Anna Boogaard is historicus en docent moderne geschiedenis aan de UvA. Tijdens haar studie werkte ze bij Kriterion en dook ze in de geschiedenis van de vrouwen die in het studentenverzet zaten. Onlangs kwam haar boek De Kriterionmeisjes uit. Daarin volgt ze een twaalftal studentes die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet zaten en die tussen 1945 en 1950 als werkstudent bij Kriterion werkten.
Titia Koerten | Foto Björn Martens
Ik spreek Anna Boogaard in Kriterion, een voor de hand liggende locatie. Zoals ze zelf zegt: “Kriterion voelt als een huiskamer.” Een aantal van de werkstudenten kent ze nog uit de tijd dat ze er zelf werkte. Ze vertelt dat haar oom en tante ook bij Kriterion hebben gewerkt, ze hebben elkaar zelfs bij Kriterion ontmoet.
Was dat de reden dat je zelf ook bij Kriterion wilde werken?
“Oh, absoluut. Op hun verjaardagen kwamen altijd hun oude Kriterionvrienden langs, en dan hoorde je al die verhalen over hoe bijzonder deze plek was. Toen ik in Amsterdam ging studeren, was het eigenlijk vanzelfsprekend dat ik er ook zou gaan werken. Ik heb hier vijf jaar als werkstudent gewerkt.”
Wat maakt Kriterion zo’n bijzondere plek?
“Kriterion was een idee van Piet Meerburg om studenten die in het verzet of in een concentratiekamp hadden gezeten te ondersteunen. De meesten hadden in 1943 geweigerd om de loyaliteitsverklaring te ondertekenen en daardoor een enorme studieachterstand opgelopen. Voor de oorlog was studeren een elitaire aangelegenheid – je ouders betaalden alles, je concentreerde je volledig op je studie en werken ernaast was eigenlijk ondenkbaar. Meerburg wilde dat veranderen: bij Kriterion kon je werken en tegelijk studeren. Wie het collegegeld niet kon betalen, verdiende het er zelf.”
‘Het zachte verzet werd structureel ondergewaardeerd. Terwijl daar misschien wel meer levens mee zijn gered’
En het pand heeft ook een bijzondere geschiedenis
“Kriterion werd gevestigd in een voormalig pand van een Joodse vereniging. Dat stond leeg omdat de leden ervan bijna allemaal in de oorlog waren omgekomen. Het gebouw was volledig gestript – al het hout was er tijdens de Hongerwinter door omwonenden uit gesloopt. En toch hadden ze het gebouw binnen een paar maanden omgebouwd tot een draaiende bioscoop. Ongelooflijk. Maar ergens is het ook wrang: op de plek waar een hele gemeenschap was verdwenen, werd iets nieuws opgebouwd. Die twee dingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.”
Uiteindelijk werd Kriterion ook het onderwerp van je masterscriptie. Hoe kwam dat?
“Het Amsterdams 4 en 5 mei comité vroeg ons in 2019 om de ontstaansgeschiedenis van Kriterion te onderzoeken. Ik was de enige geschiedenisstudent in het team en toen ben ik erin gedoken. Daarbij stuitte ik al snel op verhalen van de studenten die na de oorlog Kriterion mede hadden opgericht. Ik ontdekte dat je vlak na de oorlog alleen bij Kriterion kon werken als je in het verzet had gezeten of in een concentratiekamp. Ruim een derde van die eerste naoorlogse werkstudenten was vrouw. Maar in de interviews die oprichter Piet Meerburg na de oorlog gaf, repte hij met geen woord over hun verzetswerkzaamheden en hij noemde ze ‘de meisjes’. Ik vroeg me af hoe dat kon en wie die vrouwen waren.”
‘Vrouwen konden zich vrij in het openbaar bewegen, in tegenstelling tot mannen die gevaar liepen om te worden opgepakt voor de arbeitseinsatz’
Wat kwam je zoal tegen?
“Dat deze vrouwen ongelooflijk veel hebben gedaan. Vrouwen konden zich vrij in het openbaar bewegen, in tegenstelling tot mannen die gevaar liepen om te worden opgepakt voor de Arbeitseinsatz. Ze vervoerden Joodse kinderen naar onderduikadressen, haalden valse persoonsbewijzen op en namen enorme risico’s. Isa Baschwitz, bijvoorbeeld, fietste vanuit Amsterdam helemaal over de IJssel om blanco persoonsbewijzen op te halen. Onderweg werd ze door Duitse soldaten staande gehouden. Ze vertelde hun dat haar verloofde aan de overkant zat – wat niet waar was – en ze hielpen haar gewoon de rivier over. Op de terugweg heeft ze die persoonsbewijzen bij zich en dan krijgt ze een lift van diezelfde Duitsers. Ze maakten slim gebruik van het beeld dat de Duitsers van vrouwen hadden: naïef, onschuldig en niet gevaarlijk. Ze gingen anders te werk, waren veel diplomatieker en kwamen met dingen weg waar mannen niet mee wegkwamen. Die vrouwen waren verre van naïef. Ze wisten precies wat ze deden.”
