Ineke Stuve-Bohlmeijer is al ruim zeventig jaar weg uit Oost. Toch zijn haar herinneringen aan haar geboortegrond zo helder als glas. oost-online nam de trein naar Apeldoorn en vandaar met de bus naar een van de dorpen verderop. Tijd voor een bijzonder scherpe terugblik.
Anne-Mariken Raukema
‘Mijn moeder heeft het verschillende keren verteld’, begint Ineke Stuve-Bohlmeijer, als ik bezweet en wel aankom en met een glas koud water ben gaan zitten. We zitten in de woonkamer van de knusse woning aan de rand van de Veluwse bossen. ‘Het was 12 oktober 1929 en tussen de middag zou er een zeppelin boven Amsterdam vliegen. Dus alle dienstdoende verpleegsters in het Anna-paviljoen van het oude OLVG stonden aan de vensters om een glimp op te vangen van dit bijzondere luchtschip. En m’n moeder maar roepen: “Ik lig hier een kind te baren!” Om klokslag twaalf uur ben ik geboren.’ Ze werd de eerste van een gezin met vier kinderen. Na haar volgden nog drie jongens, geboren in 1935, 1938 en 1944.
Zeppelin
In de Nederlandse luchtvaartgeschiedenis zou 13 oktober 1929 als ‘Zeppelin-zondag’ geboekstaafd blijven. De Graf Zeppelin was een groot luchtschip, genoemd naar de ontwikkelaar ervan – Ferdinand von Zeppelin – die twaalf jaar eerder was overleden. Toen het kolossale ding (met een diameter van ruim 30 meter) op 18 september 1928 zijn eerste vlucht maakte, was het de grootste zeppelin ooit gebouwd.
Oorspronkelijk was de zeppelin bedoeld voor experimenten en demonstraties, en uiteindelijk voor regelmatig zeppelinvervoer, ook met passagiers en poststukken. In oktober 1928 werd de eerste langeafstandsreis gemaakt. De Graf Zeppelin bezocht later verschillende steden in West-Europa.
In augustus 1929 vertrok de Graf Zeppelin voor een tocht rond de aarde. De groeiende populariteit van de ‘reus van de lucht’ zorgde ervoor vrij moeiteloos sponsors gevonden konden worden. Een van hen was de Amerikaanse persgigant Hearst. Lakehurst (VS) werd de startplaats, waarvandaan naar Friedrichshafen werd gevolgen en via Tokio en Los Angeles terug naar Lakehurst. Na 21 dagen en 5,5 uur kwam de zeppelin aan, na 49.618 km.
Op zondag 13 oktober 1929 maakte de zeppelin een tocht boven Nederland met 23 Nederlandse passagiers aan boord. Vanuit de werf in Friedrichshafen kwam de zeppelin bij Delfzijl het Nederlandse luchtruim binnen, waarna de vlucht ging over diverse steden, waaronder Leeuwarden, Arnhem, Breda, Leiden, Amsterdam en Utrecht. Boven Schiphol werd een postzak afgeworpen.
In 1930 ondernam de Graf Zeppelin enkele reizen rond Europa. Na een succesvolle reis naar en door Zuid-Amerika in mei dat jaar werd besloten om de eerste regelmatige trans-Atlantische luchtlijn te openen tussen Frankfurt en Rio de Janeiro. Ondanks het begin van de beurskrach en concurrentie van de snellere vliegtuigen transporteerde de zeppelin steeds meer passagiers. Er zijn in totaal 64 retourvluchten gemaakt van Duitsland naar Brazilië.
Een jaar later werd een tweede, gelijkwaardig luchtschip ontworpen, de Hindenburg, dat met helium gevuld zou worden. Door het handelsembargo van de Verenigde Staten kon Duitsland echter niet aan voldoende helium komen, en het schip werd na extra veiligheidsaanpassingen uiteindelijk toch gevuld met waterstof.
