De stadsdeelcommissie Oost steunt het streven naar lokaal eigendom bij grootschalige zonne- en windprojecten, maar vraagt tegelijk om extra aandacht voor bewoners met een smalle beurs en voor de financiële risico’s van deelname. Tijdens de commissievergadering bespraken de leden drie adviezen over de ontwerp-Verordening lokaal eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek. Twee adviezen werden unaniem aangenomen, en ook het derde advies kreeg een meerderheid.
Arie Martijn Schenk
Met de ontwerp-verordening wil Amsterdam producenten van grote zonne- en windprojecten verplichten zich in te spannen om 50 procent lokaal mede-eigendom te bereiken. Dat betekent dat bewoners, ondernemers of andere lokale partijen juridisch en economisch kunnen meedoen in een energieproject. De producent moet aantonen welke inspanningen zijn geleverd en welk percentage lokaal eigendom is overeengekomen.
In Oost steunt het dagelijks bestuur lokaal eigendom bij energieopwek. Stadsdeelbestuurder Zeeger Ernsting noemde het onderwerp tijdens de vergadering interessant, juist omdat er veel door elkaar loopt. ‘Eigenaarschap versus zeggenschap. Of is dat hetzelfde? Over risico en over rendementen en over wat is nou publiek en wat is privaat.’
Niet alleen techniek, maar ook maatschappelijk vraagstuk
Het eerste advies kwam van de commissieleden Pieterse (PRO), Croes (Volt) en Ruijter (SP). Zij vroegen om een inclusieve energietransitie. Volgens Pieterse draait de verordening niet alleen om techniek, maar ook om een maatschappelijk vraagstuk. ‘Wie doet mee, wie doet niet mee, wie kan meedoen en wie kan niet meedoen.’
Pieterse (PRO) benadrukte dat deelname aan lokaal eigendom niet mag afhangen van iemands financiële positie. Ook Amsterdammers met weinig geld moeten volgens de indieners kunnen profiteren van de opbrengsten van duurzame energie in hun omgeving. Als voorbeeld noemden zij het Rotterdamse model, waarbij mensen met beperkte financiële middelen toch kunnen deelnemen.
De VVD reageerde positief op de gedachte, maar stelde ook een kritische vraag. Eigenaarschap brengt risico’s met zich mee, juist ook voor mensen met weinig financiële ruimte. Ook D66 steunde de gedachte achter het advies, maar vroeg zich af of financiële participatie altijd de juiste route is voor mensen met een kleine beurs. Wie weinig financiële ruimte heeft, kan geld soms snel nodig hebben, bijvoorbeeld als de wasmachine kapotgaat. Bij deelname aan een energieproject is het de vraag of iemand snel weer bij zijn geld kan. ‘Is dit dan wel de juiste weg in vergelijking met bijvoorbeeld een spaarrekening?’, vroeg Liefting. Ook wilde hij weten hoe succesvol het Rotterdamse model in de praktijk is en hoeveel mensen daar gebruik van maken.
Pieterse erkende de vragen over risico’s en benadrukte dat duidelijke informatie daarover voor iedereen geldt. Niet alleen mensen met een smalle beurs moeten weten waar zij aan beginnen; iedere deelnemer aan lokaal eigendom moet helder en begrijpelijk geïnformeerd worden. Zij verwees daarbij naar het advies van D66, dat vraagt om duidelijke waarschuwingen over financiële risico’s voor particuliere deelnemers.
Positief preadvies van Ernsting
Volgens hem zorgt de verordening zelf niet direct voor inclusie van mensen met een kleine beurs, maar schept de inspanningsverplichting wel ruimte om ook mensen zonder veel vermogen mee te laten doen. Hij noemde het Rotterdamse model interessant om verder uit te zoeken. Het advies van Pieterse, Croes en Ruijter werd unaniem aangenomen: vijftien stemmen voor, nul tegen.
SP wil gemeente als mogelijke mede-eigenaar
Het tweede advies kwam van commissielid Ruijter namens de SP. Zij sprak over “democratisering van onze energievoorziening” en wees op de onzekerheid rond betaalbare en duurzame energie. Volgens haar vergroot lokaal zeggenschap het draagvlak voor grootschalige energieopwekking.
