Home Eva Kwakman Stereotypes

Stereotypes

0

Ik zit in een huiskamer met drie jonge vrouwen en we hebben het over liefdesverdriet. Eén van hen is een goede vriendin van mij, de andere twee zijn haar huisgenoten. Ze dragen grofweg dezelfde dingen als de meeste welvarende witte studentes aan Amsterdamse universiteiten: een tweedehands Levi’s spijkerbroek, retro witte gympen die dusdanig afgetrapt zijn dat ze de draagster er zowel nonchalant als modieus uit laten zien, en fijne gouden oorbelletjes met bedeltjes eraan, die door meerdere gaatjes naast elkaar aan hun oorlelletjes bungelen. Ze praten enigszins bekakt, de één meer dan de andere.

Hoewel stereotypes de nuance van de menselijke uniciteit verdienen, ontkom ik er op deze avond niet aan om een groepsindeling te voelen. Ik ben anders, zegt mijn hele lichaam tegen me. Zij zijn een drie-eenheid en ik val erbuiten. En begrijp me niet verkeerd: ik ben geen greintje unieker dan zij; ik behoor slechts tot een ander stereotype. Het stereotype linkse student sociale wetenschappen die wild enthousiast wordt van wereldwinkels, graag haar okselhaar laat groeien en door anderen automatisch wordt aangezien voor een vegetariër. Tegelijkertijd valt het me op dat het gespreksonderwerp van vanavond – liefdesverdriet – ons verbindt en de scheidslijnen vervaagt. Blijkbaar heeft emotioneel leed een overbruggende werking. In zijn universaliteit en fundamentaliteit herinnert het ons eraan dat we in de kern uiteindelijk allemaal mensen zijn.

Wanneer de huisgenoten even later de woonkamer verlaten en ik alleen achterblijf met mijn vriendin, M., worden stereotypes toevalligerwijs het nieuwe gespreksonderwerp. We bekijken pagina’s op Instagram die specifieke types nauwkeurig weten te vangen met kenmerkende uitspraken. ‘Moet je deze zien’, zegt M. grinnikend terwijl ze haar telefoon aan mij geeft. De pagina heet ‘De hoekbank van de samenleving’ en gaat over het type mens met een witte leren hoekbank. ‘Dit zijn ook van die mensen met een betegelde achtertuin, weet je wel’, voegt M. eraan toe. ‘Je mag tegenwoordig ook himmol niks meer in mekaar trappen’, is een uitspraak die erop staat. ‘Dit is toch echt té typisch’, zegt ze geamuseerd nadat we erom hebben gelachen. ‘Echt, I can’t gewoon’. Daarop volgt de pagina ‘Schoudertassie’, over meisjes met schoudertasjes, ofwel de ‘Amsterdamse meid’, volgens de beschrijving. ‘Schatten, wie neemt wat mee morgen? Ik doe brood, dip en burrata xx.’ Hoe meer we lezen, hoe meer we in een deuk liggen.

Maar wanneer ik M. de pagina ‘De haarclip van Marie Claire’ laat zien, verandert de stemming. De bruine haarclip is hét accessoire waaraan je de welvarende witte studente aan een Amsterdamse universiteit, vaak lid van een studentenvereniging, herkent. Je ziet hem opduiken op campussen en in universiteitsbibliotheken in verschillende mate: bij de natuurwetenschappen het minst, bij de sociale wetenschappen al iets meer en bij rechten en economie en bedrijfskunde wemelt het ervan. Studerend op die faculteiten kijk je tegen een zee van achterhoofden aan waarbij de bovenste helft van het haar omhoog is gezet met de clip. Op de Instagrampagina staan uitspraken als: ‘Net terug van rondreis door Thailand en Vietnam, ben ineens zó dankbaar voor alles wat we hier hebben.’ En: ‘Meiden! Wie heeft er tweelaags wc-papier gekocht?! Voor schuurpapier ga ik wel naar de Praxis hoor, I can’t.’ M’s gezicht vertrekt terwijl ze naar het scherm van haar telefoon staart. Haar brede lach van een paar minuten geleden is verdwenen. Dan stamelt ze zacht: ‘Maar bij deze voel ik me wel héél erg gereduceerd tot een stereotype…’