‘De mens wikt, maar God beschikt.’  Ibrahim Görmez dankt Allah meerdere malen tijdens ons gesprek. Inmiddels woont hij ruim zestig jaar in Oost en kijkt hij op zijn leven terug met veel dankbaarheid. Dat hij de oprichter zou worden van de eerste Turkse moskee in Nederland is niet iets dat hij vroeger in Izmir had kunnen bedenken of plannen.   

Henny Reubsaet

Ik zocht Ibrahim Görmez op om te horen hoe hij een moskee heeft kunnen oprichten in Amsterdam. In zijn comfortabel nieuwbouw appartement langs het spoor getuigen vele Turks-Nederlandse onderscheidingen en krantenberichten van de vooraanstaande rol die hij speelde bij de emancipatie van de Turkse gemeenschap.  

Met warme sloffen aan mijn voeten, een kop koffie en een heerlijke koek word ik bedolven onder de verhalen. Met veel aandacht voor details of alles gisteren pas gebeurd is. Over zijn activiteiten voor Turkse stichtingen in Nederland, en zijn inzet tegenwoordig nog, nu hij ruim in de tachtig is, voor Turkse ouderen.

Amsterdamse monument voor gastarbeiders
Door zijn inzet voor de Turkse gemeenschap in Nederland kreeg hij contact met de ambassadeurs van Bagdad en Koeweit. Hij ontmoette Saddam Hoessein nog, als lid van een delegatie die het conflict tussen Iran en Irak wilde beëindigen. De gemeente Amsterdam is zijn inzet voor Turkse Nederlanders nog niet vergeten, want onlangs nog is hij ontvangen in de ambtswoning van de burgemeester om te praten over het geplande Amsterdamse monument voor gastarbeiders.
 

Blinde vader
Dat allemaal terwijl hij uit een eenvoudig milieu komt. ‘Mijn vader was slachtoffer van de Armeense kwestie’, vertelt hij als ik informeer naar zijn jeugd. ‘Als jongen moest mijn vader vluchten uit het Turkse dorp aan de Russische grens waar hij vandaan kwam. Onderweg verloor hij zijn ogen. Vandaar mijn achternaam die ‘blind’ betekent. Uiteindelijk heeft mijn vader zich in Izmir gevestigd, waar hij vaak bij stervenden geroepen werd om te bidden, omdat hij Hafiz was.’

‘Hafiz is iemand die de hele Koran uit het hoofd kent’, legt hij uit. ‘Ik heb twee oudere broers die wel mochten studeren, maar voor mij als derde zoon was er geen geld meer. Op mijn twaalfde moest ik van school af om te gaan werken bij een kleermaker. Ik kan nog steeds mijn eigen kleren maken. Toen ik achttien was moest ik in dienst.’

‘Dat avontuur wilde ik ook wel’
‘In 1961 was ik klaar met de dienstplicht en begon ik weer bij de kleermaker in Izmir. In die tijd hoorde je overal om je heen dat mensen in Europa gingen werken om snel meer geld te verdienen. Dat avontuur wilde ik ook wel. Mijn moeder wilde liever niet dat ik wegging, zij was een hele lieve vrouw, ze stond altijd voor iedereen klaar. Ik heb moeten beloven dat ik na drie jaar weer terug zou komen, zij wilde mij niet missen.’
 

Iedere week andere werkplek
Zijn leven in Nederland begint in 1964, als hij 25 jaar is. In de fabriek van Ford aan de Hemweg worden grote Amerikaanse auto’s geproduceerd. Alle gastarbeiders slapen daar in barakken.  ‘De meeste jongens werden aan één machine gezet, maar ik moest elke week naar een andere werkplek. Dat vond ik niet leuk en ik begreep het ook niet, ik wilde ook bij een team horen. Later heb ik begrepen dat ze meer in mij zagen omdat ik Engels sprak en snel ook al wat Nederlands. Ze gaven me een on-the-job opleiding om een leidinggevende functie te kunnen gaan uitoefenen.

Nederlandse vrouw
Hij had Engels geleerd in Izmir. ‘Daar was sinds 1950 het hoofdkwartier van de NATO in Turkije gevestigd dus ik kwam geregeld Amerikanen tegen in de stad. Ik was een leergierige jongen en met een paar collega’s heb ik toen een paar jaar cursussen Engels gevolgd bij de American Association. Daar heb ik in Nederland veel plezier van gehad, zeker toen ik al vrij snel via-via mijn Nederlandse vrouw ontmoette en we met elkaar Engels konden spreken. Vooral van haar heb ik toen Nederlands geleerd, ik ben nooit naar school geweest om Nederlands te leren. Ze werd er wel eens gek van, zo vaak vroeg ik ‘Wat is dat?’, dat ze grapte toen ze zwanger was ‘ik ga ons kind Watisdat noemen, naar jou’.
 

Vijftig jaar getrouwd geweest
Een terugkeer naar Turkije, zoals hij zijn moeder had beloofd, wordt geen succes. ‘Ik merkte al snel dat ik niet meer kon wennen, hoewel mijn familie mijn vrouw en kinderen meteen accepteerde,’ Emotie klinkt door in zijn stem als hij verder vertelt. ‘Mijn vrouw en ik zijn vijftig jaar getrouwd geweest, helaas is ze elf jaar geleden overleden. We waren erg goed met elkaar en ik mis haar nog steeds. Gemengde huwelijken gaan niet altijd goed, en onze ouders waren in het begin ook niet blij met onze verbintenis, maar we hebben ons allebei zo goed mogelijk proberen aan te passen aan de cultuur van de ander.’
 

