Wie als kind in brandnetels valt, ontwikkelt zelden een liefde voor de plant. Ook Teun Munnik kende ze vooral als hardnekkig onkruid op de boerderij van zijn opa: prikken, woekeren, groeien waar mest lag. Dat hij er vijftig jaar later als hoogleraar plantencelbiologie juist een sleutel in ziet voor het stikstof- en mestvraagstuk, had hij toen niet kunnen vermoeden.
Anita Boelsums | Fotografie: Frank Schoevaart
Teun Munnik (1966) is biowetenschapper en onderzoeker aan het Swammerdam Institute for Life Sciences (SILS) van de Universiteit van Amsterdam. Hij is hoogleraar en hoofd van de afdeling Plant Cell Biology. Met zijn groep onderzoekt hij fundamenteel hoe planten functioneren en reageren op hun omgeving, vooral op stress: hitte, kou, zout, droogte en ziekten. Dat klinkt abstract, maar het gaat uiteindelijk om heel concrete vragen: waarom overleeft de ene plant een droge zomer wel en de andere niet? Hoe merkt een plant dat er gevaar is, en hoe zet hij zichzelf dan in de verdedigingsstand?
Boerderij
Munnik groeit deels op tussen de koeien, op de boerderij van zijn opa in Ransdorp. ‘Ik vond het machtig. Lekker buiten zijn.’ Hij helpt mee waar hij kan: melken, stallen uitmesten, hooien, hekken repareren. Het boerenleven plant iets in hem dat later steeds terugkomt: je kunt een systeem niet eindeloos belasten zonder dat het ergens misgaat. En je moet, als je iets wilt, er moeite voor doen.
Die mentaliteit herkent hij ook in zijn grootste hobby: sport. Hij rolschaatst als kind, later wordt dat schaatsen en skeeleren, nog steeds drie keer per week. ‘Ik ga ook naar Zweden om te schaatsen, zo leuk vind ik het.’ Daarnaast fietst hij en doet hij atletiek.
Meten is weten
Zijn route naar de wetenschap begint niet met één magisch moment, maar met nieuwsgierigheid. Documentaires van David Attenborough en Jacques Cousteau maken indruk, en op de universiteit ontdekt hij vooral waar híj blij van wordt: biologie die je kunt meten en ontrafelen. ‘Ecologie ging me te langzaam. Te veel factoren. Ik ben meer bèta: meten is voor mij weten.’
Tijdens een stage op de UvA krijgt zijn interesse vleugels. In een echt lab ziet hij hoe onderzoekers aan vragen werken waar nog niemand het antwoord op weet. ‘Literatuur lezen, discussies, lezingen van wetenschappers uit het buitenland… toen zag ik: hier zit ik goed.’ Hij blijft in de wetenschap en promoveert later cum laude.
Stresssignalen
Munnik onderzoekt al decennialang hoe planten signalen verwerken. Planten hebben geen zenuwstelsel zoals wij, maar ze reageren razendsnel op prikkels. Wordt het koud, zout of droog, dan verandert er binnen minuten van alles in de cel. De bioloog richt zich daarbij vooral op fosfolipiden: vetachtige moleculen in celmembranen die niet alleen ‘bouwmateriaal’ zijn, maar ook als signaalstof kunnen optreden. Zo’n signaal helpt een plant om te schakelen: groeistand uit, overlevingsstand aan.
In zijn loopbaan werkte hij onder meer aan signaaltransductie rond ethyleen: een eenvoudig gasvormig plantenhormoon dat processen als rijping en veroudering aanjaagt. Een fascinerend mechanisme: hoe kan zo’n simpel molecuul zo’n grote kettingreactie veroorzaken?
Zijn onderzoek is fundamenteel, maar niet wereldvreemd. Juist doordat hij begrijpt hoe planten stress aankunnen, ziet hij steeds duidelijker waar de grote knelpunten in landbouw en natuur zitten. En zo komt hij, verrassend genoeg, uit bij de brandnetel.
