Herman van Banning was lang marktkoopman op het Waterlooplein en is dat nu nog op de Noordermarkt. In postcodegebied 1018 werd hij van kraker huurder en uiteindelijk woningbezitter. Heleen Verschuren praat met hem over het ontstaan van deze twee ongeplande carrières.
Heleen Verschuren | Foto Maria Heijdendael
Meteen bij het begin van het gesprek legt Herman het boek De Stad, Het verhaal van Amsterdam van 1980 tot vandaag van Marcel van Engelen op tafel. Volgens Herman vertelt dit boek hoe zijn woon- en werkgeschiedenis zich ontwikkelde in samenhang met de gebeurtenissen van die periode in Amsterdam. “Begin jaren zeventig studeerde ik sociologie in Tilburg. In 1971 kwam ik vaak bij een studievriend op bezoek op de Hoogte Kadijk. Hij huurde de bovenwoning 81 vóór. Die verdiepingen waren nog verdeeld in een voor- en achterwoning. Dat werd een soort uitvalsbasis in Amsterdam. In die tijd stimuleerde de gemeente Amsterdam dat mensen hun oude en verkrotte woningen verlieten en naar Hoofddorp, Purmerend en later Almere verhuisden. Dan kon er gesloopt worden voor nieuwbouw, zoals met Kattenburg en later Wittenburg gebeurde.
Onverklaarbaar bewoond
In 1972 kraakte ik een leegstaande benedenwoning met souterrain in hetzelfde blok. Na een paar maanden zocht ik de huisbaas op – rederij Kooy – en ging veertig gulden huur betalen. Toen werd je legaal bewoner als je drie maanden huur had betaald. Het was soms wel slikken voor de autochtone buren als wij weer eens een feestje hadden met luide muziek van Jimi Hendrix.
Aan de overkant bij de Sibbelwoningen hingen bordjes met de tekst ‘Onbewoonbaar Verklaarde Woning’. Ook die huizen waren in heel slechte staat en de hele buurt zou platgaan. Maar opeens waren door krakers veel woningen ‘Onverklaarbaar Bewoond’! Wij waren een soort bewoners nieuwe stijl, een voorbode van de verandering van echte volkswijken.
Ik liet verdere studie varen. Als middelbare scholier was ik behoorlijk politiek bewust door de Vietnamoorlog en demonstraties daartegen, maar nu volgde ik de tijdgeest en ging al blowend naar Marokko en volgde later de hippietrail naar India. Intussen pasten vrienden op mijn huisje.
Ik keerde in 1980 terug, haalde mijn opkopersvergunning voor het Waterlooplein en vervolgde toch mijn studie, nu antropologie, en studeerde af. Dat jaar trok ook mijn huidige vrouw Albi bij mij in. Er was niks aan voorzieningen in de woning, dus wij bouwden zelf een douche.
Dat werd heel gezellig, want vroeger moest je naar het volksbadhuis (aan de Funenkade, nu brouwerij ’t IJ, HV) en nu kwamen vrienden uit de omringende woningen met badhanddoekjes bij ons badderen. Met de oude buren konden we steeds beter opschieten en toen de schoonvader van een oude buurman overleed vroeg hij ons, vanaf zijn vaste standplaats op het trappetje voor het huis en met een pijpje bier in de hand, of dat huis niet wat voor ons was. Wij kenden altijd wel iemand en degene die er toen kwam wonen, woont er nog steeds.”
Veel oude bewoners wilden in hun buurtje blijven wonen en samen met de jonge krakers in de stad vormden zij langzamerhand een protestbeweging tegen de grote sloop.
‘Er was niks aan voorzieningen in de woning, dus wij bouwden zelf een douche’
”Ja, en intussen hadden vanaf 1978 Jan Schaefer en Michael van der Vlis als wethouders in Amsterdam de lijn ingezet om de stad kleinschalig te vernieuwen. Daarvóór was de beleidslijn om de stad te slopen en grote wegen en kantoorgebouwen ruimte te geven. Hun koerswisseling was nieuwbouw, maar vooral ook het stimuleren van renovatie. Daardoor werden onze huizen gespaard, net zoals de Sibbelwoningen die er tegenover stonden en voor de helft waren gekraakt.
