Wie tegenwoordig door de Weesperstraat loopt, kijkt naar een straat die opnieuw wordt uitgevonden. Het verkeer moet langzamer, rijstroken verdwijnen en er komt meer ruimte voor groen. De menselijke maat moet terug. Dat is opmerkelijk, want ruim zestig jaar geleden gebeurde hier ongeveer het tegenovergestelde.
Patrick van den Hoven
Wie alleen de huidige Weesperstraat kent, kan zich moeilijk voorstellen hoe de straat er vóór de grote ingrepen uitzag. Een foto uit 1956 uit het Stadsarchief toont een smalle Amsterdamse straat met aaneengesloten gevelwanden, winkels en woningen direct aan de stoep. Geen architectonisch openluchtmuseum en de buurt kende genoeg problemen, maar qua schaal en structuur was de Weesperstraat veel beter vergelijkbaar met de Utrechtsestraat, Haarlemmerstraat en Leidsestraat dan met de straat van nu.

Structuurverandering
De huidige Weesperstraat is dus niet simpelweg een oude Amsterdamse straat waarin in de loop der jaren wat grotere gebouwen verschenen. De bestaande structuur werd grotendeels afgebroken om plaats te maken voor een ander idee van de stad. De binnenstad moest bereikbaar worden voor de auto en ruimte bieden aan economische ‘cityfuncties’. Brede wegen en grote gebouwen hoorden bij dat toekomstbeeld.
Joop den Uyl is een verleidelijk gezicht om op die dadendrang te plakken. De latere premier werd in 1962 wethouder van onder meer Publieke Werken, Stadsontwikkeling en Economische Zaken en was daarmee een belangrijke vertegenwoordiger van het vooruitgangsdenken van die jaren. Maar enige historische rechtvaardigheid is op zijn plaats: de plannen voor de verbreding van de Weesperstraat waren ouder dan zijn wethouderschap. Den Uyl heeft dus niet persoonlijk met een dikke stift besloten welke grachten moesten worden gedempt en welke buurten geasfalteerd. Het geloof dat de historische stad zich moest aanpassen aan de moderne metropool was veel breder gedragen.
De Utrechtsestraat, Haarlemmerstraat en Leidsestraat ontsnapten aan zo’n totale schaalvergroting. Winkels en bewoners veranderden, panden werden verbouwd en het verkeer werd aangepast, maar de fijnmazige structuur bleef herkenbaar. De Weesperstraat kreeg een ander experiment toebedeeld.
Een Amsterdamse Karl-Marx-Allee
Het resultaat van dat experiment is nog altijd uitstekend zichtbaar. Brede rijbanen, grote kruisingen en forse gebouwen bepalen het straatbeeld. Met enige overdrijving zou je kunnen zeggen dat Amsterdam hier zijn eigen Karl-Marx-Allee probeerde te creëren. Niet met socialistische arbeiderspaleizen, maar met kantoren, beton, studentenhuisvesting en een metro eronder.

Architectuurhistorisch gaat de vergelijking natuurlijk mank. Maar het stedenbouwkundige gebaar vertoont overeenkomsten: een bestaande stad die ruimte moest maken voor een nieuwe tijd, met brede verkeersassen en grote gebouwen als uitdrukking van moderniteit. In die nieuwe Weesperstraat verscheen in 1966 de studentenflat van Herman Hertzberger.
Een kolos voor studenten
De formele opdrachtgever van de Weesperflat was de Stichting Studentenhuisvesting Amsterdam. Hertzberger en Tjakko Hazewinkel hadden in 1959 een prijsvraag gewonnen. De gemeente had ondertussen het stedenbouwkundige toneel gecreëerd waarop een gebouw van deze omvang logisch was geworden.
Het zou gemakkelijk zijn om Hertzberger vervolgens de schuld te geven van de kolos die er kwam te staan. Na enige verdieping in het gebouw wordt dat moeilijker. Hertzberger zag de spanning tussen zijn enorme gebouw en de oude stad zelf ook en probeerde binnen die schaal plekken voor ontmoeting te creëren. De flat kreeg gemeenschappelijke ruimtes en op de vierde verdieping een soort straat op hoogte.