“Mijn onderzoek is fundamenteel, maar niet wereldvreemd”
Cirkel of fuik
‘We kennen allemaal het stikstofprobleem,’ zegt Munnik. ‘Maar mestoverschot en stikstofcrisis zijn eigenlijk hetzelfde probleem.’ Hij legt uit: we maken op grote schaal kunstmest (nitraat en ammonium) zodat gewassen zo snel mogelijk groeien. Daarmee produceren we enorme hoeveelheden plantmateriaal, waarvan een groot deel als veevoer eindigt. Maar een koe zet slechts een fractie daarvan om in melk en vlees. De rest komt terug als mest. Vervolgens maken we – met veel energie en CO2-uitstoot – weer nieuwe kunstmest om opnieuw te kunnen telen. En ondertussen blijven we worstelen met te veel mest, te veel stikstofneerslag, en natuur die dichtgroeit met soorten die tegen die overdaad kunnen.
In de natuur gaat het anders, benadrukt hij: organisch materiaal wordt afgebroken en weer benut. ‘Dat is een circulair systeem.’ In de moderne landbouw is die kringloop vaak een fuik geworden: input erin, problemen eruit. Vandaar, wat we allemaal kennen van bermen en mesthopen, brandnetels.
Onkruid als gewas
‘Kwetsbare planten verdwijnen, terwijl grassen en brandnetels overheersen. Je kunt dat zien als een probleem, maar ik zie een kans.’ Brandnetels zijn namelijk uitzonderlijk goed in het benutten van organische stikstof. ‘Als je in de duinen een bosje brandnetels ziet, dan weet je: daar ligt een dode meeuw of konijn.’ Brandnetels kunnen het stikstofrijke ‘afbraakmateriaal’ van die organische resten opnemen en er razendsnel biomassa van maken.
Daar zit volgens Munnik de sleutel: brandnetels zijn niet stuk-veredeld op kunstmest, zoals veel ‘elite’ landbouwgewassen. Ze kunnen prima groeien op mest en compost. En ze leveren ook nog iets op: veel eiwit, veel vezels, mineralen. Uitstekend krachtvoer voor vee en ook wij mensen vinden het lekker: ‘Jonge blaadjes smaken als spinazie, je kunt er pasta, soep en thee van maken, of in vleesvervangers verwerken. Tevens kun je het gedroogde blad vermalen tot poeder (brandnetelmeel). Bovendien kun je brandnetels meerdere keren per jaar maaien.’
En die prik? ‘Als je brandnetels maait of schoffelt, prikken de naaldjes na tien seconden niet meer,’ zegt hij. ‘Het punt is: we moeten de brandnetel anders gaan zien. Niet als plaag, maar als gewas. Alle planten zijn ooit onkruid geweest. Het is een kwestie van domesticeren.’
Nieuwe Bodem
Munnik wil het niet bij een mooi verhaal laten. Hij wil veldproeven doen: verschillende bedjes met brandnetels, variërend in dichtheid en bemesting, om te meten wat het oplevert. Niet alleen qua opbrengst en eiwitgehalte, maar ook voor de bodem: wordt de grond rijker, houdt die beter vocht vast, ontstaat er een robuuster systeem dat beter tegen droogte kan?
Daarvoor werkt hij samen met Nieuwe Bodem: een agrobosbouwbedrijf dat bijdraagt aan de zoektocht naar een transitiemodel voor boeren die openstaan voor verandering. Die praktijkomgeving is belangrijk, zegt Munnik, omdat je in een kas of groeikamer veel kunt leren, maar niet alles. ‘We hebben laboratoria, kweekkamers en een kas, maar geen volle grond.’
‘Dit moeten we doen’
Munnik weet dat verandering traag gaat, dat ketens en markten meespelen, en dat er altijd ‘beren op de weg’ zijn. Maar hij klinkt ook ongewoon stellig: ‘We hebben een oplossing die voor onze neus ligt. En niemand ziet het.’ Juist daarom voelt hij een soort plicht om het aan te jagen.
Het beeld waarmee hij begon – dat prikplantje uit zijn jeugd – heeft daarmee een nieuwe betekenis gekregen. Brandnetels staan niet alleen voor een gevolg van te veel stikstof, maar ook voor een mogelijke uitweg: mest inzetten als grondstof, kunstmest terugdringen, lokaal telen, en een landbouw die weer op een kringloop lijkt.
Misschien is dat wel de kern van zijn onderzoek in één zin: planten vertellen ons allang hoe het kan. We moeten alleen opnieuw leren kijken.





