De afgelopen weken was Marcel van Roosmalen alom aanwezig in kranten, op televisie en radio. Dagelijks klinkt zijn stem onder meer in de podcast Weer een Dag. Nu staat hij er alleen voor, met zijn eerste solo-cabaretvoorstelling Ik mag niet klagen. In De Kleine Komedie zit de zaal donderdagavond tot de laatste stoel vol voor de première.

Arie Martijn Schenk

Zoeken op het podium
Samen met regisseur Geert Lageveen maakte Van Roosmalen een voorstelling waarin hij direct zijn eigen onzekerheid benoemt. Hij vertelt over een moeizame try-out en vergelijkt het programma met ‘een koord met kralen’: losse verhalen die samen een geheel vormen. Theater maken, zo zegt hij droog in de opening, vindt hij moeilijk.

Dat ongemak vormt meteen de kern van de avond. Het decor – een vakjeskast vol voorwerpen – fungeert als spiekbriefje. Elk object roept een verhaal op. Aan het begin waarschuwt hij alvast: zodra hij plaatsneemt op een stoel rechtsvoor op het podium, dreigt hij vast te lopen en verdient hij mededogen. In de zaal ontstaat direct sympathie. Van Roosmalen neemt het publiek mee in zijn verwachtingen en kadert zijn optreden met dezelfde droogte die zijn columns en tv-optredens kenmerken.

Anekdotes als houvast
Vanuit de attributen ontvouwt zich een reeks anekdotes. Het begint met een afstandsbediening van Ziggo, waarvoor hij tweemaal naar een winkel bij het Amstelstation moet. Hij wordt herkend, maar moet alsnog zijn paspoort laten zien: ‘procedures’. De toon staat meteen scherp: droog, herkenbaar en geestig.

In het begin oogt Van Roosmalen zichtbaar nerveus, maar gaandeweg verdwijnt die spanning enigszins. Zijn vertrouwde onderwerpen – bekend voor podcastluisteraars – keren terug: zijn ouders, zijn broer, voetbalclub Vitesse en Jan Terlouw. Ook zijn dochters krijgen een plek in de verhalen.

Tussen zoeken en vinden
In combinatie met zijn droge vertelstijl voelen sommige passages langdradig. Tegelijk schuilt juist daarin ook de kracht: onverwachte wendingen zorgen voor komische schokeffecten. De zaal reageert geregeld met gul gelach. Niet elk verhaal is even sterk, maar de balans blijft overeind.

Halverwege de voorstelling neemt hij plaats op de stoel die hij eerder als risicopunt aankondigde. In plaats van vast te lopen, volgt een van de sterkere momenten van de avond, waarin hij het publiek moeiteloos vasthoudt.

Van Presikhaaf tot OLVG Oost
De verhalen bewegen zich van absurd tot persoonlijk. Van de ‘V’ van Vitesse – die volgens hem ooit letterlijk in V-vorm het veld op zou zijn gelopen – tot anekdotes over zijn ouders en jeugd. Een goudvis met de naam Jan Terlouw, een gebroken hand van Matthijs van Nieuwkerk tijdens een trip met Hard Gras, en de geboorte van zijn eerste dochter in het OLVG Oost: het zijn precies die observaties die blijven hangen.

Ook zijn jeugd in Presikhaaf komt voorbij, waar een flat ooit als ‘bungalow in de lucht’ aan zijn ouders werd verkocht. Het typeert de blik van Van Roosmalen: licht absurd, maar geworteld in herkenbare details.

Moedig begin
Ik mag niet klagen voelt als een zoektocht, maar wel een die past bij de maker. Het droge, observerende cabaret sluit naadloos aan bij zijn stem als schrijver. Het is geen afgerond geheel, eerder een eerste stap op het toneel – soms zoekend, soms trefzeker, maar vrijwel voortdurend interessant om naar te kijken. Een goed begin, waarin nog ruimte voor groei zit.