Bron: Wikipedia
Voltastraat
Haar ouders woonden rond haar geboorte in de Vrolikstraat en verhuisden niet veel later naar een nieuwe woning aan het Voltaplein in de Watergraafsmeer. Omdat de bovenwoningen wel klaar waren en te huur stonden, betrok het jonge gezin een van die bovenwoningen. ‘Moeders jongste broer en haar zus, die gescheiden was en een dochtertje had wat een half jaar ouder was dan ik, woonden bij ons in’, aldus Ineke Stuve, toen nog Bohlmeijer. Het gezin was socialistisch, een rood nest, zoals dat heette. Vader Bohlmeijer was kleermaker, ‘een echte vakbondsman.
Eén schoen bleef achter
Omdat de benedenwoningen nog niet klaar waren en dus niet bewoond, was er een probleem toen de spelende meisjes kleren en schoenen naar beneden gooiden vanaf het balkon. Geen benedenburen om bij aan te bellen. Stuve-Bohlmeijer: ‘De jongste broer van mijn moeder heeft bijna alles naar boven kunnen hengelen, behalve één schoen. Mijn moeder was des duivels, omdat het bijna Pasen was en ik op m’n oude schoenen de Paasdagen in moest.’
Toen Ineke vijf jaar was, verhuisde het jonge gezin naar Betondorp. ‘Dat was voor de oorlog een echt dorp waar ouders zich geen zorgen maakten over hun kinderen. We speelden op het Onderlangs en op Het Zand waar de volkstuintjes waren. Daar sprongen we slootje en renden door alle achterpaadjes. Op het Zuivelplein hinkelden en knikkerden we, bij de Sint Vincentiusbibliotheek.’ Op de Brink was de Openbare Leeszaal waar je op de grond kon zitten om reisverhalen te lezen.

Montessori-meisje
Haar ouders kozen bewust voor de Montessorikleuterschool aan de Herschelstraat, aan de andere kant van de drukke Middenweg. ‘Mevrouw Joosten-Chotzen was een bekende en alom gerespecteerde pedagoge en mijn ouders hadden veel vertrouwen in haar onderwijs’, zegt Ineke Stuve. Ze herinnert zich een jongetje uit haar buurt die op zijn fietsje op de Middenweg werd aangereden door een bus en overleed. Ze moesten meerdere keren per dag het stuk van de Zaaiersweg naar de Kruislaan lopen, over de Middenweg, langs de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Vaak met vriendjes en vriendinnetjes, soms alleen, vaak op de fiets, maar ook wel lopend.
De Nieuwe Ooster
‘De Nieuwe Oosterbegraafplaats was een plek die ons totaal geen angst inboezemde. Ik kan mij herinneren hoe in een winter met veel vorst en ijs op de vaart langs de Zaaiersweg werd geschaatst.’
Het gebeurde ook wel dat ze met vriendinnetjes aan de kant van de Kruislaan met samengeknepen handen van de angst zaten te kijken naar de plek waar botten van verlopen graven werden verzameld in een grote kist.
Ook werd het graf van grootmoeder er bezocht. ‘Op zondag gingen wij met onze vader vooral in het voorjaar en de herfst haar graf bezoeken. Maar ook wandelden we de hele begraafplaats over, omdat hier een rijke schakering aan bijzondere bomen en struiken stond. In de herfst verzamelden we er bessen, eikels, beukennootjes en vleugeltjes van de esdoorn.’
Nieuwbouw en bloemen
In de jaren 30 werden aan de Middenweg vanaf de Kruislaan huizen gebouwd. Waar eerst een villa stond, die diende als restaurant, werd afgebroken. Ineke Stuve herinnert zich een ‘een grote poel’ waardoor de kinderen ‘menig keer met natte voeten of erger op school aankwamen. Want er lagen planken waarmee je kon varen.’
