Home Politiek Oost geeft vertrouwen, maar het stadsdeelstelsel blijft schuren

Oost geeft vertrouwen, maar het stadsdeelstelsel blijft schuren

0
De stadsdeelbestuurders Jan-Bert Vroege (l) en Carolien de Heer (r) vertrekken. Zeeger Ernsting (m) gaat door

In Zuidoost en Nieuw-West kraakte het Amsterdamse stadsdeelstelsel de afgelopen week hoorbaar. Beoogde dagelijks bestuurders kregen daar geen steun van de stadsdeelcommissies. In Oost verliep de hoorzitting rustiger. Emre Ünver en Zeeger Ernsting kregen uiteindelijk allebei een positief advies. De stemming eindigde in 15-0 voor beide bestuurders.

Arie Martijn Schenk

Dat lijkt een duidelijk signaal van vertrouwen. Toch zegt die uitslag niet alles over de stemming rond de stadsdelen. Ook in Oost speelde spanning rond de voordracht. D66 dreigde volgens berichtgeving aanvankelijk tegen Ünver te stemmen, nadat de partij naast een plek in het dagelijks bestuur had gegrepen. Uiteindelijk kwam de unanieme steun er wel. Daarbij speelde ook mee dat D66-wethouder Melanie van der Horst de lokale fractie opriep om politieke wrevel niet op een kandidaat te projecteren die nog moet beginnen.

Vragen over de invloed
In Oost bleef de hoorzitting ordelijk, maar de vragen uit de commissie raakten wel degelijk aan vertrouwen, invloed en de verhouding met de centrale stad. Rada Ruijter van de SP vroeg hoe Ünver omgaat met slecht nieuws in een buurt. Worden bewoners op tijd geïnformeerd, ook als weerstand te verwachten valt, of pas laat, zodat de onrust korter duurt? Ünver koos daarin duidelijk positie: slecht nieuws moet volgens hem zo snel mogelijk worden gedeeld, omdat participatie anders ongeloofwaardig is.

Ook de positie van de stadsdeelcommissie kwam aan bod. Ünver zei dat adviezen niet ergens mogen verdwijnen zonder duidelijke terugkoppeling. Volt maakte de verhouding met de Stopera concreet bij de gebruikersbus in het Oosterpark: bewoners vragen om duidelijkheid, terwijl oplossingen niet alleen in het stadsdeel zelf liggen.

Ünver koos tijdens de hoorzitting voor een voorzichtige toon. Hij presenteerde geen blauwdruk voor Oost en zei dat hij het stadsdeel eerst beter wil leren kennen. Hij erkende dat hij Oost niet kent zoals hij Nieuw-West kent. Tegelijk wees hij op zijn bestuurlijke ervaring en nodigde hij commissieleden uit hem mee te nemen naar buurten, organisaties en netwerken die hij nog niet kent.

Dat leverde hem uiteindelijk brede steun op. Maar de bredere vraag bleef liggen. Als een stadsdeelcommissie vooral adviseert, en het stadsbestuur uiteindelijk zelf beslist, hoeveel lokale democratie zit er dan nog in het stelsel? Vorig jaar werden adviezen over de festivals in het Flevopark zo terzijde geschoven door de wethouder.

De discussie gebruikersbus 
De kwestie rond de gebruikersbus bij het Oosterpark laat zien dat de discussie over stadsdelen niet alleen bestuurlijke theorie is. Bewoners en ondernemers stappen naar de stadsdeelbestuurder, omdat die zichtbaar is, lokaal aanspreekbaar is en in de buurt het gezicht van de gemeente vormt. Rond de Linnaeusstraat leidde die druk ook tot resultaat: de eerder beoogde locatie ging van tafel, nadat stadsdeelvoorzitter Carolien de Heer erkende dat zorgen en informatie uit de buurt onvoldoende waren meegenomen.

Maar juist daar begint het te schuren. De stadsdeelbestuurder vangt de woede op, terwijl de gekozen stadsdeelcommissie vooral kan vragen stellen, signalen doorgeven en advies uitbrengen. Bij een dossier als het Oosterpark voelt dat onbevredigend. Het gaat om drugsgebruik in de openbare ruimte, overlast voor bewoners en ondernemers, incidenten bij het OLVG, zorg voor kwetsbare gebruikers, handhaving en openbare orde. De buurt voelt de gevolgen dagelijks, maar de oplossing ligt verspreid over centrale stad, politie, zorgorganisaties en handhaving. Zo wordt de gebruikersbus ook een test voor de lokale democratie: wie is aanspreekbaar als een besluit grote gevolgen heeft voor een buurt, en wat stelt gekozen vertegenwoordiging in het stadsdeel voor als zij vooral mag adviseren.