Als tolk veel mensen leren kennen
Door zijn goede beheersing van het Engels en het Nederlands wordt hij vaak als tolk ingezet en leert hij veel mensen kennen. Als het langzamerhand duidelijk wordt dat de meeste gastarbeiders niet terug zullen keren naar Turkije, groeit de behoefte om elkaar in Nederland te blijven ontmoeten. In 1972 wordt hij voorzitter van het van het eerste Turkse culturele centrum in de stad. Daar organiseren ze allerlei activiteiten waaronder Nederlandse les.

‘Omdat er ook behoefte was aan een gebedsruimte, heb ik contact gezocht met de Raad van Kerken,’ vervolgt hij, ‘met als gevolg dat we op vrijdagen een lokaal mochten gebruiken van de Elthetokerk, destijds nog gevestigd bij het Flevopark. Maar dat bleek al snel te klein.’

Eigen moskee voor moslims
Politieke steun voor een eigen moskee stuit op weerstand in Den Haag met als argument dat Nederland een seculiere staat is. ‘Turkije is ook een seculiere staat, zeiden wij, maar in Nederland hebben de katholieken, joden en protestanten allemaal hun eigen gebouwen. Toen mochten we gesubsidieerd in 1975 het eerste Amsterdamse Islamitische Centrum oprichten, in de voormalige protestantse kapel aan de Nieuwezijds.
Moslims tot ver uit de omtrek kwamen er naar toe, de behoefte was duidelijk. In 1979 hebben we de eerste officiële imam naar Nederland gehaald en in 1980 waren er elke vrijdag wel 1500 tot 2000 mensen binnen. Voor het eerst konden moslims over een eigen moskee beschikken en dat nog wel in een voormalige kerk. Daar werd ik toen ook voorzitter van, alweer omdat ik goed Nederlands sprak.’ 

Fatih Moskee met mooie glas-in-loodramen
Daarop wordt hij door Turken uit Zaandam, Haarlem en Weesp gevraagd mee te helpen bij het oprichten van een islamitisch centrum en helpt hij hen met het oprichten van stichtingen en huren van gebedsruimtes. Om onafhankelijk van subsidies en de gemeente te worden kopen ze in Amsterdam in 1980 de voormalige kerk De Zaaier aan de Rozengracht. Met hulp van donaties van leden weten ze het aankoopbedrag van ruim een miljoen gulden binnen tien jaar af te lossen. Hij is er trots op als hij vermeldt dat het gebouw nu ook een museum is. ‘De Fatih Moskee is een gemeentelijk monument, heel mooi met glas-in-loodramen. Behalve op vrijdag is het alle dagen open voor bezichtiging. Als je het niet kent moet je er echt eens gaan kijken.’  

De moskee in de Joubertstraat

Moskeeën op Zeeburgerdijk en Joubertstraat
Met veel aandacht voor details als subsidievoorwaarden, de rol van de gemeente en de kosten van een en ander, vertelt hij verder hoe hij ook betrokken is geraakt bij de stichting van de moskeeën in de Joubertstraat en de Zeeburgerdijk. In het gebouw in de Joubertstraat is nu zowel een Turkse als een Marokkaanse moskee gevestigd. Bijna elke dag rijdt hij er in zijn scootmobiel naartoe.
 

Islamitische Omroep Stichting 
Terloops vermeldt hij dat hij ook nog de IOS heeft helpen oprichten, de Islamitische Omroep Stichting. Vijf jaar lang, tussen 1986 en 1991, is hij daarvan de directeur en maken ze met vijfentwintig medewerkers onafhankelijke radio- en -tv-uitzendingen. ‘Een beetje zoals de IKON werkte. De IOS is helaas door verschil van inzichten later weer opgeheven. Ons geloof wordt helaas vaker misbruikt voor politieke denkbeelden waar ik me niet in kan vinden. Als Turk of moslim wordt er altijd naar je gekeken of je voor alle Turken of moslims spreekt, maar wij verschillen onderling natuurlijk ook van mening. Voor mij telt alleen dat ik weet dat ik door Allah word aangesproken, en daarom probeer ik een goede moslim te zijn in Allahs geest.‘ 

Dankbaar voor een rijk leven 
Görmez, nog steeds actief als vrijwilliger voor het Transvaal Informatie Sociaal Cultureel Centrum, kijkt nogmaals dankbaar terug op een rijk leven waarin het geloof een belangrijke rol heeft gespeeld. ‘Mijn aandacht voor de Turkse gemeenschap was vooral gericht op het gezamenlijke gebed. Misschien omdat ik vroeger al met mijn vader meeging om te bidden voor mensen die aan het sterven waren. Of omdat mijn moeder mij heeft geleerd dat je in je leven je medemensen naar vermogen moet helpen. Dat heb ik ook aan mijn kinderen doorgegeven. Je kunt tevreden leven als je je inzet om andere mensen te helpen’

‘Het geloof heeft me altijd aangespoord om het goede te doen. Ik heb me er erg voor ingezet en geloof dat ik daarom zo’n rijk leven heb gekregen van Allah. Als je mensen kunt helpen, moet je dat doen, ongeacht hun geloof, het gaat om medemenselijkheid. Ik ben vooral heel dankbaar dat mijn kinderen ook deze instelling hebben. Ook dankzij mijn vrouw. Daar ben ik nog het meeste trots op.’  Waarna de oproep tot gebed door de kamer klinkt en ons gesprek op een toepasselijk moment wordt afgesloten.