Aan de kant van de Nieuwe Keizersgracht is bovendien goed te zien hoe zorgvuldig hij met de aansluiting op de historische stad omging. Het gebouw wordt lager en zoekt in hoogte aansluiting bij de grachtenpanden.

Hier staan twee architectonische werelden letterlijk tegen elkaar: smalle bakstenen gevels met hoge ramen en individuele panden naast beton, horizontale lijnen en één enorm bouwvolume. Hertzberger doet niet alsof zijn flat een grachtenpand is, maar probeert de botsing wel te verzachten. Dat verdient waardering en maakt het te gemakkelijk om hem simpelweg verantwoordelijk te houden voor alles wat hier stedenbouwkundig misging.
Gezellig onder het beton
Ook op straatniveau was de ambitie sociaal. De flat staat gedeeltelijk op kolommen en de openbare ruimte loopt eronderdoor. Gebouw en straat moesten elkaar daar ontmoeten en verbinden. Zestig jaar later is de ervaring minder uitnodigend.
De plint is grotendeels gesloten. Het lage plafond, de zware kolommen, donkere hoeken en lange zichtlijn maken van de beschutte wandelroute eerder een sombere tunnel dan een uitnodigende overgang tussen gebouw en straat. De combinatie van constructie, materiaal en niet overal even liefdevol onderhoud helpt niet. Beschut tegen een Hollandse regenbui is het er zeker, maar gezelligheid lijkt hier nooit de doorslaggevende bouwkundige eis te zijn geweest.
Precies daar blijf ik moeite houden met brutalisme. Liefhebbers wijzen op de eerlijkheid van materialen, krachtige constructies en maatschappelijke idealen achter veel van deze gebouwen. Sinds ik me in de Weesperflat heb verdiept, begrijp ik die waardering beter en ben ik Hertzberger zelfs meer gaan waarderen. Vriendelijk vind ik zijn gebouw nog steeds niet.
Prima studentenhuis, maar ook een goede buur?
Dat betekent niet dat de Weesperflat niet functioneert. Mijn oudste zoon heeft er gewoond en kijkt met plezier op die tijd terug. Dat is ook niet moeilijk te begrijpen. Voor een relatief lage huur woon je midden in Amsterdam, met vijftien andere studenten op de gang en de hele binnenstad binnen handbereik. Ook uit eerdere publicaties komt het beeld naar voren van een flat met een sterke studentencultuur.
Ik legde de kwestie dan ook voor aan mijn oudste zoon, die enkele jaren op de zesde verdieping verbleef. Stel dat je met dezelfde zestien studenten, voor dezelfde huur, in een historisch pand aan de Utrechtsestraat, Haarlemmerstraat of Leidsestraat had kunnen wonen. Wat had je gekozen?
Visueel hoefde hij niet na te denken: altijd het oude Amsterdamse pand. Toch zou hij zijn studententijd opnieuw in die ‘lelijke’ Weesperflat willen doorbrengen. De ruigheid van het beton, het contrast met de grachtenpanden, zestien studenten op een gang en het uitzicht waren onderdeel geworden van de herinnering.
Dat nuanceert mijn oordeel over het gebouw, maar niet over de stedenbouwkundige keuze. De Weesperflat past inderdaad uitstekend bij het concept cityvorming, waarvoor de oude Weesperstraat moest wijken: grootschalig, modern en losgezongen van de historische straat en omgeving.
Van actieflat tot monument
Dat neemt niet weg dat het gebouw geschiedenis heeft gekregen. Op de enorme blinde kopgevel herinnert de El Salvador-muurschildering uit 1980 aan het politieke en activistische studentenleven dat hier ooit bloeide.

Inmiddels is de Weesperflat gemeentelijk monument. Daar zijn goede argumenten voor. Een monument hoeft niet mooi te zijn. De flat is belangrijk in het oeuvre van Hertzberger en vertelt iets over studentenhuisvesting, de democratisering van het onderwijs en de stedenbouwkundige idealen van zijn tijd. Misschien is hij juist daardoor ook een monument van een toekomstbeeld waarvan Amsterdam inmiddels grotendeels afscheid heeft genomen.