Nieuw commissielid voor Volt in Oost, Mart Kroes reageert: ‘De problemen rondom de gebruikersbus en de drugsoverlast in Oost laten voor mij zien dat er nog steeds een belangrijke rol is voor het stadsdeel. Ik hoop dan ook dat de stadsdelen hun politieke rol blijven nemen om lokale problemen van de Amsterdammers te agenderen, en niet enkel op de uitvoering focussen. Als het stadsdeel meer mogelijkheid had gehad om zelf in te grijpen, dan had er eerder en beter kunnen worden gereageerd op de problemen rondom het Oosterpark.’

De kelder van het Huis van Thorbecke
Die kritiek klinkt in Oost niet voor het eerst. VVD’er Frans van Vliet nam eerder dit jaar afscheid van de stadsdeelcommissie met een scherpe analyse. Hij noemde de commissie de kelder van het Huis van Thorbecke. Boven zitten de drie bekende bestuurslagen, maar daaronder zit in Amsterdam nog een extra laag. Vanuit die kelder dringt volgens hem weinig door naar boven.

Van Vliet werkte acht jaar in de stadsdeelcommissie Oost. Hij deed dat met overtuiging, ook al pleit de VVD al langer voor afschaffing van de stadsdeelstructuur. Zijn conclusie na twee termijnen was kritisch. De commissie kost tijd en geld, maar mist volgens hem echte invloed. Adviezen verdwijnen te vaak in de bestuurlijke machine van de Stopera.

Hij wees daarbij op dossiers als windmolens in het Buiten-IJ, parkeren rond de Dappermarkt, het parkeerregime op Java-eiland, en de vaarvignetplicht rond IJburg. Steeds zag hij hetzelfde patroon: bewoners trekken aan de bel, de commissie zoekt naar ruimte, maar het college zet de eigen lijn door toch door.

Luisteren of uitvoeren
Daar zit de kern van de discussie. Amsterdam zegt met de stadsdelen dichtbij bewoners te willen staan. Maar in de praktijk schuurt dat met een bestuurlijk model waarin de centrale stad de koers bepaalt. De stadsdeelcommissie mag signaleren en adviseren. De dagelijks bestuurders voeren vooral beleid van het college uit.

Van Vliet waarschuwde al dat de menselijke maat daardoor zoekraakt. Volgens hem volgen commissieleden van coalitiepartijen steeds vaker de lijn van hun collega’s in het stadhuis. Zijn SP-collega Mark van Dongen noemde de commissie eerder een ‘democratische fopspeen.’

De gebeurtenissen van afgelopen week geven die woorden nieuwe actualiteit. In Zuidoost en Nieuw-West kwam de frustratie openlijk tot uitbarsting. In Oost gebeurde dat niet. Maar het onderliggende probleem verdwijnt niet door een unanieme stemming.

De toets komt nu
Voor Oost begint de toets daarom nu pas. Ünver zei dat hij wil luisteren, slecht nieuws snel wil delen en zichtbaar wil maken wat er met adviezen gebeurt. Dat klinkt verstandig. Zeker in een stadsdeel met gevoelige dossiers met de problemen rond Oosterpark, de jeugd op IJburg, Stek Oost, veiligheid, voorzieningen en druk op de openbare ruimte.

Maar juist daarin ligt straks de beoordeling. Niet in grote woorden over nabij bestuur, maar in de vraag of bewoners, ondernemers, sportbestuurders, en commissieleden merken dat hun signalen werkelijk ergens landen.

Oost gaf deze week geen proteststem af. De nieuwe bestuurders kregen vertrouwen. Maar dat vertrouwen lost de bredere spanning rond de stadsdelen niet op. Amsterdam moet zichzelf nog steeds de vraag stellen hoe het vindt dat het met de stadsdelen gaat. Want dichtbij bestuur klinkt mooi, maar dan moet de buurt ook kunnen merken dat dichtbij iets betekent.