Wij kregen twee kinderen in 1981 en 1983 en toen er in 1985 nieuwbouw kwam in de straat konden wij daarheen verhuizen. Maar Albi was niet gelukkig met die woning, wilde er weg en ging daar ook echt achteraan. Opeens kwam er via via een briefje in de bus voor woningruil met de Plantage. Dat lukte en later, toen wij er woonden, werd die woning door de eigenaar van het pand te koop aangeboden. Albi is slimmer dan ik in dat soort zaken en wilde wel kopen. Zij had een baan als tekenlerares en ik had op het Waterlooplein een relatie die bij de bank werkte en zij hielp met de hypotheekaanvraag. Dat lukte en zo werd ik onbedoeld van ex-kraker huizenbezitter!”
Hoe kwam je eigenlijk op het Waterlooplein terecht?
“Toen ik afstudeerde wilde ik projecten doen in het buitenland, maar dat lukte niet. Ik was door al dat reizen mijn vrijheid ook gewend en paste niet meer in keurige banen. De werkloosheid in Nederland was onder afgestudeerden toen hoog. Op het Waterlooplein was ik al eens ingevallen bij Dikke Rob en ik vond het er leuk. Het was een ongeregeld zootje, met veel dynamiek en gekke types. Daar ben ik toen doorgegaan met oude inboedels en brocante uit Brussel.
Het liep goed, alhoewel ik geen begenadigd koopman ben zoals Lou Lap of Gideon Italiaander, die stond als jonge jongen ook op ’t Plein. Die was echt bezeten van handel. Maar ik verdiende genoeg. Je moet ook plezier hebben in wat je doet en ik werd niet ziek van mijn werk en vond het leuk.
Ik had nog connecties in India waar ik vooral hippe metalen keukenspullen inkocht en nog wat meubels en daarmee een container vulde. Albi vond al dat handelen ook wel leuk en eigenlijk is ze zakelijker dan ik. We huurden in 2008 een winkelruimte in de Staalstraat en Albi runde die terwijl ik op de markt bleef. Bij ons heeft het zo uitgepakt in werk en relatie dat één plus één drie is.
Maar het Waterlooplein werd minder en medio 1990 maakte ik een switch. Ik kocht uitlopende voorraad van bekende merken of winkels zoals Pols Potten en verhuisde naar de Noordermarkt in de Jordaan. Die buurt was intussen helemaal getransformeerd en de nieuwe, rijkere bewoners herkenden die merkartikelen en waren bij mij goedkoper uit. Op de Noordermarkt sta ik nog steeds op zaterdag en maandag. Ik ben dan wel halverwege de zeventig en door het huis in de Plantage theoretisch miljonair, maar van de AOW kun je geen pand onderhouden, de belasting erop betalen en ook nog een beetje leven. Bovendien vind ik op de markt staan nog steeds leuk en als je op de bank blijft zitten, gebeurt er niks.”
En wat vertelt het boek jou in samenhang met je persoonlijke geschiedenis?
“Dat in de basis de crisis van de jaren tachtig en nu hetzelfde is: het gaat over wonen in de stad. Toen wilden jongeren weg bij hun ouders en woonden ze met weinig geld in die rottige huizen. Ze pikten de woningnood niet en gingen protesteren en kraken. Nu is het, zoals Van Engelen het omschrijft, ‘een crisis van succes’: jongeren zijn vrienden met hun ouders, het generatieconflict lijkt verdampt en zij hebben geld voor van allerlei, maar blijven lang thuis omdat ze geen betaalbare woning kunnen vinden. Dus toen kon je betaalbaar wonen, maar de woningen waren slecht. Nu zijn de woningen goed, maar onbetaalbaar.”