De straat verandert, de kolossen blijven
Dat afscheid voltrekt zich momenteel letterlijk voor de deur. De grootstedelijke verkeersas van weleer voldoet niet meer aan onze ideeën over een prettige stad. De Weesperstraat wordt smaller, het verkeer langzamer (30 km/u) en er komt meer groen. Amsterdam probeert daarmee iets terug te brengen van de menselijke maat die hier zestig jaar geleden bewust werd opgeofferd.
Daar zit een merkwaardige paradox. De straat mag terug naar de menselijke maat, maar de gebouwen die bij de oude maat hoorden, blijven staan. De Weesperflat hebben we zelfs beschermd. De stedenbouwkundige context waarin zo’n gebouw kon ontstaan, verdwijnt dus langzaam, terwijl het gebouw zelf permanent wordt.
Of zo’n kolos straks een overtuigende relatie kan aangaan met een kleinere, groenere en meer op voetgangers gerichte Weesperstraat, weet ik niet. Misschien lukt het uitstekend. Misschien staan we hier over twintig of dertig jaar opnieuw tussen de verkeershekken en plantenbakken met een volgend plan om de menselijke maat nog wat verder terug te brengen.
Nog veertig jaar wachten?
Brutalisme beleeft ondertussen een herwaardering. Gebouwen die een generatie geleden zonder veel protest tegen de vlakte zouden zijn gegaan (voor de liefhebbers: zoals bijvoorbeeld het Maupoleum in 1994 of het Jan Swammerdam Instituut in 2004), worden nu bestudeerd, bewonderd en beschermd. Misschien kijk ik er gewoon te vroeg naar. Wat de ene generatie hard en afstotend vindt, kan een volgende generatie immers als waardevol erfgoed ontdekken.
De Weesperflat staat er inmiddels zestig jaar. Ik sluit niet uit dat Amsterdammers er over nog eens veertig jaar verliefd op zijn. Ik zal vermoedelijk niet meer aanwezig zijn om mijn ongelijk toe te geven. Maar als ik moet wedden welke straat tegen die tijd de minste behoefte heeft aan een nieuwe stedenbouwkundige visie, zet ik mijn geld op de Utrechtsestraat.
Daarmee kom ik terug bij die foto uit 1956. De Utrechtsestraat, Haarlemmerstraat en Leidsestraat hoefden niet eerst te worden gesloopt en opnieuw bedacht om aantrekkelijke stadsstraten te blijven. Hun fijnmazige structuur en historische bebouwing bleken opmerkelijk goed in staat zich aan telkens nieuwe tijden aan te passen. De Weesperstraat koos voor de grote sprong vooruit en zestig jaar later zijn we bezig een deel daarvan weer terug te draaien.
Misschien is dat uiteindelijk mijn oordeel over de Weesperflat. Ik begrijp wat Hertzberger heeft geprobeerd, zie de historische betekenis en erken dat studenten er uitstekend kunnen wonen. Maar houden van het gebouw doe ik niet. Als het aan mij lag, maakte het plaats voor een ode aan de oude Weesperstraat. Dat is inmiddels onrealistisch: de flat is een gemeentelijk monument en dat gegeven respecteer ik.
In musea wordt kunst die we tegenwoordig anders beoordelen nog altijd getoond, maar wel voorzien van context en kanttekeningen. Zo’n bijsluiter verdient de Weesperflat ook. Laat het gebouw dan blijven staan, maar niet alleen als monument voor Hertzberger en het brutalisme. Voor mij is het vooral een monument voor de cityvorming die de oude Weesperstraat wegvaagde en voor een architectuuropvatting die de stad weinig menselijker maakte. Een kolossale waarschuwing aan toekomstige generaties: zo moet het dus niet.
Wat is brutalisme?
Brutalisme is een architectuurstroming die vooral van de jaren vijftig tot de jaren zeventig populair was. Kenmerkend zijn grote, krachtige vormen, zichtbare constructies en het veelvuldig gebruik van onafgewerkt beton. De naam komt van het Franse béton brut, oftewel ruw beton. Brutalistische architecten wilden materialen en constructies eerlijk tonen en ontwierpen vaak vanuit sociale en functionele idealen. De stijl raakte later uit de gratie, maar beleeft de laatste jaren een opvallende herwaardering.

