Home Carolien van Welij Diep in ons binnenste

Diep in ons binnenste

0

Diep in ons binnenste weten we allemaal dat die stad ons niet gelukkig maakt.’ Het is een zinnetje dat me de afgelopen weken niet met rust laat. Dat me achtervolgt, dat ongevraagd vraagtekens plaatst. Het is een uitspraak van Charles Foster, een Britse filosoof. ‘Die stad’ is niet een specifieke stad. Hij spreekt in een interview in Filosofie Magazine over de stad in het algemeen, de stad als ‘een vrij recente uitvinding’ van de mens.

Die uitspraak duikt op als ik in de Diemerpolder sta. Om mij heen de weilanden en wilgen, schapen in de schaduw, kikkers die kwaken, libellen en vlinders, jonge ganzen en meerkoeten, en overal het geel van koolzaad, boterbloemen en de lis. Als ik zo van de stad hou, waarom sta ik dan hier? Waarom maak ik een foto precies vanaf deze plek en onder deze hoek waardoor dit stukje polder oneindig lijkt, met niets dan groen en een verre horizon?

Een stap opzij, een draai met mijn hoofd, en ik zie boven me de elektriciteitsdraden, links de vrachtschepen die boven de dijk van het Amsterdam-Rijnkanaal uitsteken, rechts de auto’s die over de A1 razen, en achter me de datacenters van Sciencepark.

Het lastige van uitspraken die beginnen met ‘diep in ons binnenste’ is dat je er zo weinig tegenin kunt brengen.

Als je begint te sputteren, kan altijd gezegd worden dat je jezelf voor de gek houdt, dat je nog niet diep genoeg naar binnen bent afgedaald. Foster staaft zijn uitspraak met argumenten, theorieën en onderzoeken: ‘Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt keer op keer dat we zowel fysiologisch als mentaal gezonder zijn en ons beter voelen op het platteland en in de wilde natuur.’

Het heeft iets komisch, om als stadsbewoner je stoep vol te zetten met potten groen, een moestuintje te beginnen op die paar onbebouwde vierkante meter, en inwendig te jubelen bij het roodborstje op het fietsstuur. Ik voel me soms de stadsbewoner, die zich tegen beter weten in vasthoudt aan een grassprietje dat tussen de tegels groeit.

En toch, als ik vanuit de Diemerpolder terugfiets naar Oost en een koekoek hoor roepen in de buurt van de glimmende gevels van het datacenter. Als ik de merel hoor fluiten vanaf de schoorsteen van de kerk op het Linnaeushof. Als ik de dansende schaduwen op het asfalt zie van de bladeren van de winterlinde. Het zijn momenten dat ik diep in mijn binnenste iets denk te weten. Iets met geluk. Misschien wel dankzij die stad.

Reageren? Dat kan via [email protected]