Tegenover Frankendael stonden grotere, ouderwetse huizen. Stuve-Bohlmeijer herinnert zich dat daar een smal straatje was, met op de hoek Budstedt, een chique bloemenzaak. Stuve: ‘Toen ik twaalf was, ging ik daar heen om voor mijn moeders verjaardag een mooie glazen vaas te kopen. Mijn keuze viel op een dure vaas, die bijna alle opgespaarde centjes kostte. De verkoopster zei dat ik de vaas alleen kon kopen met bloemen erin, dus moest ik er bloemen bij kopen. Ik vroeg dus wat de goedkoopste bloemen waren. Dat waren korenbloemen. Ik had precies genoeg geld voor zeven korenbloemen en na veel gemopper kon ik de vaas mee nemen.’
Meer ondernemers
Stuve-Bohlmeijer heeft ook herinneringen aan de winkel van Paula C. Kaiser. ‘Die verkocht koekjes en biscuit. Verderop was op de hoek De Gruyter. Tot de Ringdijk was een aantal winkels; een daarvan was voor de oorlog Meulkens banketbakkerij. Die was bekend om z’n roze puntjes, gebakjes. Mijn vader kocht er eens twee. Thuis werd er een doormidden gesneden: de ene helft voor vader en de andere voor moeder. Het andere puntje ging in drieën, voor ons kinderen. Het was een ware traktatie die wij kinderen met heel kleine hapjes opaten.’

Ook herinnert ze zich het Sportfondsenbad en de HEMA aan de Linnaeusstraat. Daar werden zogenaamde ‘barrevoetsandalen’ gekocht: heel goedkope zomerschoenen met rubberzolen en riempjes. ‘Daar liep je makkelijk op van het voorjaar tot eind september, maar dan waren ze wel helemaal versleten en klapten de zolen dubbel en dan was het eind van het verhaal.’
Nadat grootvader overleed – er waren nog geen pensioenvoorzieningen – begon grootmoeder een kruidenierswinkeltje in de Vrolikstraat en daarna op het Beukenplein. Het werd een groot succes!
Tjoklatwikkels
Zo dicht aan de Middenweg heeft Ineke Stuve het Ajax-stadion in 1934 nog zien bouwen. En daarna zag ze drommen supporters naar het stadion komen. Op de Zaaiersweg zat een viswinkel die Tjoklat-repen verkocht. Als je zeven wikkels inleverde, kreeg je een reep gratis. ‘Die supporters hadden geen oog voor chocoladewikkels, die gooiden ze weg. En wij maar rapen en inleveren!’
Stenen en betonnen huizen
‘In Betondorp, aan de Brinkstraat op nummer 16, woonden we boven bakker Bolle. Het was een fijne vijfkamerwoning met een zolder.’ De woning was kleiner en had een lagere huur dan in de Voltastraat. Ze huurden van Eigen Haard, die de stenen huizen in beheer had, en De Algemene Woningbouwvereniging ging over de betonnen woningen. ‘Vanuit dat huis, waar mijn ouders bleven wonen, ben ik uiteindelijk nog getrouwd.’
Na de Montessori-kleuterschool volgde de Montessori lagere school, beide aan de Herschelstraat. In Betondorp stonden toen drie lagere scholen: een openbare, een rooms-katholieke en een protestant-christelijke. In februari 1940, Ineke zat in de zesde klas, werd de Montessorischool door de Duitsers gevorderd en moest ze naar de openbare lagere school aan de Huismanhof, dichter bij huis.
Door het Montesssori-systeem en haar leergierigheid had ze op vrijwel alle vakken een grote voorsprong op de andere leerlingen, behalve met aardrijkskunde en geschiedenis. Die vakken had ze eigenlijk gemeden. Het was wennen aan het klassikaal leren en meester Kruimink, hoofd der school en natuurlijk ook de onderwijzer van de zesde klas, droeg onder zijn rever een NSB-speldje. ‘Hij liep er niet mee te koop, maar keek er wel af en toe op als ‘ie voor de klas stond’, herinnert Ineke Stuve zich nog.