De SP vindt het jammer dat de verordening slechts een inspanningsverplichting bevat. Als die 50 procent lokaal eigendom niet lukt, kan zeggenschap volgens Ruijter alsnog terugvallen naar de markt. Daarom wil zij dat het college onderzoekt of de gemeente mede-eigenaar kan worden voor het ontbrekende deel tot 50 procent.
De VVD vroeg waar de gemeente dat geld vandaan zou moeten halen en wees op de financiële positie van de stad. Ruijter benadrukte dat haar voorstel om onderzoek vraagt, niet om een directe investering. Andere opties, zoals een omgevingsfonds, blijven volgens haar gewoon op tafel.
Volt vroeg of zo’n vangnet bewoners juist minder prikkelt om zelf deel te nemen. Ruijter verwacht dat niet. Volgens haar stappen Amsterdammers die dat willen alsnog in. De gemeente zou alleen als terugvaloptie kunnen dienen, zodat zeggenschap niet verder naar de markt verschuift.
D66 stelde de vraag of de gemeente met een minderheidsbelang wel echt zeggenschap krijgt, terwijl zij ook financiële risico’s loopt. Ruijter verwees naar andere situaties waarin de gemeente gedeeltelijk eigenaar is, zonder meerderheidspositie. Volgens haar kan de gemeente ook met een deelbelang invloed uitoefenen en samen met Amsterdammers hun belang behartigen.
Ook dit advies kreeg een positief preadvies van Ernsting. Hij noemde het een interessante gedachte en trok een vergelijking met de discussie over warmtenetten, waar publiek eigendom eveneens een rol speelt. Wel gaf hij mee dat producenten niet achterover mogen leunen in de verwachting dat de gemeente alles overneemt. Het SP-advies kreeg een meerderheid: tien stemmen voor en vijf tegen.
D66 vraagt om duidelijke risicowaarschuwingen
Het derde advies kwam van commissielid Liefting (D66). Hij wees erop dat lokaal eigendom bewoners kansen biedt, maar dat eigendom meer is dan meeprofiteren. ‘Wie mede-eigenaar wordt, deelt ook mee in de lasten.’
Volgens Liefting kunnen bewoners te maken krijgen met financiële risico’s, aansprakelijkheid en in het ergste geval verlies van hun inleg. Particuliere deelnemers staan volgens hem vaak op kennisachterstand tegenover professionele producenten. Juist daarom moeten zij goed begrijpen waarvoor zij tekenen.
D66 wil dat producenten aantonen hoe zij particulieren informeren over risico’s. Ook moeten zij in duidelijke taal terugkoppelen over de voortgang van het project. Liefting vatte zijn advies samen als: meedoen mag en kan, maar wel eerlijk, transparant en verantwoord.
Ernsting gaf ook op dit advies een positief preadvies, met een nuance. De gemeente kan volgens hem duidelijke informatie verstrekken over trends en risico’s, maar producenten blijven zelf verantwoordelijk voor goede communicatie. ‘Het gaat hier ook over zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid, zowel van de producenten als van de deelnemers.’ Het advies van D66 werd unaniem aangenomen.
Balans tussen zeggenschap en bescherming
De discussie in Oost laat zien dat lokaal eigendom breed steun krijgt, maar dat de uitwerking vragen oproept. De commissie wil dat bewoners kunnen meeprofiteren van duurzame energie in hun omgeving, ook als zij weinig geld te besteden hebben. Tegelijk klinkt de waarschuwing dat mede-eigendom geen vrijblijvende deelname is.
In de schriftelijke beantwoording namens het dagelijks bestuur schrijft stadsdeelbestuurder Ernsting dat bewoners die mede-eigenaar willen worden zelf moeten afwegen of zij risico’s willen nemen, zoals verlies van hun inleg. De gemeente denkt daarin niet mee en springt niet bij als een project anders loopt dan gehoopt.
Juist dat spanningsveld stond centraal in de vergadering: meer lokaal zeggenschap over energie, maar dan wel met duidelijke informatie, eerlijke toegang en zicht op de risico’s.






