Home Overzicht Verhalen uit de Plantage | Tramperikelen (lijn 1)

Verhalen uit de Plantage | Tramperikelen (lijn 1)

0

Reislustig ben ik nooit geweest. Ik heb daarnaast de natuurlijke neiging om te verdwalen. Zodra ik buiten het centrum van Amsterdam kom moet ik op mijn tellen passen. Ik verplaats mij bij voorkeur te voet. Je kunt nog eens rustig kijken naar een zwaan in de gracht, een bloeiende  boom bewonderen of een praatje maken onderweg. Ik voel een zeker medelijden met het volk, dat opgesloten in een doos, toeterend voorbij raast. Is de afstand te groot, dan ga ik op de fiets naar mijn bestemming. Als het weer mij te slecht is dan neem ik de tram. Bij hoge uitzondering de bus of een taxi.

Met het openbaar vervoer heb ik een haat-liefde verhouding. Ik sta voor mijn gevoel, intussen, jaren te wachten en het gebeurt nogal eens dat een tram voor mijn neus weg rijdt. Toch reis ik graag met het OV. Ik kijk met plezier naar mijn medepassagiers en fantaseer soms, als tijdverdrijf, dromerig over hun doen en laten.

Ik stond ooit, jaren zeventig, aan de Overtoom te wachten op de tram na een ziekenbezoek in het Wilhelmina Gasthuis. Ik ben op weg naar de universteits-bibliotheek aan het Singel. Ik had nog niet ontbeten. Bij de halte is een bakkerswinkel waar ik een saucijzenbroodje koop. Even later komt lijn 1. Ik stap in. Nu waren in die tijd, voor het eerst, door de gemeente, in het OV – nadat men, daarvoor, de conducteur had afgeschaft – ‘vliegende’ controlebrigades ingericht. Deze brigades waren meestal samengesteld uit oudere employéés (de overbodige conducteurs) die tegen hun pensioen aanzaten.

Ik ga zitten, neem een hap van mijn broodje en zie een controleur op mij afstevenen. Ik bezit een gestempeld kaartje dus ik zit op mijn gemak. De man kijkt mij aan. Hij maakt een ruitenwisserbeweging met zijn wijsvinger. Ik negeer dit gebaar waarop hij zegt: ‘Kun je niet lezen?’. Ik brom dat ik dit een rare vraag vind. Hij wijst triomfantelijk op een bordje. Daar staat op :’Het is niet toegestaan patates frites of andere vettige of kleverige etenswaren mee te nemen in de tram, tenzij goed verpakt’. Mijn broodje zit in een papieren zakje en is dus uitstekend verpakt. Alleen het gedeelte waar ik een hapje van wil nemen steekt er boven uit. De controleur wijst  naar mijn broodje en zegt: ‘Dat mag niet’. Ik antwoord: ‘waarom niet?’, hij : ‘Omdat ik het zeg’, ik: ‘Daar heb ik niks mee te maken’, hij: ‘Dan ga je er uit’, ik: ‘Ik pieker er niet over’.

Nu raakt de man in paniek. Hij was er van uitgegaan dat zijn onlangs verworven autoriteit hem zoveel gezag zou verlenen dat zijn bevelen prompt zouden worden opgevolgd. Hij heeft geen gepaste reactie voor een weigering. De man loopt naar voren en maant de bestuurder te stoppen.

We zijn intussen gearriveerd bij het Leidse Bosje. Dat was toen een rotonde, zoals, nog steeds, bij het Weteringcircuit. We moeten met de hele tram terug naar politiebureau Overtoom. Mijn medepassagiers beginnen te mopperen. Niemand kan echter uitstappen omdat we niet bij een halte staan.

Er is sprake van verschillende kampen. De meerderheid wil doorrijden, maar er is ook veel sympathie voor mijn standpunt. De controleur begeeft zich naar buiten om de wissel om te zetten. In zijn zenuwen doet hij dit verkeerd. We rijden precies een rondje en komen weer uit op dezelfde plaats.

Achter ons begint zich een lange rij te vormen van andere voertuigen daar we een druk traject blokkeren. Het hoofdkantoor van het GVB is (toevallig) ter plekke aan de overkant van het Leidse Bosje. Een, laat ik zeggen, hogere officier komt poolshoogte nemen. Als een ware bevelhebber overziet hij de situatie en sommeert mij, zonder zich nader te laten informeren, de tram te verlaten. Ik geef aan dat daar geen denken aan is. De hoofdconducteur draagt de bestuurder op om de politie te halen. Een forse man met een rode snor kan zich niet langer beheersen. Hij pakt de chef bij zijn revers en zegt: ‘Laat die jongen met rust klootzak! Hij doet geen vlieg kwaad. Als je twintig jaar jonger was geweest dan had ik de tram met je aangeveegd’.

Ik begin hem intussen wel een beetje te knijpen. Ik krijg een visioen van overvalwagens, handboeien en agenten met knuppels. Na korte tijd arriveert – tegelijk met twee politierechercheurs, dat valt mee – een vervoersadmiraal. Hij ziet er indrukwekkend uit met sterren en strepen op jas en pet. Op de vraag van de echte gezagsdragers wat er aan de hand is moet de controleur vertellen dat hij mij heeft verboden een broodje te eten in de tram en dat ik zijn sommering niet heb opgevolgd.

De rechercheurs kijken elkaar aan. Je ziet ze denken: ‘is dat alles ?’. Ze stellen zich alleszins redelijk op. Ze vragen me beleefd even naar buiten te gaan om de, inmiddels eindeloze, file te laten passeren en de verkeersknoop op te lossen. Alles staat vast tot aan het eind van de Overtoom en aan beide kanten tot ver op de kade. Ik stap uit. De zaak wordt snel geregeld. Ieder is het met me eens dat het broodje goed is verpakt, dat ik geen regels heb overtreden. De admiraal houdt speciaal voor mij een andere tram aan. Ik mag vóór instappen. Ik hoor hem zeggen tegen de controleur: ‘wij spreken elkaar nog wel’.

Inmiddels, nu ik zelf op gevorderde leeftijd ben, heb ik spijt van mijn handelen. Het sop was de kool niet waard. Als ik het zakje meteen had dichtgedaan, was ik eerder in de UB geweest en had ik een uurtje langer kunnen studeren. Wellicht was dan alles anders gelopen. De meeste mensen proberen er op hun manier het beste van te maken. De mens is niet slecht maar dom, dat geldt zeker voor mij.