Koloniaal museum
‘Af en toe ging ik ook met mijn vader op zondag naar het Koloniaal Museum. Daar werd gamelan gespeeld. We zaten op de eerste verdieping en heel bovenop de spelers. We zaten daar wel uren naar te luisteren. Het museum zat vol verrassingen. Volgens mij was de toegang voor kinderen gratis. Daar moet het idee zijn ontstaan dat ik later naar Indië wilde. Ik denk dat mijn vader er ook door gefascineerd was.’
Lege lyceumjaren
Vanwege haar Montessori-achtergrond moest Ineke toelatingsexamen doen voor de HBS in de zomer van het eerste oorlogsjaar. Het werd het lyceum aan de Reijnier Vinkeleskade in Zuid, tweemaal daags anderhalf uur lopen. Ze herinnert zich de middelbare schooljaren, die parallel liepen met de oorlogsjaren, als erg mager. ‘De school werd al snel gevorderd en we werden met z’n vijven, vijf meisjes, ingekwartierd op de meisjes-HBS. We moesten vaak van locatie wisselen.’ Omdat leraren van de ene dag op de andere verdwenen, vanwege de vele verhuizingen en ander oorlogsleed, was er nauwelijks sprake van schoolgang. ‘Wat ik in die zes jaar heb geleerd, past in de holte van mijn hand. Heb maar drie uur natuurkunde gehad in al die jaren.’
Wat veel meer tijd vroeg was hoe aan eten te komen. Soms met haar vader, vaker alleen ging ze naar mate de oorlog vorderde eropuit om voedsel bij de boeren om Amsterdam te kopen, ruilen of krijgen. ‘Mijn vader kreeg ernstige hongeroedeem, hij kon niet meer lopen en werken. Er was niets, maar wel zes monden om te voeden.’ Ze fietste alleen op houten banden naar de Haarlemmermeerpolder en Weesp.
Broertje
Intussen werd in november 1944 haar jongste broer geboren. Er was zo weinig dat het kind na zes weken terug op zijn geboortegewicht was. ‘Ik ben met mijn moeder en hem in de groene kinderwagen naar het Binnengasthuis gelopen. Zijn lichaamstemperatuur bleef steken op 29 graden. Hij mocht er na aandringen een paar dagen blijven om aam te sterken, maar vijf dagen later stond de politie bij ons voor de deur. Het Binnengasthuis zou door de Duitsers gevorderd worden en we moesten hem dus weer ophalen, lopend met de kinderwagen.

Onderweg kwamen we langs het Burgerziekenhuis en mijn moeder is gewoon naar binnen gelopen. Daar vroeg dokter Fiedeldij Dop gewoon aan mijn moeder: “Wat wil je met dit kind?” Waarop mijn moeder antwoordde: “De moffen krijgen hem niet!”. Fiedeldij Dop reageerde met de woorden: “ Dan gaan we hem helpen.” Nog altijd kan Ineke Stuve dit letterlijk herinneren. (nl.wikipedia.org/wiki/Hein_Fiedeldij_Dop)
Brandstof zoeken
Thuis was geen brandstof om ook maar het kleinste beetje babyvoeding te verwarmen. Met haar broer werd Ineke erop uit gestuurd om hout te zoeken. Aan de rand van Betondorp waren tijdens de mobilisatie al loopgraven aangelegd. Deze waren gecamoufleerd met takken bossen en deze waren het doelwit van de twee kinderen. ‘De kans dat je gepakt werd was groot, maar we hadden geen keuze.’
Intussen zeiden kinderartsen haar moeder dat de kans groot was dat de baby door onderkoeling en ondervoeding grote kans had op psychische en fysieke gevolgen. Stuve: ’Maar hij heeft filosofie gestudeerd, dus van die voorspelling kwam gelukkig weinig terecht.’
