonkazernes in de steden die almaar uitdijden tijdens de industriële revolutie.
Monumentaal
De opdracht voor Betondorp kwam echter uit een totaal andere hoek. Vanaf 1905 was de SDAP de grootste stadspartij en was het stadsbestuur van Amsterdam sociaal-democratisch met wethouders Floor Wibaut en Monne de Miranda. Zij vonden dat de overheid niet alleen maar voorwaarden moest scheppen voor volkshuisvesting, maar ook zelf moest bouwen. Tuindorp Watergraafsmeer/Betondorp was het eerste grote project van de gemeentelijke woningdienst waar Arie Keppler, de zwager van Wibaut, directeur was. In de periode tussen de wereldoorlogen bouwde Amsterdam boven het IJ in Noord tuindorpen: Oostzaan, Nieuwendam, Buiksloot, Buiksloterham en Vogeldorp. Van deze tuindorpen heeft alleen Betondorp sinds kort de status van gemeentelijk beschermd stadsgezicht, terwijl gebouwen rond de Brink al sinds 1988 rijksmonument zijn.
Art deco
In de twintiger jaren van de vorige eeuw was er ook woningnood en waren bouwmaterialen bovendien kostbaar en schaars. De gedachte om met moderne technieken efficiënter te kunnen bouwen lag voor de hand. Naast de nieuwe sociaal-politieke verhoudingen deden zich in de eerste decennia van de twintigste eeuw artistieke, culturele en wetenschappelijke ontwikkelingen voor, zoals de abstracte kunst, de psychoanalyse en de relativiteitstheorie in de natuurkunde. Dit maakte dat er na de Eerste Wereldoorlog een stroming was om alles anders te doen met een nieuwe esthetiek. ‘Het Nieuwe Bouwen’ vond aanhang bij jonge in Delft opgeleide architecten en bij bouwkundigen die in de kring van de Amsterdamse School werkten. Een kenmerk van deze stijl is dat een gebouw opgebouwd is uit rechthoekige blokken met weinig uitbundige hoekige versiering, de art-deco.
Renovaties
Het stadsbestuur gaf een tiental bouwondernemingen en verschillende architecten opdracht hun kunnen te tonen in betonbouwtechniek. Met trots kon Wibaut het project in uitvoering tonen tijdens een internationaal stedenbouwkundig congres dat in 1924 in Amsterdam gehouden werd. De kenmerken van het bijzondere materiaalgebruik en de modernistische detaillering in de gevelontwerpen zijn bij grote renovaties na vijftig en recent na bijna honderd jaar behouden. De verduurzaming en de onontkoombare technische modernisering van de inrichting van de woningen hebben het buitenaanzien gelukkig gerespecteerd. Onlangs hebben ook de duizend traditionele woningen een grondige renovatie ondergaan. Betondorp glorieert zo na honderd jaar onverminderd.
Brink
De gebouwen rondom de Brink vormen met elkaar veruit het markantste deel. Het is een uniek geheel. Aan de ene kant de bibliotheek en leeszaal, het Brinkhuis, de pergola en het gebouw waar de Suri Guru Ravidass Temple gehuisvest is. Daartegenover de woningen van twee verdiepingen met toren. De architect Dick Greiner (1891-1964) leerde timmeren op de ambachtsschool, maar was als architect autodidact. Hij ontwierp ook het bijzondere modernistische lettertype dat de bibliotheekfunctie op de gevel vermeldt en het zwart-witte trapsgewijs verlopende tegelwerk. In het interieur zijn details zoals glas-in-lood-ramen hersteld en gereconstrueerd aan de hand van de originele tekeningen met hulp van zijn zoon, de architect Onno Greiner.
Het Nieuwe Bouwen
Bij een wandeling langs de straten met betonbouw zijn de verschillen tussen de bouwdelen weinig opvallend; begane grond met één etage. Het experimentele karakter en de zeer verschillende toegepaste betonbouwtechnieken zijn niet eenvoudig herkenbaar. Om de delen toch apart aandacht te geven staat hieronder wat door welke uitgenodigde architect ontworpen is. Als je elders in Nederland een woonwijk, een villa, een kantoorgebouw of een watertoren ziet met kenmerken van ‘Het Nieuwe Bouwen’ kan het ook werk van één van hen zijn.
Aan de Graanstraat, Schovenstraat en het Zuivelplein zijn 120 woningen ontworpen door Johannes Bernardus (Han) van Loghem. Hij was een overtuigd socialist die ‘Het Nieuwe Bouwen’ in daad en woord uitdroeg. Ingenieur Dirk Roosenburg ontwierp vier woningen met een staalskelet aan de Landbouwstraat. Hij is een gevierd architect, onder meer van het monumentale kantoorgebouw Apollo House, op de hoek van de Apollolaan en de Stadionweg. (Terzijde: Roosenburg is de grootvader van de heden ten dage spraakmakende architect Rem Koolhaas.)
Willem Greve en Friedrich Heinrich Mertens ontwierpen in speciale betonbouwtechnieken de eerste in korrelbeton en de tweede het Isothermsysteem. Aan het Onderlangs, de Tuinbouwstraat en de Ploegstraat ontwierp J. Hulsbosch woningen in het Kosselbouwsysteem, een oorspronkelijk Duitse manier van werken met prefabricage van betonelementen.