Je stelt dat vrouwen in de geschiedschrijving over het verzet lange tijd onderbelicht zijn gebleven. Waardoor komt dat volgens jou?
“Dat heeft meerdere oorzaken. Vrouwen hadden vaak geen leidinggevende rollen en geen beroepen waarmee je in een archief terechtkomt. Ze namen in het verzet schuilnamen aan en werden in documenten vaak alleen bij hun meisjesnaam of zelfs helemaal niet vermeld. Maar de andere kant van het verhaal is dat het beeld van het verzet decennialang heel mannelijk was. Stoer, gewelddadig en spectaculair. Een aanslag, een explosie – dat maakt indruk. Maar het zachte verzet, het dagelijkse werk van mensen begeleiden, documenten vervalsen, kinderen verplaatsen – dat werd structureel ondergewaardeerd. Terwijl daar misschien wel meer levens mee zijn gered.”
Het boek heeft een optimistische toon, maar de oorlogsjaren waren allesbehalve makkelijk
“Ja, dat klopt. Het wordt in het boek ook gaandeweg steeds zwaarder. Sommige vrouwen worden gearresteerd en komen in Kamp Vught terecht en daarna in Ravensbrück. En toch verzetten ze zich ook daar waar ze kunnen – ze saboteren bij de gedwongen werkzaamheden, prikken gasmaskers lek, ze zingen en ze houden elkaar op de been met humor. Vrouwen die al langer in het kamp zaten, ondersteunden nieuwkomers die net waren aangekomen. Dat is niet alleen overleven, maar dat is ook een principieel verzet tegen de ontmenselijking die de kampen beoogden. Rond Dolle Dinsdag wordt Kamp Vught ontruimd en gaan alle gevangenen op transport naar Duitsland. Vlak voor Berlijn worden de treinen ontkoppeld: de vrouwen gaan dan naar Ravensbrück, de mannen naar Oranienburg en Sachsenhausen. Op dat moment hoort componist Marius Flothuis de vrouwen zingen vanuit de andere wagon. Hij vertelt daar later over: ‘Als je onder die omstandigheden nog kan zingen, dan moet je wel een enorme kracht in je hebben.’ Hij ontleende daar kracht aan. De vrouwen komen in al die verhalen enorm veerkrachtig over.”
Kom je zelf ook uit deze buurt?
“Nee, ik ben opgegroeid in Hilversum en ging op mijn negentiende geschiedenis studeren in Amsterdam. Ik werk bij de UvA, maar ik woon elders in Amsterdam. Mijn familie is echter van oorsprong wel afkomstig uit deze buurt. Mijn betovergrootvader woonde tijdens de oorlog op de Plantage Muidergracht. Hij was loodgieter, een overtuigd socialist, erg principieel en had Joodse onderduikers in huis. Hij is waarschijnlijk verraden door een NSB’er met wie hij ruzie had gekregen. Die heeft hem geschaduwd en uiteindelijk aangegeven. Hij is opgepakt en via Kamp Vught naar verschillende werkkampen in Duitsland gebracht en hij heeft de oorlog niet overleefd. Hij stierf ergens tussen maart en mei 1945 – er zit een gat in de administratie van Bergen Belsen, dus we weten de exacte datum niet. Daardoor heeft hij ook nooit een gedenkplek gehad.
Vorig jaar hebben we met mijn familie op de Plantage Muidergracht een struikelsteentje voor hem gelegd. Het was heel mooi om dat op deze manier samen alsnog te kunnen doen. De buren beloofden dat ze er goed voor zouden zorgen. We hebben als familie dus wel een band met deze buurt.”
“Wat ook bijzonder is: het verhaal van de zingende studentes in de trein raakt aan het verhaal van mijn betovergrootvader. Want hij zat waarschijnlijk in diezelfde trein. Ik volg in het boek natuurlijk de vrouwen, maar op dat moment komen die verhalen dan opeens samen. De kans bestaat dat hij dat gezang ook heeft gehoord; dat vind ik een hele mooie gedachte.”