Van kind meteen groot
Door de oorlog heeft ze naar eigen zeggen de puberteit overgeslagen en was ze van kind snel volwassen. ‘Later in mijn leven ben ik eigenlijk nooit bang geweest, denk dat dat door de oorlog komt.’ Ze herinnert zich nog haar vriendinnetjes Riekje en Lenie en hun oudere broer. Omdat ze Joods waren, mochten ze niet naar een gewone school en samen maakten ze huiswerk, om nog iets mee te krijgen. ‘Op een avond heeft mijn moeder me bij het raam weggehaald. Het was net spertijd en het hele gezin werd weggehaald met een overvalwagen. Dat is een heel dramatische herinnering gebleven. Nooit meer hebben we iets van ze gehoord.’
Kweekschool
Omdat je voor de Kweekschool geen schoolgeld hoefde te betalen, ging Ineke (toen) Bohlmeijer naar de openbare opleiding voor onderwijzers en onderwijzeressen aan de Nieuwe Prinsengracht. ‘De directrice was mevrouw Jansen, doctor honoris causa in de grassen. Aan haar bewaar ik geen goede herinneringen.’ Normaal gesproken mocht je met HBS beginnen in het derde jaar, maar door de gebrekkige vooropleiding is Stuve-Bohlmeijer gewoon in het eerste jaar begonnen. Met veel meisjes van de mulo, die opleiding leek veel minder te hebben geleden in de oorlogsjaren. ‘Ik denk omdat die opleidingen in minder interessante gebouwen zaten en vooral werden draaiende gehouden door vrouwelijke docenten’, aldus Stuve.
In 1947 werden in de zomermaanden veel kinderkampen georganiseerd voor de ‘stadse bleekneusjes’. Ineke werd meteen opgeroepen om deze te leiden. Ze heeft ene paar jaar voor de klas gestaan, eerst in Oost, ook aan de Anthonie van Diemenschool aan het Javaplantsoen, met de heer Amo, het Surinaamse hoofd der school.
Juf Bohlmeijer
Daarna werd ze overgeplaatst naar de Elisabeth Wolff-school aan de Prinsengracht. Ze had maar liefst 53 leerlingen in de klas en de directrice, mevrouw Le Comte, was zo op de penning dat de jonge juf Ineke zelf potloden kocht voor haar leerlingen. Omdat er in het centrum geen ruimte was voor een schoolplein, liep ze meerdere keren per dag met haar leerlingen in een rij naar het Walenplein om daar te spelen. ‘Ik vond de mengeling van leerlingen daar veel leuker dan in Oost. Het varieerde van straatarm tot heel chique. De uitdagingen daar waren veel groter.’
Eigenlijk wilde Ineke Bohlmeijer het liefst studeren, en dan natuurlijk biologie. De liefde voor en veel namen van met name planten had ze van haar vader. ‘De Rijks Psychologische Dienst in Leiden vroeg een assistente met onderwijservaring. Van de negentig kandidaten kozen ze mij. Eerst woonde ik nog bij mijn ouders, maar daarna ging ik op kamers in Oegstgeest.
Weg uit Amsterdam, de wereld in
Daarmee kwam begin jaren 50 een einde aan een leven wat zich vooral in Amsterdam-Oost afspeelde. Ze ontmoette haar man, met wie ze een avontuurlijk leven zou leiden, wat haar jarenlang naar Nederlands-Indië bracht – hij werkte voor de Amerikaanse rubberplantages van Firestone – en daarna in Liberia, in Midden-Afrika. In de jaren 70 keerden ze terug naar Nederlands en vestigden zich op de Veluwe. Daar werkte ze jarenlang als docente biologie, nadat ze de MO-opleiding had gedaan. Niet gek dat haar tuintjes voor en achter er heel natuurlijk uit zien.
In diezelfde jaren 70 verhuisde haar moeder naar een bovenwoning aan de Zaaiersweg. Ze keek uit op het water en op de Nieuwe Ooster. ‘Ik kijk uit op mijn toekomst’, zei ze wel eens. Stuves beide grootmoeders en ouders zijn hier begraven. ‘Hoewel ik nu op de Veluwe woon, weet ik al dat ik daar ook word begraven bij mijn grootmoeder van moederskant.’







