In de oude raadszaal van The Grand klonk op 3 mei het verhaal van dertien Amsterdamse raadsleden die in 1940 uit hun democratisch gekozen functie zijn gezet. De herdenking draaide om erkenning, stilte en de vraag waarom dit onrecht zo lang buiten beeld bleef.

Arie Martijn Schenk

De bijeenkomst vond plaats in de zaal waar de Amsterdamse gemeenteraad in 1940 vergaderde. Daar raakten in de zomer van dat jaar acht communistische raadsleden hun zetel kwijt: David Wijnkoop, Leendert Seegers, Ester Teeboom van West, Ko Beuzemaker, Lou Janzen, Johan Hinrik Janzen, Johan van Brederoode en Henk Sneevliet. Een deel van hen was ook Joods. Drie van deze communistische raadsleden overleefden de oorlog. Eén stierf op een onderduikadres, vier anderen zijn vermoord.

Op 30 november 1940 volgden vijf Joodse raadsleden: Ben Sajet, Alida de Jong, Jonas Jacob van der Velde, Alida van Blitz Bonn en Maurits de Hartogh. Zij kregen een kil briefje van het gemeentebestuur. Vier van hen overleefden de oorlog. Alida de Jong is in Sobibor vermoord.

Namen uit de notulen
Lian Heinhuis, raadslid voor PRO Amsterdam, en Itay Garmy, oud-raadslid voor Volt, stonden stil bij de manier waarop de dertien raadsleden uit het democratisch bestuur verdwenen. Niet omdat zij hun werk niet goed deden, maar vanwege hun afkomst of politieke overtuiging.

‘Hun namen verdwenen stilletjes uit de notulen. Hun lege stoelen werden niet benoemd’, zei Heinhuis. ‘De gemeenteraad sprak in die periode soms over de oorlog, over afgesloten straten en ingeleverde spullen, maar niet over de uitsluiting van collega’s die door Amsterdammers waren gekozen om hier te zitten.’

Volgens Heinhuis begint de herdenking met iets eenvoudigs en tegelijk wezenlijks: erkenning. ‘Erkenning voor hun namen, voor hun levens, voor hun bijdragen aan deze stad en voor het feit dat hun verhaal veel te lang niet is verteld.’

Stilte als keuze
Garmy sprak over de stilte in de notulen. Volgens hem zegt juist die stilte veel. Niet als toevallige leegte, maar als keuze. Als Joodse Amsterdammer raakt het hem dat Joodse raadsleden door hun eigen stad zijn weggestuurd. Tegelijk gaat dit verhaal volgens hem niet alleen over Joodse Amsterdammers of communisten, maar over alle dertien volksvertegenwoordigers en over collega’s die hun verantwoordelijkheid niet namen.

De pijn zit volgens hem niet alleen in wat er gebeurde, maar ook in wat uitbleef: een woord van verzet, een gebaar van solidariteit, een teken dat de democratie zelf geraakt raakte. ‘Morele moed is geen bijzaak van ons ambt, het is ons ambt’, zei Garmy.

Daarmee trok de herdenking de lijn naar het heden. Niet door 1940 rechtstreeks met nu te vergelijken, maar door te vragen wat volksvertegenwoordigers vandaag te doen staat als groepen mensen tegenover elkaar komen te staan, het vertrouwen in instituties afneemt en taal in het publieke debat schade kan aanrichten.

Ben Sajet
Een belangrijk moment in de herdenking draaide om Ben Sajet, destijds raadslid voor de SDAP, de voorloper van de PvdA. Zijn dochter Danielle Sajet was aanwezig. Zij las een passage voor uit zijn biografie en vertelde over haar vader en over de man achter de naam.

In de voorbereiding op de herdenking raakte vooral één gebeurtenis Heinhuis. Sajet beschreef de laatste fractievergadering in 1940 waar hij en de andere Joodse raadsleden bij aanwezig waren. Hij wist dat hij uit de gemeenteraad zou verdwijnen vanwege zijn identiteit. Toen niemand er iets over zei, vroeg hij om één enkel woord van medeleven.

Alleen Jan Bommer reageerde met sympathie. Fractievoorzitter Schmitt antwoordde dat hij ‘nou eenmaal niet sentimenteel’ wilde zijn. De overige fractieleden zwegen. Daarna ging men over tot de orde van de dag.

‘De afwezigheid van een reactie van hun politieke collega’s raakt me’, zei Heinhuis. ‘Mensen van wie je zou kunnen verwachten dat zij zich extra verantwoordelijk voelen om zich op zijn minst uit te spreken tegen onrecht. Maar dat bleef uit.’

Volgens Heinhuis laat juist dit moment zien hoe kwetsbaar een democratie kan zijn. ‘Door dit moment voel je dat een democratie niet verdwijnt door een grote knal, maar juist door een opeenstapeling van stiltes. Door de keuze om weg te kijken. Door onverschilligheid.’

Waarschuwing voor nu
De herdenking keek niet alleen terug. Heinhuis plaatste de geschiedenis nadrukkelijk in het licht van de huidige tijd. ‘Herdenken is alleen zinvol als het ons helpt de verantwoordelijkheid van vandaag scherper te zien’, zei zij. ‘Als het ons eraan herinnert dat een democratie de enige plek is waar iedereen, elke minderheid en elk mens, in vrijheid kan leven.’

Volgens haar begint uitsluiting niet altijd met grote daden. ‘Uitsluiting begint niet met grote daden, maar met kleine stiltes. En het is onze taak om die stilte te doorbreken zodra zij ontstaat.’

Garmy sloot daarbij aan. Volgens hem vraagt democratie dagelijks om moed, ook in vrijheid. ‘Als wij iets leren van deze dertien mensen, laat het dan dit zijn: dat wij nooit denken dat het beter is om stil te blijven dan om te spreken.’

Gesprek met de zaal
Na de bijdrage van Danielle Sajet volgde een gesprek met de zaal. Daarbij draaide het vooral om de vraag wat deze geschiedenis vandaag leert. Aanwezigen spraken over de verantwoordelijkheid van politici, bestuurders en burgers om niet te zwijgen bij uitsluiting of onrecht.

Ook klonk verwondering en ongemak over de lange stilte rond deze geschiedenis. Hoe kan het dat dit onrecht pas na zoveel jaren op deze manier aandacht krijgt? Die vraag bleef nadrukkelijk in de zaal hangen.

De herdenking gaf de dertien raadsleden symbolisch hun plek terug in de oude raadszaal. Niet als voetnoot in de geschiedenis, maar als onderdeel van het verhaal van Amsterdam. Voor de nabestaanden klonk de boodschap dat hun familieleden ertoe deden en dat hun namen in deze zaal thuishoren.

De bijeenkomst eindigde met een belofte: deze verhalen mogen niet opnieuw verdwijnen uit het geheugen van de stad.

De raadszaal in The Grand